Wan Toe Frie

persoonlijke blog van Frieda Gijbels

Dat er iets moest gebeuren, daar was iedereen het over eens.

Er is immers een toename van covidpatiënten in de ziekenhuizen. En de medische zorg, die moeten we vrijwaren. We willen niet opnieuw een maandenlang uitstel van ingrepen en behandelingen. Na de covidgolven worden immers ook andere ziektebeelden verwacht, van aandoeningen die te laat werden gediagnosticeerd of behandeld.

Dus dat het tij moet worden gekeerd, daar is zowat iedereen het denk ik over eens. Alleen is de vraag of de inspanningen wel aan de juiste personen worden gevraagd. Telkens worden burgers, ondernemers, zorgverstrekkers gevraagd om wat gas bij te geven of wat gas terug te nemen.

Maar is het ook niet aan de overheid zelf om een flinke tand bij te steken?

Het is een kerntaak van de overheid om haar burgers en haar economie te beschermen tegen een epidemie. En het is haar plicht om daar alle inspanningen voor te doen die binnen haar bereik liggen en die nuttig en nodig zijn. En ik heb niet het gevoel dat de federale overheid alles op alles zet. Een heleboel wapens liggen onaangeroerd op het schap.

Een eerste voorbeeld. Het verouderde, onbruikbare en quasi onvindbare pandemieplan. De relicten zijn nog zichtbaar op de websites van ECDC en de WHO. Behoorlijk gênant, want ons land staat wel netjes in het rijtje van landen met pandemieplannen, maar wie op de link klikt, belandt op een opgedoekte website in niemandsland. Een schoolvoorbeeld van windowdressing. Geen wonder dat België 0/100 scoorde voor “pandemic preparedness” volgens de Global Health Security Index (https://www.ghsindex.org/country/belgium/). Volgens toenmalig minister De Block “lagen de plannen nochtans klaar”. Iets wat achteraf in de bijzondere covidcommissie door Prof. Erika Vlieghe werd ontkend. En dergelijk plan zou wel degelijk nut hebben gehad. Al was het maar om snel en doortastend te kunnen optreden, zonder de eindeloze discussies over wie nu bevoegd was voor wat in het versnipperde zorglandschap.

Een ander pijnpunt is transparantie. Dat openheid essentieel is voor vertrouwen, dat besef lijkt maar heel traag door te sijpelen. Er is helaas geen “open data cultuur”, iets wat nochtans ook volgens het comité voor Bio-ethiek van essentieel belang is om vertrouwen te creëren en te behouden. We hebben inderdaad te maken met een nieuw pathogeen, dat we nog niet helemaal kennen en dat gaat gepaard met trial and error, maar dat moet je ook gewoon durven zeggen.  Het helpt niet om te doen alsof je alles weet als dat niet zo is. En het is niet aan een overheid om te filteren welke informatie relevant is en welke niet.

Zo moesten we in het begin van de crisis talloze parlementaire vragen stellen om bijvoorbeeld de samenstelling van de RAG, de RMG of het Wetenschappelijk Comité te leren kennen. Maar De Block gebaarde van krommenaas. In theorie is de transparantie wat dat betreft ondertussen verbeterd, maar toch blijft men in hetzelfde bedje ziek. De verslagen van de adviesraden zijn nog steeds over verschillende websites verspreid, waardoor je de informatie enkel moeizaam bij elkaar kan schrapen. En dat is dus geen toonbeeld van een actieve, heldere en open communicatie.

Daarnaast krijgen ziekenhuizen nog steeds geen feedback over hun aanpak van COVID-19. Het heeft er alle schijn van dat in sommige ziekenhuizen de sterfte een pak lager was dan in andere. Het helpt niet om dat te willen verstoppen. Ten eerste komt dat ooit uit (de Commissie voor Toegang tot Bestuursdocumenten heeft overigens de openbaarheid van deze cijfers bekrachtigd) en ten tweede is het gewoon ernstige nalatigheid wanneer zou blijken dat ziekenhuizen iets hadden kunnen leren van elkaar en dat ze dat door een gebrek aan transparantie dus niet hebben kunnen doen.

En dan een andere vraag. Waar worden besmettingen nu exact opgelopen? Weten we dat eigenlijk wel goed? In de helft van de gevallen blijkbaar niet. In de scholen worden inderdaad besmettingen vastgesteld, maar daar worden ze dan ook systematisch onderzocht. Hoe zit het met winkels, kappers, schoonheidsspecialisten? Zijn zij de broeihaarden? En allemaal? Of enkele? En waarom kunnen we dan niet enkel de probleemgevallen aanpakken?

Waarom heeft men geen proefprojecten opgezet om na te gaan waar exact die risico’s zitten bij de horeca, bij kappers en andere contactberoepen? Is de infrastructuur van belang? De ventilatie? Het type mondmasker? Is er een gebrek aan kennis rond hygiënemaatregelen? Hebben we daar cijfers van? Is er überhaupt geprobeerd om daar onderzoek naar te doen?

Ik vind dat bovendien een gebrek aan respect voor de sectoren in kwestie. Want als je beweert dat ze gevaarlijk zijn en dat ze moeten sluiten, dan moet je dat ook kunnen aantonen.

Men vraagt de burger blind vertrouwen, terwijl de regels voortdurend worden aangepast.  Er worden geen mijlpalen of omslagpunten voorgesteld waarop maatregelen kunnen versoepelen of verstrengen, wat maakt dat er voor burgers niets anders opzit dan bang afwachten wat de ministers zullen orakelen. Experten in mentaal welzijn geven al lang aan dat zo’n barometer met ijkpunten van groot belang is. Het geeft mensen greep op de situatie en inzicht.

Het is eigenlijk net zoals ik in mijn opleiding tot tandarts heb geleerd. Mensen zijn bang als ze het gevoel hebben geen controle te hebben. Daarom moet je goed uitleggen wat je gaat doen en de patiënt controle in handen geven door af te spreken dat je de behandeling stopt als ze teken doen.

Nu lijkt het wel alsof we met zijn allen met open mond in de tandartsstoel liggen, terwijl we niet weten wat de tandarts gaat doen. Gaat ‘ie een tand trekken? Zal ‘ie er dan wel aan denken te verdoven? Gaat ‘ie wel de juiste tand trekken? En gaat de pijn straks wel voorbij zijn, want de tandarts heeft eigenlijk niet eens onderzocht welke tand de boosdoener is?

Ik wil maar zeggen. Dat is dus geen comfortabele situatie en het zorgt voor onzekerheid en stress.

Verder vind ik het nog altijd heel moeilijk te begrijpen dat men wel dagelijks cijfertjes presenteert, compleet met mooie ingekleurde grafieken erbij, maar dat er niet bij wordt verteld welke gerichte actie daaraan wordt gekoppeld. Zo laten bijvoorbeeld Namen en Henegouwen al lange tijd een hogere positiviteitsratio optekenen, maar zie ik niet welke inspanningen men doet om daar dan ook meer te gaan testen.

Er wordt bovendien veel te weinig ingezet op wetenschapscommunicatie. Professoren worden opgetrommeld als alwetende fontes sapientiae, terwijl men nalaat om systematisch de laatste stand van de wetenschap helder uit te leggen aan het brede publiek.

Ik durf nochtans te denken dat dat wel eens belangrijk kan zijn. Wanneer mensen voor zichzelf kunnen (en mogen) denken, dan schat ik dat ze door de band best wel verstandige beslissingen zullen nemen. De meerderheid zal het gevaar echt niet opzoeken, maar het moet wel eerst duidelijk worden gemaakt wat zo’n virus is, wat het veroorzaakt en hoe je je ertegen kan beschermen. Met gezond boerenverstand kom je dan al een eind.

Maar ook die vernietigde maskervoorraad was voor beleidsmakers bij het begin van de crisis blijkbaar eerder een fait divers.  Einde januari 2020, ruim voor de epidemie in ons land uitbrak, wees ik toenmalig minister De Block op de stormloop op maskers in de VS, maar dat stak niet meteen het vuur aan de lont.

Hoe groot is dan het contrast met de gemiddelde ondernemer. Degene die van de overheid nu zijn deuren moet sluiten. Je mag er donder op zeggen dat elke zichzelf respecterende ondernemer meteen in actie zou zijn geschoten als hij ook maar de minste signalen zou hebben opgevangen van een dreigend stocktekort in zijn sector.

À propos. Blijkbaar vernam ‘inspringminister’ De Backer pas de dag nadat hij de opdracht had gekregen om maskers te bestellen (einde maart 2020) dat de strategische voorraad was vernietigd. En dat dan nog via de pers. Het was dus blijkbaar niet eens een kanttekening waard in de ministerraad.  

En dan kan je denken ‘dat was toen’ en ‘nu is die voorraad in orde’ maar die paniek en onduidelijkheid in het voorjaar van 2020 hebben diepe wonden geslagen en hebben het vertrouwen van de bevolking een flinke knauw gegeven.

Over de vaccins, daar gaan we dan maar niet over beginnen.

Maar ik vind het wel gewoon een schande hoe paraplu’s zo makkelijk worden opengetrokken en verantwoordelijkheden worden afgeschoven op andere beleidsniveaus. Hoe snel men gaat zoeken naar ingrepen die stoer en doortastend lijken, maar waarvan niemand weet welk effect ze zullen hebben.

Ondertussen zetelt een van de verantwoordelijke ministers van toen nu in het parlement als fractieleider. Een beetje ontstellend toch, voor een instelling die een controlerende taak heeft.

En tenslotte. De rekening van dit alles, die wordt doorgeschoven naar onze jeugd. Zij zullen naast het haperende onderwijs en de mentale weerslag, straks ook een belabberde staatskas aantreffen.  En ja, wat moet, dat moet. Maar de overheid moet toch ook eens deftig in eigen boezem kijken.

Dat is dus de vraag die ik me al enige tijd op zijn Pauls stel. Niet zozeer de boodschap van die antivaxxers, maar de reden. Waarom putten sommige mensen zich uit in pseudowetenschappelijke theorieën? Welk voordeel halen ze eruit?

Geloven ze echt dat er een complot is? Want als dat zo is, dan heb ik wel met hen te doen. Dan moet het een bijzondere akelige wereld zijn. Probeer je dat eens even in te beelden. Als je ervan overtuigd bent dat het virus is losgelaten met een hoger doel, met name de mensheid te onderdrukken, dan worden die contacttracing, quarantaine, spuiten met wie-weet-wel-zendertjes inderdaad bijzonder verdacht.

De vraag is natuurlijk wie exact dat complot dan wel aan het beramen zou zijn. Want dan zouden er ontzettend veel mensen betrokken moeten zijn, die verdomd goed kunnen zwijgen. Lijkt me sterk.

Maar wat betreft die antivaxxers. Het is duidelijk dat er bepaalde promotoren zijn, die de sociale media ten volle benutten om hun ideeën te verspreiden. Maar waarom doen ze dat? Zijn er lucratieve bedoelingen (hebben ze bijvoorbeeld een school of een praktijk die een alternatieve levensstijl promoot?) of willen ze het mensdom waarschuwen uit louter altruïsme? Omdat ze denken dat zij de enigen zijn die het in de gaten hebben?

En als het hen er puur om te doen is om andere mensen te waarschuwen, dan vraag ik me af welke basis ze hanteren om te besluiten dat zij de waarheid in pacht hebben. Vaak baseren ze zich op gedeeltelijke informatie of informatie die uit de context is gerukt. En enkel die informatie die aansluit bij hun idee wordt weerhouden, terwijl de informatie die een andere richting aangeeft als onwaar wordt beschouwd.

En sociale media zijn een prachtig middel om je boodschap te verkondigen, alleen werken de algoritmes nu eenmaal op die manier dat de boodschap die je het liefst hoort, wordt versterkt, terwijl andere geluiden worden gedempt.

En net dat staat in schril contrast met de wetenschap, die onze samenleving heeft verlicht en dat hopelijk toch ook nog in de toekomst zal blijven doen. Wetenschappelijk onderzoek is gebaseerd op een hypothese, die vervolgens getoetst wordt. En wetenschappelijk onderzoek vraagt tijd, want herhaalde experimenten, door verschillende onderzoeksgroepen, op verschillende populaties. Bovendien moet je kunnen accepteren dat een hypothese ook verworpen kan worden, wanneer herhaalde onderzoeken aantonen dat de uitkomst niet degene is die je had verwacht.

En daar lijkt pseudowetenschap geen geduld voor te hebben. Alleen de conclusies die in hun kraam passen worden weerhouden. Ja zo werkt het natuurlijk niet hè.

Natuurlijk moeten we kritisch zijn. Denken we maar aan de maatregelen. Die moeten proportioneel zijn. Het is daarbij belangrijk dat we weten op welke gronden beslissingen worden genomen. Liefst op basis van wetenschap, maar haalbaarheid is daarbij natuurlijk ook een belangrijke factor. Het moet praktisch haalbaar zijn, economisch haalbaar, mentaal haalbaar.  En het onderscheid tussen wetenschap en haalbaarheid, tussen wetenschap en besluitvorming, wordt daarbij best heel duidelijk gemaakt.

Als parlementslid heb ik me bijzonder gestoord aan het kluwen dat men van dit alles maakt. Het onderscheid tussen wetenschap en besluitvorming is te flou. Het dragen van mondmaskers, de criteria om je te laten testen. Het was niet duidelijk in hoeverre de adviezen ingegeven waren door wetenschappelijke evidentie of door het gebrek aan materialen. Om maar een voorbeeld te geven. Als je dat onderscheid niet heel helder maakt wanneer die adviezen worden uitgevaardigd, dan moet je ook niet raar staan kijken als burgers het gevoel hebben bedot te zijn als de adviezen achteraf weer veranderen.

In Nederland heeft men daar trouwens, zo vertelde een vertegenwoordiger van de Hoge Gezondheidsraad ons in de coronacommissie, een goed systeem voor bedacht. Daar moet de regering toelichting geven aan het parlement wanneer de besluiten niet in overeenstemming zijn met de wetenschappelijk adviezen. Lijkt me een goed plan. Dat is duidelijk, het geeft aan dat de parlementaire controle belangrijk is en het geeft ook minder gedoe achteraf.

In ons federale parlement wordt die parlementaire controle nogal stiefmoederlijk behandeld. De actualiteitsdebatten over covid zijn overladen met ingediende vragen (vaak meer dan 100), die je op de toebedeelde tijd niet eens gesteld krijgt. Door het systeem van een vragenronde van meer dan een uur waar elk parlementslid achtereenvolgens in een paar minuten tijd zijn of haar vragen moet zien te stellen, is er geen echte gedachtenwisseling mogelijk en kan een thema onmogelijk worden uitgedebatteerd. Ons voorstel om alvast technische sessies in te richten om de niet-politieke vragen te behandelen, heeft de conferentie van voorzitters alvast niet overleefd, maar ik geef het nog een waterkansje. Hopelijk kunnen we het wel op een andere manier implementeren.

En dan heb ik het niet eens over de ministeriële besluiten, waar het parlement al helemaal geen inbreng in heeft.

Meer transparante gegevens en actieve, toegankelijke communicatie over de cijfers zouden overigens ook al veel vragen doen opdrogen. Sciensano heeft in de loop van deze crisis zeker al bijgebeend wat transparantie betreft, maar er is nog veel ruimte voor verbetering.

En ook dat, een transparante overheid, met een actieve en open communicatie, zou volgens mij de voedingsbodem van de antivaxxers, of alleszins van hun aanhangers, verarmen. Vertrouwen krijg je nu eenmaal niet, dat moet je verdienen door open kaart te spelen. De cijfers zijn van ons allemaal. En ook al zouden er ongemakkelijke waarheden voortspruiten uit die transparantie: laat dat dan een basis voor verbetering zijn. Hoe kunnen we zaken verbeteren als niemand weet hoe we er voor staan?

De vraag rees na De Zevende Dag van dit weekend of je antivaxxers nu wel of niet moet uitnodigen voor een debat. Je kan dat op twee manieren bekijken. Ze uitnodigen geeft hen geloofwaardigheid, maar van de andere kant hadden ze die geloofwaardigheid al bij hun aanhangers. Ze niet uitnodigen maakt het idee dat er een complot wordt gesponnen alleen maar groter. Van de andere kant vind ik het geen goed plan om een debat met antivaxxers in – wat was het? – 10 of 15 minuten tijd te proppen. Het is heel belangrijk dat er op een laagdrempelige, aanschouwelijke, vulgariserende manier wordt uitgelegd waarom hun theorieën niet kloppen. Want wetenschap in een heel specifiek domein is heel technisch en lang niet zo makkelijk uit te leggen als die antivaxxers beweren.

We hebben nood aan vulgarisators. Of vulgarisanten, hoe noem je dat. Lijkt me iets voor de openbare omroep. En verder zou ik toch oppassen met denken slimmer te zijn dan de topexperten die met het onderzoek van dit virus en met de vaccins bezig zijn. Natuurlijk kunnen er fouten worden gemaakt, kritisch zijn mag en moet, aanhoudend onderzoek is en blijft nodig. Maar over het algemeen wordt er op dit moment baanbrekend werk verricht. Er wordt bovendien voortgebouwd op jarenlang zwoegen en zoeken, op kennis en kunde, die ons al van veel miserie heeft verlost. Ik noem nu maar een paar zaken zoals mazelen of kinderverlamming. En we zullen die expertise blijven nodig hebben. En wie denkt dat hij het beter weet, die mag natuurlijk zijn eigen onderzoek op tafel leggen. Onderzoek dat uitgevoerd werd volgens de regels van de kunst, welteverstaan. Het is de enige basis die we kunnen vertrouwen en waarop we verder kunnen bouwen. En anders lijkt het me niet onverstandig om toch wat nederig te zijn.

Doe jij dat ook soms, de dingen van op een afstand proberen te bekijken? Ik heb die neiging af en toe. Je het perspectief aanmeten van een buitenaards wezen dat voor het eerst onze planeet bezoekt. En tegenwoordig valt er wel wat te zien op onze aardbol.

Vandaag had ik zo’n dag. Kreeg vanochtend een “rood scherm” op mijn Coronalert App. Ik ben namelijk één van de weinigen die dat ding nog altijd geïnstalleerd heeft. En blijkbaar is er een vrij ongelofelijke samenloop van omstandigheden gebeurd, waarbij

1. Ik mijn gsm bij had én
2. Een andere persoon zijn of haar gsm in mijn buurt gelegd heeft én
3. Ik de App had geïnstalleerd én
4. De andere persoon de App had geïnstalleerd én
5. Die persoon positief bleek te zijn én
6. Die persoon dat ook nog in zijn App heeft ingegeven én
7. Ik het rode scherm ontdekt had op mijn telefoon.

Enfin, dat laatste is bezijden de waarheid. Eigenlijk was het een collega uit de praktijk die liet weten dat ze een rood scherm had gekregen, waarna ik ook maar eens ben gaan checken. Je zou denken dat je telefoon dan begint te loeien of te flikkeren, of dat je op zijn minst een pushbericht krijgt. Niks van dat alles. Zal misschien aan het type telefoon liggen? Geheel bij toeval dus ontdekte ik dat ik een zogenaamd hoogrisicocontact had gehad, heel waarschijnlijk in mijn tandartsenpraktijk.

Nu, als tandarts ben je natuurlijk wel goed ingepakt, maar van de andere kant hang je daar wel gedurende 20 minuten of langer boven een open mond en komt er ook wel wat speeksel en bloed bij kijken. Ik ben parodontoloog en het kan niet zonder spatten. De aërosolen, weet je wel. Kans is klein dat ik besmet zou zijn geraakt, maar toch maar even naar de wachtpost gebeld om te horen wat ik moest doen. Moest ik me laten testen? Mocht ik nog verder werken?

Er werd me geadviseerd om niet meer verder te werken en een afspraak te maken voor een test. Of ik de code van de Coronalert App kon doorgeven. 16-cijferige code. Nee. Die zag ik niet. Ik had wel een 17-cijferige code, die kon ik genereren met de App. De arts die ik aan de lijn had zuchtte: “dat is dus waarom wij die App nooit gebruiken. Dat werkt gewoon niet!”. Ik kreeg een code per sms. Die moest ik dus ingeven op http://www.mijngezondheid.be. En die 17-cijferige code dus ook, zo bleek. En dan kreeg ik er nog een referentiecode bovenop. 6-cijferig.

Ik geloof best dat elke code wel ergens voor dient en dat er een plausibele verklaring is voor al die verschillende getallenreeksen. Maar had het niet eenvoudiger gekund? Zulke zaken moeten toch zo laagdrempelig mogelijk zijn. Ik kan best geloven dat veel mensen de App hebben verwijderd of gewoon negeren.

Maar ok. Ik ging de dingen dus van op een afstand bekijken. Op anderhalve meter afstand meer bepaald. En dat lukte prima in het testcentrum. Een rij van een man of twintig voor me en de rij achter me groeide ook snel aan. Iedereen een masker op, uiteraard. En dan één voor één met gepaste afstand naar binnen schuifelen. Raar hoor. Een jaar geleden keek ik vol ongeloof naar dergelijke taferelen in China.

Veel bekenden zag ik niet, maar erg uitnodigend was het ook niet om een gesprek aan te knopen. Is denk ik ook niet de bedoeling, als je een hoop Covid-verdachten bij elkaar drijft. Het sneeuwde dan ook nog, ik had geen sokken aan. Iedereen kon zien dat ik het virus niet bij de kapper had opgelopen. Had ik maar een muts op. Het was een koude en mistroostige bedoening. Ik dacht aan nog ergere tijden, niet dat ik die zelf had meegemaakt. Aanschuiven voor soepbonnen ofzo.

Alle leeftijden waren vertegenwoordigd. Al waren er weinig 65-plussers. De man voor me was wel 65-plus. Hij snoot zijn neus en hoestte eens flink. Gewoon een verkoudheid, stelde ik me voor. Ik hoopte dat we dat ooit niet meer verdacht zouden gaan vinden.

Aan de balie moest iedereen zijn naam roepen. Vervolgens werd gevraagd of je de 16-cijferige code wel per sms had ontvangen. Mijn voorganger was even in de war. Sms? Hij schoof een papier onder het plexiglas. Maar dat bleek niet het juiste te zijn. Had hij geen sms? De man stamelde dat hij zo geen telefoon had waar sms’en op kwamen. Uiteindelijk bleek dat geen probleem te zijn. Vervolgens moest je een formulier invullen om toestemming te geven dat je gegevens naar de overheid zouden worden gestuurd. Iedereen riep braaf zijn naam en iedereen had alle vertrouwen in de hogere instanties. Dan moest je je pas ingeven en de naam van je huisarts roepen, in mijn geval bevestigen dat ik zorgverstrekker was en dan beloven dat je niet naar het buitenland zou gaan. Op de grond waren overal lijnen afgeplakt en hier en daar ook vierkanten. Ik kreeg een vierkant aangewezen om in te gaan postvatten. Gek toch, dat iedereen dat dan ook doet. Mensen hebben toch de neiging om goed voor elkaar te zorgen, dacht ik nog.

Lang duurde het niet. Ik mocht uit het vierkant en in de stoel. De verpleegster was vriendelijk en haar collega riep vanuit de aanpalende box: “Frieda!”. Ik moest even turen en ze moest haar naam noemen, het kon om het even wie zijn in haar ruimtepak en andere omhullingen. Ik werd er een beetje droevig van om haar daar zo te zien, in die omstandigheden. Had ze zelf ook nooit gedacht, wed ik, dat ze in de weekends aan de lopende band neusstalen zou afnemen.

Maar ze waren heel vrolijk, de verpleegsters. Ik vond het druk, zij vonden het goed te doen. Was altijd zo, zeiden ze.

Mijn weemoed was van korte duur. Al gauw werden de stokjes gedemonstreerd. Eén dun en één dik. En die gingen respectievelijk mijn neus en mijn keel in. Wow. Ofwel ben ik kleinzerig, ofwel is dat ambetant. Tranen, kokhalzen, alles erop en eraan. Maar ik was blij dat het goed was gedaan. Liever grondig schrapen dan een slecht staal nemen, dacht ik flink. Zachte heelmeesters, weet je wel…

En nu zit ik dus thuis aan de ene kant van de tafel. In een uithoek van de living. Met een mondmasker aan. Kan niet veel anders doen dan een beetje schrijven.

Wat een gekke wereld is het toch geworden. Hoe kwetsbaar zijn we. Hadden we dat ooit gedacht? Afhankelijk van de Chinese industrie voor mondmaskers en spuitjes, afhankelijk van de Europese industrie voor vaccins. En toch. Ik sta versteld van de veerkracht van onze zorgsector. Keihard hebben ze gewerkt. Het is wat ze doen. Proberen te helpen en zorgen waar ze kunnen. Ik sta ook versteld van de kracht van de wetenschap. Hoe snel die vaccins er zijn gekomen. Hoeveel studies er worden gedaan en hoeveel data worden uitgewisseld. Maar ik heb medelijden met onze jongeren. De oudste heeft zijn examens net achter de rug. Wekenlang keihard geblokt. Zou volgende week gaan skiën, zijn negentiende verjaardag vieren in de bergen. Vorige zomer geen festivals gehad, geen idee of dat volgende zomer zal kunnen.  Ze hebben natuurlijk nog een leven voor zich, die jeugd, maar het zijn toch ook mooie tijden die ze moeten missen. Niet dat mijn kinderen klagen. En voor zover ik weet schoppen ze ook geen rel. Verbazend vind ik dat.

En onze ouderen vragen zich stilaan af hoeveel normale jaren hen nog gegund zijn. Of die zondagse etentjes met hun kinderen en kleinkinderen nog gaan terugkomen. Of ze nog eens een weekendje weg zullen kunnen met de hele troep.

Artsen vragen zich af wat ze de komende jaren nog gaan tegenkomen door uitgestelde diagnoses, patiënten wier behandeling moest worden uitgesteld, mensen die niet meer naar de dokter durven gaan.

Wisten we maar wanneer het beter zou worden. Dan konden we daarnaar uitkijken. De lente zal dit jaar sowieso met open armen ontvangen worden. Ik word al blij als ik tegenwoordig de vogeltjes hoor fluiten. Hier en daar duiken krokussen op. Dat geeft tenminste perspectief, bij gebrek aan coronabarometer.

Ondertussen hoop ik van harte dat mijn test negatief zal zijn. Want ik besef nu hoe moeilijk het moet zijn om mensen op te bellen als je positief bent. Gelukkig zie ik niet veel mensen, hou ik afstand, maar toch. Ik behandel wel mensen in mijn praktijk. Met alle voorzorgsmaatregelen. Maar zo’n virus is klein. En geniepig.

Dus ik zou zeggen: laat maar komen, die vaccins.

De Covidmaatregelen beginnen te irriteren. Dat merk ik aan de mensen rondom mij. Ze stellen zich vragen bij de proportionaliteit ervan. Ze verwijzen naar de ziekenhuisopnames, die nu toch een pak lager liggen dan in het begin van de crisis. Waarom moeten al die pestregels dan zo nodig? Overdrijven we niet? En werken we onze hele economie niet compleet naar de zak?

Ze hebben wel een punt. Verschillende virologen en epidemiologen, die niet noodzakelijk de spreekbuis zijn van het nationale beleid, brengen dreigende boodschappen over een tweede lockdown. De kranten zoemen ook over een week-week regeling voor het secundair onderwijs.

Met één kind dat maar een half eerste jaar secundair achter de rug heeft en een ander kind dat aan zijn laatste jaar secundair zal beginnen, is dat geen bemoedigend vooruitzicht. Ik ben geen held in het scheppen van een rustig thuiskader. Ik ben niet de moeder die sapjes en nootjes en fruit aandraagt, die zorgt voor regelmaat en de huiswerkagenda voor de hele week in haar hoofd geprent heeft. School is voor ons gezin redelijk essentieel om structuur te brengen. Maar los daarvan, ook het samen leren, samen beleven, samen “humanior” worden, is essentieel in deze fase van hun leven. Plezier maken met klas- en schoolgenoten, ruzie maken, het bijleggen, het opnemen voor een klasgenoot, je engageren in sociale projecten. Allemaal zo belangrijk en dat alles komt onder druk.

En dan heb ik het nog niet over kinderen die in een moeilijke thuissituatie zitten, waar er wel grotere problemen zijn dan een warrige en drukke moeder en een warrige en drukke vader. Voor hen is het essentieel dat hun leven binnenkort toch weer enkele uren per dag rustiger en normaler wordt.

Maar algemeen, mensen beginnen het hartsgrondig beu te worden. De mondmaskers worden nog flink gedragen, maar er is een onderhuidse ergernis. Twijfel ook, over de maatregelen.

Regelmatig krijg ik vragen of het allemaal wel zo streng moet.

Wat voor mij heel erg belangrijk is in deze fase, net voor het einde van de zomervakantie en het begin van de school en andere werkzaamheden, is dat we al onze middelen en kennis optimaal inzetten om de crisis te beheersen. Maatregelen moeten nu zo precies mogelijk worden ingezet, op een zo laag mogelijk niveau, zodat ze zo weinig mogelijk bijkomende schade veroorzaken. We moeten ab-so-luut vermijden dat we opnieuw in een algemene lockdown terechtkomen en daarom moeten we nieuwe infecties bij de wortel aanpakken.

Dus, is het nodig om op dit moment zoveel testen te doen? Ja, dat denk ik wel. We moeten misschien zelfs meer testen. Net om de impact op onze samenleving en onze economie zoveel mogelijk te beperken. In het begin van de crisis hadden we te weinig testen. Het nationale referentielab zat na iets meer dan een week al door haar voorraad heen. Daarom konden we toen geen contacten opsporen. Een schande, was het. En daarom werden testen op een gegeven moment voorbehouden voor patiënten die zo ziek waren, dat ze in het ziekenhuis moesten worden opgenomen. Dat is dus ook de reden dat de testen toen vaker positief waren dan nu. Tegelijk werden heel veel infecties toen gemist omdat er gewoonweg onvoldoende testmateriaal voorhanden was. 

Maar nu hoeven we dus niet meer te bezuinigen op testen en dat wil dus ook zeggen dat onze contacttracing op punt moet staan. Laboratoria moeten hun informatie zo snel mogelijk bezorgen en risicocontacten moeten ASAP worden getest en afgezonderd. De databank moet nu optimaal werken, contactopspoorders moeten optimaal kunnen renderen en mensen op een deskundige manier ondervragen en overtuigen, zodat de omvang van de verspreiding zo snel mogelijk in kaart kan worden gebracht. Op die manier hoeft de rest van de samenleving niet op slot.

En het is waar, we staan uiteindelijk ook wel op een andere manier naar deze nieuwe golf (of is het nog de staart van de eerste golf?) te kijken. Er is heel wat ervaring opgebouwd in het herkennen en behandelen van de ziekte. Er is (uiteindelijk!) een voorraad beschermingsmateriaal en die testen, die zijn er nu dus wel. We kunnen tot 80.000 testen per dag gaan (maar we zitten de laatste tijd gemiddeld aan minder dan 20.000 per dag). Waar onze artsen en zorgverstrekkers in het begin van de crisis halsoverkop en onbeschermd in het diepe moesten springen, zijn we nu toch al een pak beter voorbereid.

De infecties op zich lijken momenteel niet zo problematisch, aangezien het vooral de jongere en gezonde populatie treft. Maar zij kunnen natuurlijk wel ouderen besmetten én mensen met een lagere weerstand. Ook daarom is het belangrijk dat er veel getest wordt en dat contacten snel worden opgespoord. Niet zozeer om die jongeren te beschermen, wel om onze zwakkeren te beschermen.

En er zijn nog andere manieren om infectiehaarden op te sporen, zoals het opsporen van restanten van het virus in het afvalwater. Al die zaken moeten nu deel uitmaken van ons arsenaal. Alleen gaat het allemaal zo traag…  

De kern van het probleem is opnieuw dat onze regeringsleiders momenteel weinig of niet communiceren over de huidige aanpak. Er wordt niet, of toch veel te weinig, verteld waarom bepaalde maatregelen nodig zijn. Er wordt ook niet gezegd wat het uiteindelijke streefdoel is. Is dat het vrijwaren van de ziekenhuiscapaciteit, zoals in de eerste golf? Of is dat terugdringen van infecties tot een bepaald punt? Is dat laatste überhaupt mogelijk als elk land binnen de EU er een andere aanpak op nahoudt? Of streeft men naar een bepaalde waarde van het reproductiecijfer? Wil men vooral de zwakkeren beschermen of wil men ook bij jongeren infecties vermijden?

Omdat niemand weet wat nu precies de bedoeling is, lijken de coronaregels al snel buiten proportie (en misschien zijn sommigee dat ook) en lijkt het heel raar dat er zoveel getest wordt, terwijl er zo weinig ziekenhuisopnames zijn.

En dat is dus een excellente voedingsbodem voor complottheorieën en pseudowetenschap. Het verhaal van de verspreiding van Covid via 5G, dat had u waarschijnlijk al gehoord. Of “dat het virus niet leeft, en dus niet kan worden overgedragen” is ook zo’n bizar verhaal. Dat het gevaarlijk is om je te laten vaccineren, of dat een bepaald medicijn wordt achtergehouden. Dat er een groot complot van de farmaindustrie achter zit. Allerlei grafieken, studies en lange opiniestukken worden erbij gesleept om het een of het ander te bewijzen.  Vooral, eigenlijk, om de coronamaatregelen af te doen als kletskoek. Het zou grappig zijn als het niet zo triest en soms zelfs gevaarlijk was. 

En dat veel mensen hierin meegaan, dat is niet de fout van de burger, die zich immers zorgen maakt over zijn en onze toekomst en die zich begint af te vragen of de regeringsleiders en de experts het wel bij het juiste eind hebben. Het is de fout van de overheid, die opnieuw uitblinkt in barslechte communicatie. In een uitzonderlijke situatie als deze, die bijzonder ingrijpende maatregelen met zich meebrengt, is het van primordiaal belang dat er uitgelegd wordt waar-om bepaalde zaken nodig zijn. Niet de experts moeten dit uitleggen. De experts geven de wetenschappelijke basis aan. De regeringsleiders moeten dit vertalen naar beleid. Helder, zelfzeker, vastberaden, betrokken en empathisch. Men vraagt ontzettend veel van de burger, het minste dat men kan doen, is de burger ernstig nemen en hem partner maken in de crisisaanpak. 

(Nu, om de antivaxxers voor te zijn. Dat Russische vaccin, daar zou ik misschien toch nog even mee wachten. Niet omdat het Russisch is, maar omdat het ontwikkelen van een vaccin nu eenmaal tijd vraagt. Haast en Sput(nik)*, lijken me, ook in deze, zelden goed).

(Om pseudowetenschap te ontmaskeren, kan je websites als https://www.gezondheidenwetenschap.be/ of https://www.factcheck.org/a-guide-to-our-coronavirus-coverage/ raadplegen).

*Het Russische Covid-19 vaccin heet “Sputnik V”

Het feit dat we met zijn allen nog nooit zo’n gezondheidscrisis hebben meegemaakt, verklaart natuurlijk veel.

We zijn collectief in de war en willen graag weten waar we aan toe zijn. Het feit dat dit virus, net als zijn broers en zussen, onzichtbaar en ongrijpbaar is, maakt het er niet gemakkelijker op. Het liefst willen we een vijand die we in de ogen kunnen kijken en die we kunnen vatten.

Men zegt dat het virus opnieuw de kop opsteekt, maar waar, dat zien we niet. We moeten het maar geloven. Het zou kunnen dat de persoon aan het tafeltje naast ons net besmet is geraakt, maar hé, het is vakantie en dus gaan we daar niet van uit. De teugels mogen wat losser, we hebben een jaar lang hard gewerkt, we hebben heel wat stress gehad, we hebben misschien onze geplande reis moeten annuleren, dus het zal allemaal zo erg wel niet zijn. We kennen tenslotte niemand die besmet is geraakt. En die tweede golf: wie gelooft dat nu?
Ook de ministers twijfelen toch! De ene keer is het zus, de andere keer is het zo. Als zelfs zij het niet weten en ons niet duidelijk zeggen wat we moeten doen, hoe zouden we het dan zelf moeten weten? Wie moeten we nog geloven?
Hebben die maskers nu zin of niet? Eerst hadden ze zogezegd geen nut, en dan moeten we er met zijn allen eentje op doen bij de bakker. Laten we maar vertrouwen op ons immuunsysteem. Een beetje virus, dat kunnen we wel aan. En als er een vaccin op de markt komt, je denkt toch niet dat we ons dan laten inenten! Gevaarlijke boel is het. En virussen bestaan niet eens. Ze zijn een verzinsel. Het zijn je cellen die aangetast worden door 5G en wie weet hebben die chemtrails er ook iets mee te maken.
De medicatie in de ziekenhuizen doen meer kwaad dan goed. Je mag ze niet vertrouwen. Subiet zitten er zendertjes in die vaccins en dan volgen ze je je hele leven lang. Big brother is watching, denk daaraan.

De laatste tijd begin ik me steeds meer ongerust te maken over de manier waarop we met deze epidemie omgaan. Er doen allerlei alternatieve waarheden de ronde, waarvan de ene al gekker, maar helaas ook gevaarlijker dan de andere. In het begin van de epidemie viel het nog mee, maar nu worden sociale media ingepalmd door broodjeaap verhalen, die helaas door velen worden opgepikt.

Maar waarom die tegenstrijdigheden dan? Waarom werkte eerst een bepaald geneesmiddel wel en nu weer niet? Mja, geneeskunde en gezondheidszorg zijn nu eenmaal geen exacte wetenschap. Stel je voor dat het dat wel was, dan zou dat willen zeggen dat jij en ik precies op dezelfde manier in elkaar zaten. Dan konden we net zo goed robots zijn, of klonen. Het is nu eenmaal zoeken naar de juiste medicatie en de juiste aanpak. Gelukkig zijn we daar ondertussen wel in geëvolueerd. We herkennen de ziekte beter (heb je geur- of smaakverlies: rap de dokter bellen voor een test!) en weten beter hoe we de zorg moeten organiseren. We hebben (helaas) met schade en schande geleerd. Artsen en ziekenhuizen, verpleegkundigen en zorgkundigen zijn in het diepe gesprongen en hebben alles op alles gezet om zoveel mogelijk mensen erdoor te halen.

De politieke aanpak van de epidemie zat met haken en ogen aan elkaar. Dat er daar zaken beter hadden gemoeten, dat is wel duidelijk. Misschien was het allerergste wel het gebrek aan plan, het gebrek aan mondmaskervoorraad ook. Of nee, het allerergste was het getalm om maskers te bestellen. Men wist dat men niet klaar was voor een epidemie, dus had men al in januari moeten bestellen, toen de epidemie nog slechts een verre dreiging was. Dat heeft veel kostbare tijd gekost, want latere bestellingen werden steeds moeilijker door de grote vraag wereldwijd.

Maar het feit dat onze overheid op verschillende fronten heeft gefaald, wil niet zeggen dat we ons tegen de aanpak van de epidemie moeten keren. We moeten blijven vertrouwen op de wetenschap. We kunnen niet anders. Wetenschappers zijn ons kompas, de politici bepalen de route. En dat wetenschappers het niet altijd met elkaar eens zijn, dat is normaal. Er worden theorieën ontwikkeld en die worden getoetst. Zoals eerder gezegd, het is geen exacte wetenschap. Het is een continue poging om de identiteit en de eigenschappen van het virus in kaart te brengen en om zijn zwakke plekken te achterhalen. Door verschillende ideeën te opperen en met elkaar te laten botsen, ontstaat geleidelijk aan een helderder beeld. En dat kost tijd, helaas.

Het feit dat er nu meer mensen positief testen, wordt door velen gerelativeerd omdat er zogezegd ook vaker getest wordt. Er zouden dus minder positieven zijn per aantal testen. Nu wordt het aantal testen weergegeven op de website van Sciensano, dus op zich is dat transparant.
Maar als we de cijfers van toen en van nu willen vergelijken, dan moeten we ook rekening houden met de testcriteria, die in het begin anders waren dan vandaag.
Terwijl vroeger enkel mensen getest werden die moesten worden gehospitaliseerd en die dus ernstig ziek waren, worden nu veel meer mensen getest, ook mensen zonder symptomen. Uiteraard zorgt dat ervoor dat er in het begin een groter aandeel van de testen positief was. Maar dat neemt niet weg dat we die positieve testen van vandaag niet ernstig moeten nemen.

Want ook het aantal hospitalisaties (of het aantal zwaar zieke patiënten) neemt toe. En dat is heel verontrustend. Het probleem is dat deze zwaar zieke mensen 14 dagen eerder werden geïnfecteerd. Het is zaak om die infecties, die mogelijk een bron voor verdere verspreiding kunnen zijn, op tijd te detecteren. Ja, liefst nog voor er symptomen zijn. Al helemaal in het begin van de epidemie was het immers duidelijk dat ook mensen zonder symptomen het covidvirus konden verspreiden.

Vandaar het belang van die snelle en efficiënte contact tracing. Dat moet nu op punt staan. Nu, niet einde augustus, zoals wordt beloofd.

Ja maar kom, waarom laten we die mensen niet gewoon uitzieken? Waarom laten we het virus niet gewoon zijn gang gaan, in de hoop dat zoveel mogelijk mensen immuniteit verwerven?
In principe is dat een goed idee, maar we moeten er, net als in de eerste golf, over waken dat onze ziekenhuiscapaciteit het blijft aankunnen. We moeten ervoor zorgen dat we geen keuzes hoeven te maken over wie er aan de beademing mag en wie niet. Bovendien wachten veel mensen al te lang op behandeling voor andere problemen. Bovendien hebben te veel mensen te lang gewacht om naar de huisarts te gaan, waardoor er ernstige gezondheidsproblemen zijn ontstaan. We moeten ervoor zorgen dat we ook die mensen eindelijk de nodige zorgen kunnen toedienen.

En het laatste dat we dan kunnen gebruiken, zijn broodjeaap verhalen en niet-wetenschappelijk onderbouwde theorieën, die helaas nu wel viraal aan het gaan zijn. Ik kan het de mensen die in die verhalen meegaan niet verwijten, maar toch wil ik oproepen om vertrouwen te hebben in de wetenschap en de adviezen van virologen en biostatistici.

We hebben nu iedereen nodig, alle hens aan dek, om ervoor te zorgen dat onze zorginstellingen het kunnen blijven bolwerken. Artsen, verpleegkundigen en zorgkundigen willen ook eens kunnen ademhalen. Bovendien kunnen onze economie en ons onderwijs geen tweede lockdown verdragen.

Dus ook al faalt de overheid, ook al spreken virologen elkaar tegen, ook al zijn we al die beknottende regels hartsgrondig beu. De enige manier om er uit te geraken en onze samenleving niet opnieuw op slot te doen is om met zijn allen de nodige discipline aan de dag te leggen. Nog even afstand houden dus. Ooit komt het weer goed en dan pakken we elkaar weer vast. En ook voor mij is dat liever vroeger dan later…

Ik denk vaak aan u, liefste kiezer. Het gekke is dat ik niet weet wie u bent. Dat is waarschijnlijk vervelender voor u dan voor mij, vooral als u niet voor mij hebt gekozen. Ik kan me voorstellen dat dat dan misschien wel ongemakkelijk voelt wanneer u met mij praat. Maar maak u geen zorgen. Ik weet dat echt niet en ik zal u ook niet op de rooster leggen.

Ik wil het eigenlijk ook gewoon niet weten, want omdat ik niet weet wie u precies bent, probeer ik steeds weer het beste van mezelf te geven en mijn verkiezingsbeloftes na te komen. Want ik stel mij voor dat dat waarschijnlijk de reden is dat u voor mij hebt gestemd (of u heeft ienemienemutte gedaan, natuurlijk, dat kan ook) en ik stel u niet graag teleur.

Nu is het u waarschijnlijk al opgevallen dat ik er niet altijd even afgeborsteld uitzie als op mijn verkiezingsaffiche. Dat komt omdat ik die ene keer wel mijn haar met zo’n ronde borstel had geföhnd en met van die haarclips en pluk voor pluk, terwijl ik er op gewone dagen snel eens met de haardroger door blaas, in de hoop dat het wel goed zal vallen.

Hopelijk is dat het minste van uw zorgen, maar het valt mij helaas wel op, als ik me bezig zie op video’s uit commissievergaderingen. Ik dacht altijd dat niemand naar de achterkant van mijn kapsel zou kijken, maar die camera’s zijn dus onverbiddellijk.

Maar verder probeer ik onthecht te zijn van zaken als een kapsel en me te laten leiden door principes als verantwoordelijkheidszin, eerlijkheid en redelijkheid. Gezond verstand, kortom. Gelukkig ben ik ook omringd door uitstekende medewerkers en gemotiveerde collega’s, zodat ideeën kunnen worden uitgewisseld en afgetoetst. Maar laat het gerust weten als u denkt dat het de verkeerde kant opgaat met mij. Altijd fijn als dat ook nog eens op een rustige manier kan, al blijken sociale media daar niet altijd toe uit te nodigen.

Nu, in de Kamer mag ik prachtige thema’s opvolgen: volksgezondheid, wetenschappelijke vraagstukken, landbouwbeleid en wetenschappelijke en culturele instellingen.

Ik was me in al die onderwerpen flink aan het verdiepen, toen in januari de Covidcrisis plots op mijn pad kwam. En ik moet zeggen dat het me sindsdien geen dag meer heeft losgelaten. Ik was meteen in de ban van de evolutie van het virus en heb meer wetenschappelijke artikels gelezen dan indertijd voor mijn doctoraatsstudies, schat ik zo.

Meer dan ooit is door deze crisis het belang van de gezondheidszorg op het voorplan gekomen. Meer dan ooit is het duidelijk geworden dat er nood is aan een gezond beleid. Gezond verstand, zonder taboes. Een goed gezondheidsbeleid is geen luxe optie, het is een afspiegeling van het sociale en economische gelaat van een land. Het is een pakket van onze gezamenlijk opgebouwde middelen, kennis en kunde, gebundeld en geoptimaliseerd om bij u te kunnen injecteren en om u beter te maken wanneer er iets schort aan uw lichaam of geest.

Ik hoop oprecht dat we dit moment in de geschiedenis, waar gebleken is dat een goede gezondheid het begin is van alles, kunnen aangrijpen om de organisatie van onze zorg te herbekijken. U weet al waar ik naartoe wil.  Een regionaal gezondheidsbeleid. Eigen keuzes, eigen verantwoordelijkheden. Als u niet op mij gestemd heeft, dan denkt u misschien: blablabla, de Vlaams-nationalisten maken misbruik van een gezondheidscrisis om hun agenda er door te drukken. Maar het is toch waar? Het is toch maar wanneer je de gevolgen van een beleidskeuze voelt, dat deze keuze ook sturend kan werken?

Tot nu toe is dat niet het geval. Het is een feit dat investeren in preventie ruimschoots bespaart in behandeling. In Vlaanderen wordt er meer ingezet op preventie dan in Wallonië. Maar als Wallonië de rekening niet hoeft te betalen, waarom zou ze dan investeren in preventie? En dat is uiteindelijk ook ten koste van de Walen. Ook voor hen zou een regionalisering van de zorg opbrengen, eerst en vooral op gebied van gezondheid en levenskwaliteit.

De middelen voor de gezondheidszorg moeten inderdaad erg bedachtzaam worden aangewend. Structuren moeten daarbij ten dienste staan van de kwaliteit van de zorg. Mijn pleidooi voor meer preventie en regionalisering heeft niet de bedoeling om te beknibbelen op zorg, maar wel om de middelen die we winnen door een betere preventie nog beter in te zetten voor chronische en hoogtechnologische zorg. Zodat we ons de nieuwste medicatie en technieken kunnen blijven veroorloven. Want met een beetje geluk worden worden we best oud, u en ik, en onderzoek en ontwikkeling zullen ervoor zorgen dat onze artsen steeds beter aan ons kunnen sleutelen.

Nu denkt u misschien dat de ziekenhuizen, toch een federale bevoegdheid, het goed hebben gedaan in deze crisis. Maar dat komt volgens mij vooral doordat onze artsen en het ziekenhuispersoneel zo inventief en flexibel waren, niet omdat het federale niveau adequaat reageerde. Er was immers een stuitend gebrek aan coördinatie en communicatie op het federale niveau, iets dat ik in januari al voor u heb aangekaart in de Kamer.

En dan hoor ik u zeggen dat de woonzorgcentra, die dan weer Vlaamse bevoegdheid zijn, het toch niet goed hebben gedaan. Zij waren echter afhankelijk van het federale niveau voor bevoorrading van beschermmateriaal en medische ondersteuning. Het zou veel efficiënter geweest zijn als er een samenwerkingsverband was geweest tussen ziekenhuizen en woonzorgcentra.  Een samenwerkingsverband, desnoods enkel in gevallen van crisis, maar wel op het niveau dat het dichtst bij u staat en het dichtst bij het beleid waarvoor u heeft gekozen.

Het federale niveau heeft, kortom, geflaterd – dat heeft u ook zien gebeuren – door compleet onvoorbereid een medische crisis in te duikelen. Niemand zag het aankomen, maar iedereen kon weten dat het ooit zou gebeuren. Toch moest zowat alles blijkbaar opnieuw worden uitgevonden en heeft het opzetten van comités, werkgroepen en taskforces en het zoeken naar leiding en houvast bijzonder veel onnodige energie en tijd gekost. Nochtans bestond er een pandemieplan (hier kan u lezen wat ik daarvan vond), hoewel dat blijkbaar hardnekkig genegeerd werd.

En ondertussen hoop ik toch stiekem dat ik ook u overtuig, beste niet-kiezer. Want misschien leest ook u wel mijn blogs. Stiekem hoop ik eigenlijk dat ik, samen met mijn collega’s, kan laten zien dat mijn partij een sleutel tot de toekomst kan zijn. Een partij die los staat van zuilen en dus vrij en ongebonden kan ijveren voor een duurzaam verschiet.

In die zin is het maar goed dat ik niet weet wie u precies bent, liefste kiezer. Want nu probeer ik toch steeds weer even achterom te kijken en na te denken. Over keuzes en consequenties. Over de lijn van onze partij. Omdat ik weet dat u daarop heeft vertrouwd.

Heeft u de peiling van gisteren al gezien? Mijn partij heeft behoorlijk wat procentjes verloren. Dat is jammer, want dat wil zeggen dat we u niet voldoende hebben kunnen laten zien waar wij voor staan en wat wij in onze mars hebben. Ik wil u graag zeggen dat ik heel erg geloof in mijn partij. Ik zie ernst, oprechtheid, vastberadenheid, intellect en eerlijkheid bij mijn fractiegenoten. Ik zie visie. En ook heel veel humor – ik weet niet of dat in alle partijen zo is (ik denk het niet).

Dus ik hoop dat ik u daarvan kan overtuigen. Ook als u niet voor mij gekozen heeft. Is niet erg. Ik werk ook met plezier voor u. En ik hoop dus stiekem dat ik u op andere gedachten kan brengen. Ik hoop alleszins wel dat u gelooft in mijn oprechtheid en gevoel voor verantwoordelijkheid. Dat laatste voelt soms als een last op mijn schouders, vooral als ik vind dat ik het niet goed genoeg heb gedaan, maar het voelt vooral als een enorm voorrecht.

Vandaag exact een jaar geleden legde ik de eed af in de Kamer van Volksvertegenwoordigers.

Al een jaar geleden. Nog maar een jaar geleden.

En het was me het jaartje wel. Wat heb ik veel geleerd en wat moet ik nog veel leren. Bijzonder dankbaar ben ik voor de tijd die ik al in dat federale parlement heb mogen doorbrengen.

Frieda

 

(Krokus, komkommer en corona)

Krokusvakantie, dus politiek reces deze week (reces = verlof en alweer, ik weet het). Ik had het huis eens flink onderhanden kunnen nemen, want dat was eigenlijk nodig. Ik had ook de was kunnen bijhouden of ik had naar de bibliotheek kunnen gaan en een paar boeken verslinden. Ik had de badkamer eindelijk eens fatsoenlijk kunnen schilderen. Allemaal nuttige dingen, maar het is er niet van gekomen. Eerst en vooral stonden er een paar werkbezoeken op de agenda (FAVV oftewel het voedselagentschap, een ziekenhuis en Unizo Limburg) en daarnaast heb ik nog eens kunnen werken in mijn geliefde praktijk en ondertussen kunnen bijpraten met een 25-tal patiënten. Ik weet dat je nu denkt dat je als tandarts toch niet kunt babbelen met je patiënten, maar ik kan dat wel. Op korte tijd kan je veel vertellen en veel horen ook.

En bij al die bezigheden bleek één thema telkens weer terug te komen. Het coronavirus, of wat dacht je, de talk of the town. Bij het FAVV maakten ze zich er niet al te veel zorgen over omdat het virus niet (lang) overleeft buiten het lichaam en dus niet levend uit de oven of de koelkast geraakt. In het ziekenhuis was er een stockbreuk van mondmaskers en bij Unizo stelden ze zich vragen over de impact op onze lokale economie. In mijn praktijk werden er minder handen geschud dan gewoonlijk en werden er vragen gesteld over mondmaskers. Ik moet zeggen dat de hele heisa er alvast voor heeft gezorgd dat ik mijn desinfectieskills nog eens op punt heb gesteld. Als tandarts werk je op een afstand van 10 cm van je patiënt en zit je in een besmettelijke wolk van speeksel, water, bloed en tandsteen. Bescherming van ogen, neus en mond zijn sowieso een must, voor het coronavirus net als voor eender welke andere ziektekiem. Het dreigende tekort aan mondmaskers is dus iets wat me wel wat zorgen baart.

Het toeval wil nu dat ik in de Kamercommissie Volksgezondheid thema’s als deze epidemie opvolg en dat ik de laatste dagen heel wat tijd heb doorgebracht achter mijn computer om de stand van zaken te kennen en de wetenschappelijke achtergrond uit te vlooien. Ik doe dat namelijk graag en omdat ik heb gemerkt dat er toch nog heel wat vragen en onduidelijkheden zijn, deel ik het ook graag.

Het gaat dus om een nieuw virus voor de mens, dat het eerst ontdekt werd in China (in december 2019) en dat officieel SARS-CoV-2 werd gedoopt. Dit virus is waarschijnlijk afkomstig van een dier, zoals een vleermuis, met eventueel een tussengastheer zoals een schubdier. Dat er in China ontzettend veel besmettingen geweest zijn, dat heeft iedereen die het nieuws ook maar van ver heeft gevolgd, begrepen. In het epicentrum (Wuhan, provincie Hubei) vielen de meeste slachtoffers en bleek het virus ook het meest dodelijk. Hoe dat precies komt, is niet helemaal duidelijk, maar waarschijnlijk komt dat doordat de ziekenhuizen overstelpt werden en de zorg niet optimaal kon worden georganiseerd. Tegen de tijd dat het virus andere steden had bereikt, hadden die steden zich al beter kunnen voorbereiden en konden ze ook al teren op de informatie die er ondertussen bekend was over het virus, waardoor zieken waarschijnlijk beter verzorgd konden worden en er ook minder overlijdens waren.

De exacte mortaliteit (het aantal patiënten dat overlijdt) kan nog niet worden bepaald, om twee redenen: ten eerste worden in het begin van een epidemie vooral de ernstige gevallen gedetecteerd en worden de milde gevallen minder opgemerkt. Er zullen dus wellicht meer besmettingen zijn dan gedacht, waardoor het mortaliteitscijfer (dat nu op 2% wordt geschat) uiteindelijk lager zal blijken te zijn. Van de andere kant zijn er ook mensen die nu erg ziek zijn en die nog kunnen sterven. Zij worden nu uiteraard niet meegenomen in het mortaliteitscijfer, maar kunnen de mortaliteit wel nog doen toenemen. De exacte mortaliteit kan dus pas na een epidemie worden bepaald, wanneer er gecontroleerd wordt op antistoffen in een bevolking waarin men het aantal overlijdens ten gevolge van het nieuwe coronavirus kent. Men kan dan het aantal overlijdens delen door het aantal besmettingen (mensen met antistoffen) en op die manier een correct mortaliteitsrisico bepalen. Dat is nog even wachten dus.

De mensen die overlijden, blijken vooral ouderen te zijn en mensen met een onderliggende ziekte. Vaak worden hart- en vaatziekten genoemd en aandoeningen zoals diabetes.

Je zou je dus kunnen afvragen waar we het eigenlijk over hebben. Want zo wordt dat vaak verteld, met de bedoeling om geruststellend te zijn: het zijn alleen maar 70-plussers en zieken die sterven. Nu vind ik dat weinig respectvol naar ouderen toe, maar ook naar mensen met één van de genoemde aandoeningen. Diabetes is immers een epidemie op zich en komt bij ongeveer 1 op 12 volwassen Belgen voor. Maar dat het sterftecijfer lager ligt dan dat van bv. SARS (10%) is gelukkig wel een feit.

Het probleem is echter niet zo zeer de dodelijkheid, maar wel dat het nieuwe coronavirus je nogal vaak nogal flink ziek kan maken. In 80% van de gevallen gaat het om milde symptomen, maar in 14% van de gevallen leidt het tot een ziekenhuisopname en in 5% tot intensieve zorgen. En dat is wel een duidelijk verschil met de gewone griep. Daar komt nog eens bij dat mensen nog geen basisimmuniteit hebben voor het virus. Voor de griep is die er wel. Sommigen zijn immers gevaccineerd of hebben al eerder griep gehad. Voor het nieuwe coronavirus bestaat nog geen vaccin, waardoor er een pak meer mensen besmet kunnen geraken dan bij de seizoensgriep.

De uitdaging is dus vooral om voldoende ziekenhuisbedden klaar te hebben voor het geval COVID-19 (de ziekte die door het nieuwe coronavirus wordt veroorzaakt) ons bereikt en dat zal geen sinecure zijn.

Om een epidemie beheersbaar te houden, is het daarom van belang dat er niet teveel patiënten tegelijk moeten worden opgenomen. En daar kan de overheid een rol in spelen. Wanneer we de epidemie kunnen vertragen en patiënten mondjesmaat verzorgen, dan kunnen onze ziekenhuizen en zorgverstrekkers dat aan.

En daarom is het belangrijk dat er maatregelen worden genomen. Wanneer patiënten worden gedetecteerd, is het van belang dat hun contacten worden getraceerd, zodat mogelijke andere besmette personen kunnen worden afgezonderd en opgevolgd, vooraleer ze weer anderen kunnen besmetten. Indien nodig, moeten groepen mensen worden afgezonderd, scholen worden gesloten, bijeenkomsten worden uitgesteld.

Zo kopen we tijd. En hoe meer tijd we kopen, hoe beter we onze zieken kunnen verzorgen en hoe groter de kans dat er een medicijn of een vaccin wordt klaargestoomd. We mogen ons trouwens gelukkig prijzen dat we in een land leven met excellente artsen en topwetenschappers.

Volgende week is er een actuadebat in de Kamer over het coronavirus. Ik zal de minister ondervragen over de maatregelen die ze heeft genomen. Ik zal ook vragen naar de samenwerking met de andere diensten die klaar moeten staan wanneer er een epidemie uitbreekt. En ik zal staan op een betere en heldere communicatie naar artsen en andere zorgverstrekkers, maar ook naar de bevolking.

Het heeft geen zin om te panikeren, maar het heeft ook geen zin om te minimaliseren. Door te minimaliseren zouden mensen immers kunnen denken dat er iets wordt achtergehouden (wat, voor alle duidelijkheid, niet het geval is). Of – in tegendeel – gaan ze denken dat de afgekondigde maatregelen overdreven zijn en gaan ze zich er niet aan houden.

Ik zag deze week een heel interessant informatief programma op NPO1: “Het coronavirus, feiten en fabels”. Ik kijk namelijk nogal eens naar de Nederlandse televisie. Ik vind het daar vaak veel helderder. Misschien omdat er een beetje Nederlands bloed door mijn aderen loopt, want mijn man vindt van niet. Hij verstaat die Hollanders letterlijk niet eens. Maar enfin, het concept was dus: live uitzending, met verschillende experten en de minister van gezondheid én met veel vragen vanwege de bevolking en antwoorden vanwege experten en overheid. Er werd heel duidelijk en precies geschetst wat het plan was en op welke manier de verschillende schakels in elkaar grepen. Dat lijkt me de weg om te bewandelen, als je het mij vraagt. Duidelijkheid schept vertrouwen en dat hebben we nodig. Voor onze gezondheid, maar zeker ook voor onze economie.

(De blog is wat lang aan het worden, dus over de regeringsvorming gaan we het maar niet meer hebben. Hoewel er één partij is die wel toekomst ziet in een coronacoalitie. Nodigt alleen niet zo uit, vind ik persoonlijk.)

Je zal vandaag maar zeventiger zijn en horen dat je binnen enkele jaren niet meer gereanimeerd zal worden als je een hartstilstand krijgt. Mijn nonkel, een fitte zeventiger, sprak me er alleszins over aan toen we toevallig samen bij de benzinepomp stonden te tanken. “Nog vijf jaar”, zei hij. “En dan reanimeren ze mij niet meer”. En dan, met het nodige gevoel voor pathetiek: “Maar ja, ze kunnen ons ook niet meer gebruiken, hè. We zijn overbodig aan het worden”. En mijn vader, zelfde leeftijdscategorie, stuurde me ook meteen een vlammende e-mail. Dat dit ongehoord was, wat dit in ’s hemelsnaam met leeftijd te maken had.

Even later overleed een 80-jarige Chinese toerist in Parijs aan het coronavirus. Daar hoorde een geruststellend woordje duiding bij, vanwege viroloog Marc Van Ranst. “We moesten ons alleszins geen zorgen maken, dit was verwacht. Het was een man van 80 jaar. Meestal waren het “hele oude mensen” of “mensen met een onderliggende aandoening”, die overleden”.

Het klonk een beetje als: “No worries, jij en ik, wij zijn nog lang geen tachtig! Wij zijn kerngezond. Wij zitten niet in de gevarenzone!”
Je zult maar een onderliggende aandoening hebben, zoals diabetes (hoeveel mensen hebben er niet diabetes?!). Of zogenaamd “heel oud” zijn, maar wel nog vol plannen voor de toekomst.

Hoewel ik de Chinese man in kwestie niet ken, kan ik me toch moeilijk voorstellen dat hij zwaar ziek was toen hij de Eiffeltoren en misschien nog wel meer van Europa kwam bezoeken samen met zijn dochter. Een plotse ziekenhuisopname en dan ook nog doodgaan in Frankrijk stonden sowieso niet op hun reisplanning en waren voor die man en zijn dochter allicht minder verwacht dan Van Ranst deed uitschijnen.

Om terug te komen op de studie die suggereerde dat reanimeren na 80 jaar niet meer zinvol is: natuurlijk stond er veel meer nuance in de studie dan er op het eerste gezicht uit bleek. Maar toch lijkt het me niet verstandig om een leeftijd te plakken op iets als reanimatie. Leeftijd en fitheid zijn immers twee aparte dingen. Leeftijd kan één van de vele factoren zijn die meespelen in een bepaalde medische beslissing, want hoe ouder je bent, hoe meer kans dat je gezondheid begint te haperen, maar het mag nooit de enige of doorslaggevende factor zijn.

Misschien moet ik er bij vertellen dat ik bij zulke kwesties meteen aan mijn bomma denk, die helder van geest was tot op haar sterfbed, en net geen 101 jaar werd. Zij voelde zich héél lange tijd niet oud. Zo wilde ze niet naar een rusthuis, omdat daar volgens haar “allemaal oude mensen zaten”. Ouder van geest waren ze misschien inderdaad, maar wel jonger in jaren. Een mens mag je dan ook niet herleiden tot een leeftijd, omdat dat zo weinig zegt.

Het is volgens mij bovendien niet onschuldig om de nadruk zo sterk te leggen op de leeftijd bij het aankondigen van de resultaten van deze studie.  Het hielp wellicht om het nieuws te halen, maar het getuigt volgens mij van weinig respect voor de oudere generatie en sluipt zo  ongemerkt binnen in de manier waarop we over oudere mensen denken.

Net zo tenenkrullend, volgens mij, was de zoektocht naar een term voor een “fitte senior” een tijd geleden op Radio1. In Nederland heet het een “vitalo”, naar “vitale oudere”. Vanaf 55 jaar te bezigen. (Help zeg, nog 10 jaar!). Bij ons kwam uiteindelijk “jagger” uit de bus (“jonge actief gepensioneerde”). Dat is toch verschrikkelijk, wie bedenkt nu dat er daar een term voor nodig is? Alsof de jongere generatie iets te vinden heeft van de manier waarop de generatie, die ons heeft opgevoed, zich gedraagt.

Als we ze te weinig actief vinden, dan hoeven ze bij wijze van spreken niet meer gereanimeerd te worden; als ze wat te actief zijn naar onze zin, met hun irritante meningen en koersfietsen en trappistjes op de terrassen, dan krijgen ze het etiket “jaggers” opgeplakt.

Wat dat betreft (en misschien enkel wat dat betreft), kunnen we nog wel iets van China leren.  Respect voor ouderen wordt daar tot nader order hoog in het vaandel gedragen. Vraag maar aan Confucius.

België koploper wat betreft borstkanker

Borstkanker is de meest voorkomende kanker in ons land en zorgt voor de meeste overlijdens ten gevolge van kanker.  Als we de Belgische cijfers vergelijken met de cijfers van andere OESO landen, dan hebben we bovendien de twijfelachtige eer om de lijst te mogen aanvoeren, met 112 gevallen per 100.000 vrouwen in 2012 (laatst beschikbare cijfers volgens OESO).  Dit aantal is sinds 2000 bovendien sterk gestegen (was toen 82/100.000).

Screeningsprogramma van de overheden

Het is dus belangrijk om in te zetten op o.a. screening, om zoveel mogelijk vrouwen zo snel mogelijk te kunnen behandelen als nodig.  Het bestaande screeningsprogramma, ingericht door de gemeenschappen, richt zich op vrouwen tussen de 50 en 69 jaar, omdat in die leeftijdscategorie het vaakst een vroegtijdige diagnose kan worden gesteld, met een succesvolle behandeling.

Deze tweejaarlijkse screening is gebaseerd op Europese gestandaardiseerde kwaliteitscriteria.  Een borstonderzoek op jongere leeftijd wordt niet aangeraden als er geen verhoogde kans op borstkanker bestaat (bv. familieleden die zijn getroffen) of zonder klinische indicatie, omdat de hoogenergetische röntgenstraling in verband wordt gebracht met het ontstaan van tumoren en dus een tegenovergesteld effect zou kunnen hebben.  Deze screeningsprogramma’s worden georganiseerd door de verschillende gemeenschappen, maar de terugbetaling gebeurt door de federale overheid (RIZIV).

Opportunistische screening

Een vrouw kan er echter ook voor kiezen om zich buiten dit georganiseerde screeningsprogramma te laten onderzoeken (de zogenaamde “opportunistische screening”). Deze onderzoeken zijn duurder, niet bewezen doeltreffender en ze zijn niet gebonden aan de kwaliteitscriteria die in het overheidsprogramma van toepassing zijn. Ook deze onderzoeken worden terugbetaald door het RIZIV.

Cijfers screening: communautaire verschillen zijn duidelijk

In de gewenste leeftijdscategorie wordt gestreefd naar een bereik van 75% van de vrouwen, maar daar blijken we nog niet te zijn. In totaal worden in Vlaanderen 67% van de vrouwen in de gewenste leeftijdscategorie bereikt, tegenover 54% in Wallonië en 53% in Brussel.  Bovendien wordt in Wallonië en Brussel veel vaker gekozen voor een – duurdere – opportunistische screening dan in Vlaanderen (47% en 42% ten opzichte van 16% in Vlaanderen).  Vlamingen schrijven zich dus veel meer in het georganiseerde screeningsprogramma in (51%) dan hun zuiderburen (6,8%).

Daarbovenop komt nog dat Walen en Brusselaars zich veel vaker op jongere leeftijd laten screenen dan Vlamingen.  Bijna de helft van de Waalse vrouwen (49%) tussen 40-49 jaar en 47% van de Brusselse vrouwen laat zich op te jonge leeftijd screenen, ten opzichte van 26% van de Vlaamse vrouwen (en dit aantal neemt in Vlaanderen af).

De middelen moeten beter worden ingezet

Samengevat kunnen we dus stellen dat screening op borstkanker nog te weinig Belgische vrouwen bereikt. Maar vooral in Wallonië en Brussel wordt te weinig deelgenomen aan de georganiseerde borstkankerscreening, georganiseerd door de gemeenschappen. De aanwezigheid van borstkanker is in de verschillende gemeenschappen overigens hetzelfde, waardoor het evident zou moeten zijn om voor de kostenefficiënte en kwaliteitsvolle georganiseerde screening te kiezen en niet zonder indicatie op jonge leeftijd te screenen.

Misschien is de oorzaak van de gebrekkige screening wel te vinden in een gebrek aan responsabiliserend effect, waar de gemeenschappen (hier de Franse en Brusselse) zich te weinig aantrekken van de uitgaven op federaal niveau.  Wanneer de gemeenschappen zelf zouden moeten opdraaien voor de hogere kosten van de opportunistische screening, zouden ze wellicht wel degelijk geneigd zijn om meer vrouwen aan te zetten om zich in te schrijven in de georganiseerde screening.

Borstkankerscreening is maar één aspect van de gezondheidszorg, maar wel een belangrijk aspect, gezien de hoge prevalentie en de hoge sterftecijfers.  Ook hier zou een volledige regionalisering van de gezondheidszorg wellicht betere resultaten geven.  Wanneer een gemeenschap zich inspant om een screening te organiseren, is het maar logisch dat ze hier ook de vruchten van kan plukken.  En dit is in het belang van elke gemeenschap.  Een betere screening leidt immers niet alleen tot een beter budgetbeheer, maar ook tot een snellere detectie van borsttumoren.  Het wordt tijd dat we uit de kop van het peloton geraken.

Bronnen: OESO, IMA en KCE

Het gebeurt niet zo vaak, maar het is me toch een paar keer overkomen dat ik kwaad werd tijdens mijn werk als tandarts-parodontoloog.  Ik kan die keren op één hand tellen.  Of toch maximaal op twee.

Vaak zorgen zenuwachtigheid, onwennigheid of onwetendheid ervoor dat mensen anders reageren en niet helemaal zichzelf zijn in een tandartspraktijk.  Soms zijn ze wantrouwig of overdreven defensief, vinden ze dat “alle tandartsen geldwolven zijn” of hebben ze ergens gehoord “dat het allemaal toch niks gaat helpen”.  Alle begrip daarvoor en ik vind het net een uitdaging om hun vertrouwen te winnen en ervoor te zorgen dat ze zich op hun gemak gaan voelen.  Ik leg daarbij graag uit wat er precies aan de hand is, waarom het belangrijk is om er iets aan te doen en vertel hen ook wat de behandeling zal kosten.  Het mooiste vind ik om iemand, die bang is voor de prikjes van de verdoving, zover te krijgen dat die mij toelaat om toch te verdoven (en er zijn meestal véél prikjes nodig voor een parodontale behandeling).  En dan achteraf te horen “dat het eigenlijk helemaal niks voorstelde”.  Daar doe ik het voor.

Maar vorige week werd ik dus kwaad.  En dat kwam zo.

Een nieuwe patiënt had zich aangemeld in de praktijk.  Een jonge vrouw van niet-Europese origine.  Haar man was er bij.  Ik sprak de vrouw aan en vroeg wat haar klachten waren en waarom ze naar mijn praktijk was verwezen. De man zei meteen dat ze nog geen Nederlands sprak.  Hij was ook van niet-Europese origine, maar wellicht waren zelfs zijn ouders al hier geboren.  Hij sprak alleszins prima Nederlands en ik vroeg dan ook of hij zou kunnen vertalen voor mij.  “Oké”, zei hij.

Ik vroeg of ze medicijnen nam (“nee”, zei hij), of ze allergisch was voor bepaalde producten (“nee”) en of ze misschien zwanger zou kunnen zijn.  Op die laatste vraag reageerde hij schouderophalend (“goh, zou kunnen, zeker”).  Op dat moment knetterde er al een klein vonkje in mijn hoofd.

Maar goed, ik onderzoek de jonge vrouw en ga daarna terug met haar aan mijn bureau zitten, tegenover haar en haar man.  Ik zeg aan hem dat ik ga uitleggen wat er aan de hand is en wat ik eraan kan doen en vraag opnieuw of hij kan vertalen (“ja ja”).

Ik begin aan mijn verhaal, dat ik steevast doe met een informatieboekje erbij, zodat ik ook met tekeningen en foto’s kan uitleggen wat er precies aan de hand is. De vrouw begrijpt dus inderdaad niets van mijn uitleg, al probeer ik om me met gebaren toch een beetje verstaanbaar te maken.
En dan zie ik plots dat die man gewoon op zijn gsm blijft kijken, niet mee volgt en totaal niet geïnteresseerd is.

Op dat moment wordt die vonk een soort van kortsluiting, een bliksemschicht zo ongeveer pal achter mijn ogen. Ik vraag of hij alstublieft die telefoon wil neerleggen en een beetje wil opletten.  Ik denk dat ik geweldig rood werd op dat moment en misschien kwam er letterlijk stoom uit mijn oren.  Hij staarde mij aan en legde uiteindelijk zijn telefoon weg.  Maar hij heeft niet vertaald.

De vrouw zat daar maar hulpeloos naast hem.  Alleen, in een vreemd land, met een man die niet bepaald veel met haar leek in te zitten.

Op dat moment besefte ik heel scherp hoe belangrijk het is dat mensen die vanuit een vreemd land, met een andere cultuur, naar ons land verhuizen, ook de taal machtig zijn en weten hoe het er aan toe gaat bij ons.

Leve de inburgeringscursus dus.  Het is niet onvriendelijk of asociaal om zoiets te verplichten aan nieuwkomers. En het vereiste taalniveau mag best ambitieus zijn.  Het zou getuigen van een superioriteitsgevoel als je zou denken dat nieuwkomers dat niet aankunnen.  En het kan het verschil maken tussen een gelukkig en een ongelukkig leven en tussen onderdanigheid en emancipatie.

Ik hoop maar dat Aicha (zo heette ze niet echt) snel taallessen zal volgen en haar eigen mannetje zal leren te staan.  Het  is belangrijk om je thuis te voelen in een ander land, maar ook om je niet te laten doen door mensen die wél Nederlands spreken en die wél hun weg kennen.

En verder hoop ik dat haar man gewoon met het verkeerde been uit bed was gestapt en dat hij eigenlijk de slechtste nog niet is.

 

%d bloggers liken dit: