Wan Toe Frie

persoonlijke blog van Frieda Gijbels

Je zal vandaag maar zeventiger zijn en horen dat je binnen enkele jaren niet meer gereanimeerd zal worden als je een hartstilstand krijgt. Mijn nonkel, een fitte zeventiger, sprak me er alleszins over aan toen we toevallig samen bij de benzinepomp stonden te tanken. “Nog vijf jaar”, zei hij. “En dan reanimeren ze mij niet meer”. En dan, met het nodige gevoel voor pathetiek: “Maar ja, ze kunnen ons ook niet meer gebruiken, hè. We zijn overbodig aan het worden”. En mijn vader, zelfde leeftijdscategorie, stuurde me ook meteen een vlammende e-mail. Dat dit ongehoord was, wat dit in ’s hemelsnaam met leeftijd te maken had.

Even later overleed een 80-jarige Chinese toerist in Parijs aan het coronavirus. Daar hoorde een geruststellend woordje duiding bij, vanwege viroloog Marc Van Ranst. “We moesten ons alleszins geen zorgen maken, dit was verwacht. Het was een man van 80 jaar. Meestal waren het “hele oude mensen” of “mensen met een onderliggende aandoening”, die overleden”.

Het klonk een beetje als: “No worries, jij en ik, wij zijn nog lang geen tachtig! Wij zijn kerngezond. Wij zitten niet in de gevarenzone!”
Je zult maar een onderliggende aandoening hebben, zoals diabetes (hoeveel mensen hebben er niet diabetes?!). Of zogenaamd “heel oud” zijn, maar wel nog vol plannen voor de toekomst.

Hoewel ik de Chinese man in kwestie niet ken, kan ik me toch moeilijk voorstellen dat hij zwaar ziek was toen hij de Eiffeltoren en misschien nog wel meer van Europa kwam bezoeken samen met zijn dochter. Een plotse ziekenhuisopname en dan ook nog doodgaan in Frankrijk stonden sowieso niet op hun reisplanning en waren voor die man en zijn dochter allicht minder verwacht dan Van Ranst deed uitschijnen.

Om terug te komen op de studie die suggereerde dat reanimeren na 80 jaar niet meer zinvol is: natuurlijk stond er veel meer nuance in de studie dan er op het eerste gezicht uit bleek. Maar toch lijkt het me niet verstandig om een leeftijd te plakken op iets als reanimatie. Leeftijd en fitheid zijn immers twee aparte dingen. Leeftijd kan één van de vele factoren zijn die meespelen in een bepaalde medische beslissing, want hoe ouder je bent, hoe meer kans dat je gezondheid begint te haperen, maar het mag nooit de enige of doorslaggevende factor zijn.

Misschien moet ik er bij vertellen dat ik bij zulke kwesties meteen aan mijn bomma denk, die helder van geest was tot op haar sterfbed, en net geen 101 jaar werd. Zij voelde zich héél lange tijd niet oud. Zo wilde ze niet naar een rusthuis, omdat daar volgens haar “allemaal oude mensen zaten”. Ouder van geest waren ze misschien inderdaad, maar wel jonger in jaren. Een mens mag je dan ook niet herleiden tot een leeftijd, omdat dat zo weinig zegt.

Het is volgens mij bovendien niet onschuldig om de nadruk zo sterk te leggen op de leeftijd bij het aankondigen van de resultaten van deze studie.  Het hielp wellicht om het nieuws te halen, maar het getuigt volgens mij van weinig respect voor de oudere generatie en sluipt zo  ongemerkt binnen in de manier waarop we over oudere mensen denken.

Net zo tenenkrullend, volgens mij, was de zoektocht naar een term voor een “fitte senior” een tijd geleden op Radio1. In Nederland heet het een “vitalo”, naar “vitale oudere”. Vanaf 55 jaar te bezigen. (Help zeg, nog 10 jaar!). Bij ons kwam uiteindelijk “jagger” uit de bus (“jonge actief gepensioneerde”). Dat is toch verschrikkelijk, wie bedenkt nu dat er daar een term voor nodig is? Alsof de jongere generatie iets te vinden heeft van de manier waarop de generatie, die ons heeft opgevoed, zich gedraagt.

Als we ze te weinig actief vinden, dan hoeven ze bij wijze van spreken niet meer gereanimeerd te worden; als ze wat te actief zijn naar onze zin, met hun irritante meningen en koersfietsen en trappistjes op de terrassen, dan krijgen ze het etiket “jaggers” opgeplakt.

Wat dat betreft (en misschien enkel wat dat betreft), kunnen we nog wel iets van China leren.  Respect voor ouderen wordt daar tot nader order hoog in het vaandel gedragen. Vraag maar aan Confucius.

België koploper wat betreft borstkanker

Borstkanker is de meest voorkomende kanker in ons land en zorgt voor de meeste overlijdens ten gevolge van kanker.  Als we de Belgische cijfers vergelijken met de cijfers van andere OESO landen, dan hebben we bovendien de twijfelachtige eer om de lijst te mogen aanvoeren, met 112 gevallen per 100.000 vrouwen in 2012 (laatst beschikbare cijfers volgens OESO).  Dit aantal is sinds 2000 bovendien sterk gestegen (was toen 82/100.000).

Screeningsprogramma van de overheden

Het is dus belangrijk om in te zetten op o.a. screening, om zoveel mogelijk vrouwen zo snel mogelijk te kunnen behandelen als nodig.  Het bestaande screeningsprogramma, ingericht door de gemeenschappen, richt zich op vrouwen tussen de 50 en 69 jaar, omdat in die leeftijdscategorie het vaakst een vroegtijdige diagnose kan worden gesteld, met een succesvolle behandeling.

Deze tweejaarlijkse screening is gebaseerd op Europese gestandaardiseerde kwaliteitscriteria.  Een borstonderzoek op jongere leeftijd wordt niet aangeraden als er geen verhoogde kans op borstkanker bestaat (bv. familieleden die zijn getroffen) of zonder klinische indicatie, omdat de hoogenergetische röntgenstraling in verband wordt gebracht met het ontstaan van tumoren en dus een tegenovergesteld effect zou kunnen hebben.  Deze screeningsprogramma’s worden georganiseerd door de verschillende gemeenschappen, maar de terugbetaling gebeurt door de federale overheid (RIZIV).

Opportunistische screening

Een vrouw kan er echter ook voor kiezen om zich buiten dit georganiseerde screeningsprogramma te laten onderzoeken (de zogenaamde “opportunistische screening”). Deze onderzoeken zijn duurder, niet bewezen doeltreffender en ze zijn niet gebonden aan de kwaliteitscriteria die in het overheidsprogramma van toepassing zijn. Ook deze onderzoeken worden terugbetaald door het RIZIV.

Cijfers screening: communautaire verschillen zijn duidelijk

In de gewenste leeftijdscategorie wordt gestreefd naar een bereik van 75% van de vrouwen, maar daar blijken we nog niet te zijn. In totaal worden in Vlaanderen 67% van de vrouwen in de gewenste leeftijdscategorie bereikt, tegenover 54% in Wallonië en 53% in Brussel.  Bovendien wordt in Wallonië en Brussel veel vaker gekozen voor een – duurdere – opportunistische screening dan in Vlaanderen (47% en 42% ten opzichte van 16% in Vlaanderen).  Vlamingen schrijven zich dus veel meer in het georganiseerde screeningsprogramma in (51%) dan hun zuiderburen (6,8%).

Daarbovenop komt nog dat Walen en Brusselaars zich veel vaker op jongere leeftijd laten screenen dan Vlamingen.  Bijna de helft van de Waalse vrouwen (49%) tussen 40-49 jaar en 47% van de Brusselse vrouwen laat zich op te jonge leeftijd screenen, ten opzichte van 26% van de Vlaamse vrouwen (en dit aantal neemt in Vlaanderen af).

De middelen moeten beter worden ingezet

Samengevat kunnen we dus stellen dat screening op borstkanker nog te weinig Belgische vrouwen bereikt. Maar vooral in Wallonië en Brussel wordt te weinig deelgenomen aan de georganiseerde borstkankerscreening, georganiseerd door de gemeenschappen. De aanwezigheid van borstkanker is in de verschillende gemeenschappen overigens hetzelfde, waardoor het evident zou moeten zijn om voor de kostenefficiënte en kwaliteitsvolle georganiseerde screening te kiezen en niet zonder indicatie op jonge leeftijd te screenen.

Misschien is de oorzaak van de gebrekkige screening wel te vinden in een gebrek aan responsabiliserend effect, waar de gemeenschappen (hier de Franse en Brusselse) zich te weinig aantrekken van de uitgaven op federaal niveau.  Wanneer de gemeenschappen zelf zouden moeten opdraaien voor de hogere kosten van de opportunistische screening, zouden ze wellicht wel degelijk geneigd zijn om meer vrouwen aan te zetten om zich in te schrijven in de georganiseerde screening.

Borstkankerscreening is maar één aspect van de gezondheidszorg, maar wel een belangrijk aspect, gezien de hoge prevalentie en de hoge sterftecijfers.  Ook hier zou een volledige regionalisering van de gezondheidszorg wellicht betere resultaten geven.  Wanneer een gemeenschap zich inspant om een screening te organiseren, is het maar logisch dat ze hier ook de vruchten van kan plukken.  En dit is in het belang van elke gemeenschap.  Een betere screening leidt immers niet alleen tot een beter budgetbeheer, maar ook tot een snellere detectie van borsttumoren.  Het wordt tijd dat we uit de kop van het peloton geraken.

Bronnen: OESO, IMA en KCE

Het gebeurt niet zo vaak, maar het is me toch een paar keer overkomen dat ik kwaad werd tijdens mijn werk als tandarts-parodontoloog.  Ik kan die keren op één hand tellen.  Of toch maximaal op twee.

Vaak zorgen zenuwachtigheid, onwennigheid of onwetendheid ervoor dat mensen anders reageren en niet helemaal zichzelf zijn in een tandartspraktijk.  Soms zijn ze wantrouwig of overdreven defensief, vinden ze dat “alle tandartsen geldwolven zijn” of hebben ze ergens gehoord “dat het allemaal toch niks gaat helpen”.  Alle begrip daarvoor en ik vind het net een uitdaging om hun vertrouwen te winnen en ervoor te zorgen dat ze zich op hun gemak gaan voelen.  Ik leg daarbij graag uit wat er precies aan de hand is, waarom het belangrijk is om er iets aan te doen en vertel hen ook wat de behandeling zal kosten.  Het mooiste vind ik om iemand, die bang is voor de prikjes van de verdoving, zover te krijgen dat die mij toelaat om toch te verdoven (en er zijn meestal véél prikjes nodig voor een parodontale behandeling).  En dan achteraf te horen “dat het eigenlijk helemaal niks voorstelde”.  Daar doe ik het voor.

Maar vorige week werd ik dus kwaad.  En dat kwam zo.

Een nieuwe patiënt had zich aangemeld in de praktijk.  Een jonge vrouw van niet-Europese origine.  Haar man was er bij.  Ik sprak de vrouw aan en vroeg wat haar klachten waren en waarom ze naar mijn praktijk was verwezen. De man zei meteen dat ze nog geen Nederlands sprak.  Hij was ook van niet-Europese origine, maar wellicht waren zelfs zijn ouders al hier geboren.  Hij sprak alleszins prima Nederlands en ik vroeg dan ook of hij zou kunnen vertalen voor mij.  “Oké”, zei hij.

Ik vroeg of ze medicijnen nam (“nee”, zei hij), of ze allergisch was voor bepaalde producten (“nee”) en of ze misschien zwanger zou kunnen zijn.  Op die laatste vraag reageerde hij schouderophalend (“goh, zou kunnen, zeker”).  Op dat moment knetterde er al een klein vonkje in mijn hoofd.

Maar goed, ik onderzoek de jonge vrouw en ga daarna terug met haar aan mijn bureau zitten, tegenover haar en haar man.  Ik zeg aan hem dat ik ga uitleggen wat er aan de hand is en wat ik eraan kan doen en vraag opnieuw of hij kan vertalen (“ja ja”).

Ik begin aan mijn verhaal, dat ik steevast doe met een informatieboekje erbij, zodat ik ook met tekeningen en foto’s kan uitleggen wat er precies aan de hand is. De vrouw begrijpt dus inderdaad niets van mijn uitleg, al probeer ik om me met gebaren toch een beetje verstaanbaar te maken.
En dan zie ik plots dat die man gewoon op zijn gsm blijft kijken, niet mee volgt en totaal niet geïnteresseerd is.

Op dat moment wordt die vonk een soort van kortsluiting, een bliksemschicht zo ongeveer pal achter mijn ogen. Ik vraag of hij alstublieft die telefoon wil neerleggen en een beetje wil opletten.  Ik denk dat ik geweldig rood werd op dat moment en misschien kwam er letterlijk stoom uit mijn oren.  Hij staarde mij aan en legde uiteindelijk zijn telefoon weg.  Maar hij heeft niet vertaald.

De vrouw zat daar maar hulpeloos naast hem.  Alleen, in een vreemd land, met een man die niet bepaald veel met haar leek in te zitten.

Op dat moment besefte ik heel scherp hoe belangrijk het is dat mensen die vanuit een vreemd land, met een andere cultuur, naar ons land verhuizen, ook de taal machtig zijn en weten hoe het er aan toe gaat bij ons.

Leve de inburgeringscursus dus.  Het is niet onvriendelijk of asociaal om zoiets te verplichten aan nieuwkomers. En het vereiste taalniveau mag best ambitieus zijn.  Het zou getuigen van een superioriteitsgevoel als je zou denken dat nieuwkomers dat niet aankunnen.  En het kan het verschil maken tussen een gelukkig en een ongelukkig leven en tussen onderdanigheid en emancipatie.

Ik hoop maar dat Aicha (zo heette ze niet echt) snel taallessen zal volgen en haar eigen mannetje zal leren te staan.  Het  is belangrijk om je thuis te voelen in een ander land, maar ook om je niet te laten doen door mensen die wél Nederlands spreken en die wél hun weg kennen.

En verder hoop ik dat haar man gewoon met het verkeerde been uit bed was gestapt en dat hij eigenlijk de slechtste nog niet is.

 

N.a.v. artikel “De tandarts ziet patiënten in Genk, goedkope ingreep gebeurt in Turkije” in HBvL van 03/04/2019

 

Ik weet niet precies hoeveel een tandimplantaat kost in Turkije, maar het zal wel een heel pak goedkoper zijn dan wanneer je het bij ons laat plaatsen. Ik snap het dus ook wel, dat zoveel mensen in de zomervakantie “even implantaten gaan laten zetten” in het buitenland, vaak het land waar ze zelf of waar hun ouders oorspronkelijk vandaan komen. Ze spreken de taal, ze hebben het adres van familie of kennissen, ze zijn dan toch daar…
Alleen wordt al te vaak vergeten dat je een implantaat niet zomaar even kan laten plaatsen. Het is een medische ingreep. Er wordt immers een stukje speciaal metaal in je kaakbot ingeplant en het is de bedoeling dat dat met de nodige omzichtigheid gebeurt. Er is een uitgebreid vooronderzoek nodig. Er moet bekeken worden of het volume van het kaakbot wel voldoende is om een implantaat te kunnen plaatsen, of er geen belangrijke zenuwen of bloedvaten in de buurt zitten… Bovendien moet de omgeving waarin het implantaat wordt geplaatst gezond zijn. Zo is het bijvoorbeeld echt geen goed idee om een implantaat te plaatsen wanneer er problemen zijn met ontstoken tandvlees rond de nog aanwezige tanden. Dat ontstoken tandvlees is meestal immers een gevolg van een bacteriële infectie, die zich graag en gemakkelijk uitbreidt naar implantaten, met alle gevolgen van dien. Als er nog een slechte tand staat op de plek waar het implantaat moet komen, dan moet er in vele gevallen ook genoeg tijd kunnen verlopen tussen de tandextractie en het plaatsen van een implantaat. Het gaat immers om een site die veelal langdurig onderhevig is geweest aan een bacteriële infectie.
Dit alles maakt dat er in vele gevallen een hele voorbereiding vooraf gaat aan het plaatsen van een of meerdere implantaten. Eerst moet die mond immers gezond kunnen worden.
En een zomervakantie is nu eenmaal te kort om dat hele proces te doorlopen. Dus wordt er hier een daar al eens een shortcut genomen. Het implantaat wordt zonder veel boe of bah geplaatst en de patiënt gaat weer naar huis.
Met een beetje geluk gaat het vervolgens goed, maar voor letterlijk hetzelfde geld loopt het mis. Soms al na enkele dagen, maar net zo goed pas na een aantal jaar. En dan is die chirurg dus niet meer in de buurt. En wat dan gedaan? Het eerste het beste vliegtuig terug naar Turkije nemen is meestal geen optie.
Heel recent kwam er nog een man bij mij in de praktijk. Een man van Turkse origine. Ik moet zeggen dat hij zich wel een beetje geneerde toen hij vertelde dat hij “even een implantaat had laten plaatsen toen hij op vakantie was in Turkije”. En of ik eens kon kijken, want er was iets niet pluis en hij had pijn. Ja, wat doe je dan? Ik heb het er moeilijk mee om niets te doen als iemand zich meldt met pijn, maar van de andere kant wist ik niet welk type implantaat geplaatst was, of er kunstbot was gebruikt, of de ingreep vlot was verlopen of dat er complicaties waren geweest… Ik twijfelde om iets te doen, want wat als men dan achteraf zou beweren dat het door mijn ingrijpen was dat er problemen waren ontstaan? Ik heb hem dan maar – tegen mijn zin – antibiotica voorgeschreven en gezegd om zo snel mogelijk terug naar Turkije te gaan. Of dat implantaat uiteindelijk nog goedkoper is geweest, dat betwijfel ik. Zelf had hij het alleszins helemaal gehad met het tandtoerisme.
Maar uiteindelijk klopt het ook helemaal niet. In Turkije worden die implantaten wellicht – bij wijze van spreken – aan de lopende band geplaatst, terwijl er niet zoiets is als “continuïteit van de zorg”, waaraan wij als tandartsen/parodontologen/kaakchirurgen wel gebonden zijn. Als je een behandeling begint, dan ben je ook verantwoordelijk voor de opvolging ervan. Ik wil het niet eens hebben over de kwaliteit van de implantaten die wordt gebruikt of over de kundigheid van de chirurgen (die af en toe goed is en af en toe minder goed), maar ik kan me niet van de indruk ontdoen dat het niet bevorderlijk is voor het verantwoordelijkheidsgevoel van de (tand)arts wanneer ze weten dat de patiënt na een paar dagen toch terug in België zit. Dat die implantaten ook onderhouden moeten worden, dat wordt er vaak niet eens bij gezegd.
Het is zeker ook niet de eerste patiënt die ik zie die implantaten in het buitenland heeft laten plaatsen. Ik zie ze regelmatig. Eén keer een mevrouw die in haar zomervakantie al haar tanden had laten trekken en terug was gekomen met een brug van oor tot oor, ondersteund door een stuk of 8 implantaten. Terwijl haar tanden perfect nog behandeld hadden kunnen worden.
Het erge is dat implantaten vaak als een “simpele” oplossing worden gezien, omdat het redelijk goedkoop kan, terwijl er niet aan de mogelijke consequenties wordt gedacht. Dus waarom dan voor je eigen tanden zorgen als je ze net zo goed kan laten vervangen door een mooie rij, in de vorm en de kleur die je zelf gekozen hebt?
Maar wat doe je eraan? Je kan het mensen niet verbieden…
Ik hoor regelmatig pleidooien voor een betere terugbetaling van implantaten en tandkronen. Ook door ziekenfondsen.
En dan denk ik: ja. Ja, een goed idee.
Maar dan moeten we er wel eerst voor zorgen dat we inzetten op preventie en tandbehoud. Zodat er minder implantaten nodig zijn en zodat we die mensen die dan toch een implantaat nodig hebben inderdaad kunnen helpen met een terugbetalingssysteem. Het alternatief is simpelweg onbetaalbaar.
Want inzetten op tandbehoud, dat doen we veel te weinig. Hoe verklaar je anders dat wie op dit moment ouder is dan 55 jaar en de pech heeft om parodontitis te krijgen, helemaal geen terugbetaling krijgt om die bacteriële infectie onder controle te krijgen? Wie jonger is dan 55 jaar krijgt wel een stuk terugbetaald, maar veel te weinig. En dat terwijl je tanden kan verliezen wanneer parodontitis niet tijdig behandeld wordt. Wordt het wel tijdig behandeld en goed opgevolgd, dan kun je het steunweefselverlies stoppen. Helaas is een levenslange opvolging en een nauwgezette mondhygiëne hierbij essentieel om de bacteriële tandplaque die die infectie terug in gang kan zetten een halt toe te roepen.
Dat de ziekenfondsen en politici daar nu eens samen voor gaan strijden. Het hele terugbetalingssysteem herbekijken en de focus leggen op preventie en tandbehoud, zodat duurdere ingrepen zeldzamer en dus ook betaalbaar worden.
Ik zet me alvast schrap.

(Over die Turkse tandarts die vanuit Genk mensen zou ronselen om in Turkije implantaten te laten plaatsen: ik hoop dat zijn diploma hier erkend is. Ik hoop dat die patiënten correct voorbehandeld worden. En ik hoop dat hij zijn patiënten ook na de chirurgie zal opvolgen).

Mijn mama was, toen ik klein was, een uitzondering in ons kleine dorp. Zij koos ervoor om te blijven werken toen ik geboren was en is dat blijven doen tot mijn oudste zoon geboren werd. In die tijd was dat niet vanzelfsprekend en ik moet zeggen dat ik hier en daar wel wat medelijden losweekte wanneer ik na school niet naar huis kon, maar naar mijn onthaalgezin “moest”. Nu wil ik daar meteen aan toevoegen dat mijn zus en ik het getroffen hebben bij dat onthaalgezin, waar ik tot mijn zesde leerjaar voor en na school en in de vakanties terecht kon. In die tijd was er geen sprake van ouderschapsverlof en halftijds werken was wellicht niet gebruikelijk, dus mijn mama werkte fulltime, nine to five. Waarschijnlijk voelde ze zich daar enigszins schuldig over, maar van de andere kant was ze, voor zover ik kan inschatten, gewoon goed in haar job en deed ze haar job graag. Werken werd in ons gezin nooit afgespiegeld als iets dat “moest”, maar als iets dat er bij hoorde en dat dus een deel van het leven was. De “work-life balance” was nog niet uitgevonden en daar werden dus ook geen vragen over gesteld. Van de andere kant zochten mijn ouders na de werkuren ook niet veel extra bezigheden op. Ook mijn papa had een drukke job en als hij thuis was van Brussel, dan was hij er ook, samen met mama, voor ons.  Er werd veel in de tuin gewerkt, we hadden dieren, er werd veel gedoehetzelfd en mijn zus en ik werden overal in betrokken.  Van het halen van hooi tot het bekleden van het plafond op de zolder.  Ik mocht knutselen, timmeren, boren, schilderen, nooit heb ik gehoord dat zoiets “niet voor meisjes” was.
Ondanks het medelijden dat ik kreeg van ouders van klasgenootjes, vond ik dat ik de beste ouders van de hele wereld had en was ik apetrots op hen.
Mijn ouders zeurden niet en leerden ons ook om niet te zeuren. Leerkrachten werden niet tegengesproken, uit school blijven kon alleen als er koorts bij te pas kwam. Ondanks mama’s afkeer van de kerk (wat ik pas later ontdekte), moesten we op zondag naar de mis (hoewel ze het ook niet zo erg vonden als ze mijn zus en mij “niet vonden” als we ons weer eens verstopt hadden om kwart voor tien).
Ze leerden ons ook om verantwoordelijkheid te nemen en nooit hebben mijn ouders aan ons getwijfeld. Ze steunden mij en mijn zus in onze studies, maar ze keken niet op onze vingers. Toen ik, net zoals mijn oudste zoon nu, in mijn zesde jaar van de humaniora zat en een studiekeuze moest maken, was geen enkele studiekeuze uitgesloten “omdat ik een meisje was”. Ik had het gevoel dat ik alles mocht worden wat ik wou. Dat was voor mij ook heel logisch. Ik ben helemaal niet bewust feministisch opgevoed, ik denk trouwens dat mijn mama het niet zo begrepen had op de “aanstellerige” dolle mina’s, maar dat mannen en vrouwen evenwaardig waren, dat was thuis een vanzelfsprekendheid. In die mate dat ik in de lagere school hevig protesteerde toen de zuster kwam vragen welke jongens er misdienaar wilden worden. Ik heb toen een heel betoog afgestoken tegen de zuster, omdat ik het niet eerlijk vond dat meisjes geen misdienaar konden worden. Toen de zuster een tijd later kwam vertellen dat ze het besproken had met de pastoor en dat ze besloten hadden dat nu ook meisjes misdienaar mochten worden, stond ze al klaar om mij op de lijst te zetten. Maar ik wou zelf helemaal geen misdienaar worden. Het was me puur om het principe te doen.
Gelukkig merk ik aan mijn dochter en zonen dat zij het heel logisch vinden dat meisjes en jongens gelijkwaardig zijn en de verhoudingen zijn op één generatie tijd ook bijzonder sterk veranderd.  Maar niet in alle gezinnen is dat vanzelfsprekend, zelfs vandaag niet. Daarom wens ik, op internationale vrouwendag, iedereen ouders toe die inzien dat meisjes een even grote rol kunnen spelen in de toekomst als jongens. Ik wens iedereen leerkrachten toe die meisjes en jongens kunnen enthousiasmeren en ervan overtuigen dat ze alles kunnen worden wat ze willen. Onderwijs voor meisjes is in veel landen, waar overbevolking en onderdrukking het leven moeilijk maken, de sleutel tot vrijheid en onafhankelijkheid. En ik wens ook iedere vrouw een boeiende job toe, waar ze haar creativiteit en passie in kwijt kan en een partner en een maatschappij die haar ondersteunen, zodat er geen plaats is voor schuldgevoelens. Net zoals ik dat iedere man toewens, overigens.
Hopelijk kunnen we die internationale vrouwendag dan snel reduceren tot een paragraaf in de geschiedenisboeken van onze kleinkinderen. Iets ouderwets en moeilijk te begrijpen.

IMG_5866.png

Brief van Rik (mijn papa) aan Mathieu (zijn broer), zoals hij dat bracht tijdens het afscheid op 01/02/2019 (Hangar 58, Bokrijk)

Huis Gijbels in Ellikom lag een beetje alleen, tussen bossen, hei, nog bossen, een wei met stomme schapen en in de schuur enkele varkens en kippen. Het decor waar vijf kinderen genoten van een mateloze vrijheid om ganse dagen te ravotten in de bossen of aan de Slagmolen. We hadden ouders die ons dat gunden. Zij gaven, toen al, de pedagogen van nu het nakijken.
We zijn werkelijk opgegroeid in de bossen, en als dat ooit aan onze manieren te merken is, dan hoop ik dat daar begrip voor is.
In onze familie waren er twee krakken en drie softies.
De softies waren Lisette, Jan en ik. Wij dateren van vlak voor en vlak na de oorlog.
De krakken waren Alex zaliger en Mathieu, beiden midden in de oorlog geboren. De softies konden zich verzoenen met de school, terwijl de krakken leden aan een chronische schoolbank-allergie, of liever zij genoten daarvan.
Mathieu was de superkrak en hij heeft er voor gezorgd dat ons leven nooit saai is geweest. Hij is altijd de peper en het zout geweest in ons familiaal leven.

Ondernemer word je niet. Je bent het of je bent het niet. Het zal in de genen zitten of het zal niet zijn.
Bij onze Thieu was het heel duidelijk.
Het commerciële zat er al in op de kleuterklassen. Als het ging om het ruilen van knikkers, of prentjes of wat dan ook, je kon er donder op zeggen dat hij er als winnaar uitkwam en dat de ander de sigaar was.
Zijn activiteitsniveau was immens. Hij was altijd creatief bezig: katapulten maken om de fauna in de bossen te teisteren, zijn fiets opsmukken, moto`s demonteren en terug monteren, zijn geliefde Vespa pimpen tot en met. En hij hield alles altijd netjes geordend. Perfectionisme en discipline zaten diep ingebakken.
Ik vond dit gekke eigenschappen.
En wat was hij een proper kereltje ! Graag netjes gewassen, de haren perfect gekamd, en liefst propere kleren. Toen de lange broek er aankwam wou hij die persé altijd zelf strijken. Die plooien moesten messcherp zijn.
Hieruit bleek ook zijn ijdelheid en fierheid.
Bij wat hij ook deed kon Mathieu erg diep gaan. In alles wat hij deed was het doorduwen geblazen. Hij had het talent om een goede langeafstandsloper te worden, want hier ging het ook om diep te kunnen gaan. Nooit afgeven en steeds maar grenzen verleggen. Hij kon ook diep gaan in zijn jonge uitgaansleven, en stevig de bloemetjes buiten zetten.
De jonge Thieu was ook een onvervalste charmeur. Op de lagere school werd er een beetje gecommerced om het knapste meisje, met bidprentjes en zo, en dus was hij ook hier winnaar. Maar ook als hij iets mispeuterd had bij onze pa en ma, hij wist hen steeds weer om de vinger te winden; en hij was dan weer de goeie, en wij de pineut.

Maar wat niet iedereen weet is dat Mathieu ook een bangerik was. Hij was echt bang in het donker. Wij hebben daar eigenlijk veel jaren serieus misbruik van gemaakt, dat moeten we bekennen. En ik weet dat hij ook als volwassene nog lange tijd gewoon bang in het donker is geweest. Maar bang om risico` s te nemen dat zat er echt niet in. Dat zou heel snel blijken als hij volwassen werd

Mathieu wou en zou zijn eigen baas zijn. Niets kon hem tegenhouden. Met stuk en brok bouwde hij zijn eigen bedrijfsgebouwen. En dan was het tweemaal feest: eerst als een gebouw klaar was, en dan, twee jaar later, als de bouwvergunning binnenkwam.
Want bureaucratie en ambtenarij zag hij als een zwaar obstakel. Later is dat uiteraard wel iets gebeterd.
Mathieu heeft veel jaren mateloos gewerkt: 16 uren per dag en 7 dagen per week. Echt niet normaal.
De pioniersperiode was soms wel erg boeiend. Onze pa heeft het niet meer kunnen meemaken, maar de risico`s, die Mathieu nam, deden ons ma, en ook ons, toch wel de wenkbrauwen fronsen, om het héél eufemistisch uit te drukken. Altijd maar doorduwen.
In die tijd keek hij op het einde van het jaar altijd even naar de cijfers. Als die goed waren dan nodigde hij ons met nieuwjaar uit om eens lekker te gaan eten. Als compensatie voor de onrust in onze gemoederen. Want ook bij de familie heeft hij altijd de charmeur uitgehangen.
Of Mathieu ook een charmeur was bij de dames, dat weet ik niet. Daar heb ik nooit op gelet.

Wat een kerel ! Je moet misschien midden in de oorlog geboren zijn om zo een krak te zijn. Wie weet ligt ook hier de verklaring voor dat bang zijn. Schuilkeldersyndroom.

Over de realisaties van Mathieu spreek ik hier niet. Die zijn te zien in elke gemeente van het land, en honderden werknemers kunnen hier van getuigen. En zij kunnen ook getuigen hoe die kenmerken, uit de kindertijd van Mathieu, altijd terugkwamen in zijn leven als ondernemer.

Mathieu was zo verstandig zijn bedrijf op tijd over te dragen aan Mathi. Op die manier heeft hij nog een aantal jaren zijn sportieve en culturele dimensie kunnen manifesteren.
Sport, muziek en zang, hij genoot er immens van.

In dat ongelooflijke leven is er altijd een enorm sterke rots in de branding geweest, en die rots heet Anna ! Zonder haar was het echt niet gelukt. En dit weet iedereen, en zeker Marianne, Mathi en de kleinkinderen.
Wij, zus en broers zijn erg dankbaar hoe mooi Anna samen met Marianne en Mathi onze broer hebben begeleid naar het einde. Dat is klasse en werkt ook voor ons erg troostend.

Mathieu, beste krak, dood zijn is relatief, echt waar. We zien dat je DNA manifest aanwezig is in je kinderen en kleinkinderen. Dus, je leeft echt verder !

Kort voor je dood was er dat intens moment van afscheid. Het lukte me om te zeggen: ¨Alles is OK. Gank nu mer hiel restig. De hoofs nerges bang vier te zeen.¨ En je zei heel zacht, maar zelfzeker: ¨ Ich bin neet bang. Ich bin écht neet bang. ¨
Toen dacht ik: ¨Het is voor hem heel duidelijk dat het op zijn eindbestemming niet donker is !¨
Rik
1 februari 2019

Het is al erg lang geleden dat ik mijn hersenspinsels nog aan het spreekwoordelijke papier heb toevertrouwd. Maar de laatste dagen heb ik veel nagedacht. Over de klimaatspijbelaars, jawel (wedden dat dat het woord van het jaar wordt? En we zijn nog maar januari).
Toevallig lopen er bij ons thuis twee potentiële klimaatspijbelaars rond. Eentje van 15 jaar en eentje die komend weekend 17 wordt. Ik heb het er met hen dan ook over gehad. Wat zij ervan vonden en of zij ook zouden gaan betogen op een donderdag.
Het ding is dat ze overwegend nogal nuchter zijn, mijn jongens. Op school was er blijkbaar ook al uitgebreid over gedebatteerd en het feit dat betogen op een doordeweekse dag ook een lesvrij dagje inhoudt, vinden zij toch ook wel dubbel en doet de vraag stellen of het die studenten nu vooral te doen is om het milieu of toch ook wel om dat dagje vrij.
En verder heb ik geprobeerd om mezelf een jaar of 27 jonger te denken. Gewoon ik, maar nog voor die rimpels dan en voor de onvermijdelijke levenslessen. Zou ik ook zijn gaan betogen als ik nu 17 was? Ik sluit het niet uit, al heb ik het nooit zo voor massabijeenkomsten gehad.
Wat ik herken in die jongeren, is de drang om samen iets te betekenen. Om samen te spannen tegen die oudere generatie die in een heel andere wereld lijkt te vertoeven. Een wereld die bezig is met politiek en economie en nog meer van die saaie dingen en die geen zier lijkt te geven om ons leefmilieu. Dat de onbezonnenheid en naïviteit er af spat, dat hoort bij de leeftijd en dat is ook sympathiek. Het spijtige is dat sommige volwassen politici en media zich even naïef en onbezonnen gedragen en de jongeren ook nog eens ongevraagd voor hun kar proberen te spannen. Dat is al een stuk minder sympathiek.
Wie goed leest en luistert, heeft wellicht ook gemerkt dat die jongeren hier helemaal niet mee opgezet zijn. Ik las dat één van de voortrekkers van het jongerenprotest zelfs vroeg om in ’s hemelsnaam niet de jongeren uit te nodigen, maar wel experts.
En precies dat is wat ik mis in deze protesten. Politici van bepaalde partijen wrijven zich in de handen en kloppen de protesten nog eens op tot een soort van massahysterie. Maar ik mis kennis van zaken en concrete oplossingen. Oplossingen die ook haalbaar zijn – hoewel je daar wellicht volgens sommigen ook al te weinig ambitie mee uitdrukt. Terwijl het begrip “haalbare oplossing” volgens mij zelfs een pleonasme is. Als iets niet haalbaar is, dan kan het toch ook geen oplossing zijn?
Wat ik ontzettend mis, is de essentiële rol van pure en objectieve wetenschap. “Wat is het probleem”, of “wat zijn de problemen”? “Wat zijn de oorzaken” en “wat kunnen we daaraan doen”? Dat klinkt logisch en simpel, maar in het klimaatdebat lijken ratio en rede wel ongenode gasten. Het is hoog tijd voor een open debat, eentje zonder taboes en met een onderbouwde insteek. Is dat overigens geen rol bij uitstek voor onze openbare omroep?
Het heeft geen zin om individuele burgers te culpabiliseren als hun inbreng verwaarloosbaar is. Dat is dweilen met de kraan open, dat is window dressing, daarmee los je de problematiek net niet op.
Wellicht zal snel duidelijk worden dat je alleen weinig kunt doen, dat alleen een wereldwijde aanpak zinvol is. Dat wil wat mij betreft niet zeggen dat je ondertussen niet kunt werken aan het beperken van de “plastic soup” of het stimuleren van het openbaar vervoer. Maar als superkleine regio een belasting gaan heffen op vliegtuigtickets, terwijl de rest van de wereld vrolijk verder vliegt, dat is van de pot gerukt en dat is paniekvoetbal.
De oplossingen liggen in de wetenschap. Laten we vertrouwen hebben in onze ingenieurs en fysici. Maar waar de jongeren wel gelijk in hebben, is dat het beleid ruimte moet geven aan vernieuwende initiatieven en ontwikkelingen op dit vlak. Als we de voornaamste grondstof van onze regio, onze opleidingen en onze kenniscentra, hiervoor kunnen inzetten, dan ben ik ervan overtuigd dat we tot een win-win kunnen komen tussen economie en ecologie. En dan zijn we op weg naar échte oplossingen, voor de lange termijn en geen doemscenario’s, die alleen maar worden geschreven om mensen bang te maken en stemmen te ronselen. Noem me voor mijn part dan maar een optimist. En een milieuactivist.

%d bloggers liken dit: