Wan Toe Frie

persoonlijke blog van Frieda Gijbels

De Covidmaatregelen beginnen te irriteren. Dat merk ik aan de mensen rondom mij. Ze stellen zich vragen bij de proportionaliteit ervan. Ze verwijzen naar de ziekenhuisopnames, die nu toch een pak lager liggen dan in het begin van de crisis. Waarom moeten al die pestregels dan zo nodig? Overdrijven we niet? En werken we onze hele economie niet compleet naar de zak?

Ze hebben wel een punt. Verschillende virologen en epidemiologen, die niet noodzakelijk de spreekbuis zijn van het nationale beleid, brengen dreigende boodschappen over een tweede lockdown. De kranten zoemen ook over een week-week regeling voor het secundair onderwijs.

Met één kind dat maar een half eerste jaar secundair achter de rug heeft en een ander kind dat aan zijn laatste jaar secundair zal beginnen, is dat geen bemoedigend vooruitzicht. Ik ben geen held in het scheppen van een rustig thuiskader. Ik ben niet de moeder die sapjes en nootjes en fruit aandraagt, die zorgt voor regelmaat en de huiswerkagenda voor de hele week in haar hoofd geprent heeft. School is voor ons gezin redelijk essentieel om structuur te brengen. Maar los daarvan, ook het samen leren, samen beleven, samen “humanior” worden, is essentieel in deze fase van hun leven. Plezier maken met klas- en schoolgenoten, ruzie maken, het bijleggen, het opnemen voor een klasgenoot, je engageren in sociale projecten. Allemaal zo belangrijk en dat alles komt onder druk.

En dan heb ik het nog niet over kinderen die in een moeilijke thuissituatie zitten, waar er wel grotere problemen zijn dan een warrige en drukke moeder en een warrige en drukke vader. Voor hen is het essentieel dat hun leven binnenkort toch weer enkele uren per dag rustiger en normaler wordt.

Maar algemeen, mensen beginnen het hartsgrondig beu te worden. De mondmaskers worden nog flink gedragen, maar er is een onderhuidse ergernis. Twijfel ook, over de maatregelen.

Regelmatig krijg ik vragen of het allemaal wel zo streng moet.

Wat voor mij heel erg belangrijk is in deze fase, net voor het einde van de zomervakantie en het begin van de school en andere werkzaamheden, is dat we al onze middelen en kennis optimaal inzetten om de crisis te beheersen. Maatregelen moeten nu zo precies mogelijk worden ingezet, op een zo laag mogelijk niveau, zodat ze zo weinig mogelijk bijkomende schade veroorzaken. We moeten ab-so-luut vermijden dat we opnieuw in een algemene lockdown terechtkomen en daarom moeten we nieuwe infecties bij de wortel aanpakken.

Dus, is het nodig om op dit moment zoveel testen te doen? Ja, dat denk ik wel. We moeten misschien zelfs meer testen. Net om de impact op onze samenleving en onze economie zoveel mogelijk te beperken. In het begin van de crisis hadden we te weinig testen. Het nationale referentielab zat na iets meer dan een week al door haar voorraad heen. Daarom konden we toen geen contacten opsporen. Een schande, was het. En daarom werden testen op een gegeven moment voorbehouden voor patiënten die zo ziek waren, dat ze in het ziekenhuis moesten worden opgenomen. Dat is dus ook de reden dat de testen toen vaker positief waren dan nu. Tegelijk werden heel veel infecties toen gemist omdat er gewoonweg onvoldoende testmateriaal voorhanden was. 

Maar nu hoeven we dus niet meer te bezuinigen op testen en dat wil dus ook zeggen dat onze contacttracing op punt moet staan. Laboratoria moeten hun informatie zo snel mogelijk bezorgen en risicocontacten moeten ASAP worden getest en afgezonderd. De databank moet nu optimaal werken, contactopspoorders moeten optimaal kunnen renderen en mensen op een deskundige manier ondervragen en overtuigen, zodat de omvang van de verspreiding zo snel mogelijk in kaart kan worden gebracht. Op die manier hoeft de rest van de samenleving niet op slot.

En het is waar, we staan uiteindelijk ook wel op een andere manier naar deze nieuwe golf (of is het nog de staart van de eerste golf?) te kijken. Er is heel wat ervaring opgebouwd in het herkennen en behandelen van de ziekte. Er is (uiteindelijk!) een voorraad beschermingsmateriaal en die testen, die zijn er nu dus wel. We kunnen tot 80.000 testen per dag gaan (maar we zitten de laatste tijd gemiddeld aan minder dan 20.000 per dag). Waar onze artsen en zorgverstrekkers in het begin van de crisis halsoverkop en onbeschermd in het diepe moesten springen, zijn we nu toch al een pak beter voorbereid.

De infecties op zich lijken momenteel niet zo problematisch, aangezien het vooral de jongere en gezonde populatie treft. Maar zij kunnen natuurlijk wel ouderen besmetten én mensen met een lagere weerstand. Ook daarom is het belangrijk dat er veel getest wordt en dat contacten snel worden opgespoord. Niet zozeer om die jongeren te beschermen, wel om onze zwakkeren te beschermen.

En er zijn nog andere manieren om infectiehaarden op te sporen, zoals het opsporen van restanten van het virus in het afvalwater. Al die zaken moeten nu deel uitmaken van ons arsenaal. Alleen gaat het allemaal zo traag…  

De kern van het probleem is opnieuw dat onze regeringsleiders momenteel weinig of niet communiceren over de huidige aanpak. Er wordt niet, of toch veel te weinig, verteld waarom bepaalde maatregelen nodig zijn. Er wordt ook niet gezegd wat het uiteindelijke streefdoel is. Is dat het vrijwaren van de ziekenhuiscapaciteit, zoals in de eerste golf? Of is dat terugdringen van infecties tot een bepaald punt? Is dat laatste überhaupt mogelijk als elk land binnen de EU er een andere aanpak op nahoudt? Of streeft men naar een bepaalde waarde van het reproductiecijfer? Wil men vooral de zwakkeren beschermen of wil men ook bij jongeren infecties vermijden?

Omdat niemand weet wat nu precies de bedoeling is, lijken de coronaregels al snel buiten proportie (en misschien zijn sommigee dat ook) en lijkt het heel raar dat er zoveel getest wordt, terwijl er zo weinig ziekenhuisopnames zijn.

En dat is dus een excellente voedingsbodem voor complottheorieën en pseudowetenschap. Het verhaal van de verspreiding van Covid via 5G, dat had u waarschijnlijk al gehoord. Of “dat het virus niet leeft, en dus niet kan worden overgedragen” is ook zo’n bizar verhaal. Dat het gevaarlijk is om je te laten vaccineren, of dat een bepaald medicijn wordt achtergehouden. Dat er een groot complot van de farmaindustrie achter zit. Allerlei grafieken, studies en lange opiniestukken worden erbij gesleept om het een of het ander te bewijzen.  Vooral, eigenlijk, om de coronamaatregelen af te doen als kletskoek. Het zou grappig zijn als het niet zo triest en soms zelfs gevaarlijk was. 

En dat veel mensen hierin meegaan, dat is niet de fout van de burger, die zich immers zorgen maakt over zijn en onze toekomst en die zich begint af te vragen of de regeringsleiders en de experts het wel bij het juiste eind hebben. Het is de fout van de overheid, die opnieuw uitblinkt in barslechte communicatie. In een uitzonderlijke situatie als deze, die bijzonder ingrijpende maatregelen met zich meebrengt, is het van primordiaal belang dat er uitgelegd wordt waar-om bepaalde zaken nodig zijn. Niet de experts moeten dit uitleggen. De experts geven de wetenschappelijke basis aan. De regeringsleiders moeten dit vertalen naar beleid. Helder, zelfzeker, vastberaden, betrokken en empathisch. Men vraagt ontzettend veel van de burger, het minste dat men kan doen, is de burger ernstig nemen en hem partner maken in de crisisaanpak. 

(Nu, om de antivaxxers voor te zijn. Dat Russische vaccin, daar zou ik misschien toch nog even mee wachten. Niet omdat het Russisch is, maar omdat het ontwikkelen van een vaccin nu eenmaal tijd vraagt. Haast en Sput(nik)*, lijken me, ook in deze, zelden goed).

(Om pseudowetenschap te ontmaskeren, kan je websites als https://www.gezondheidenwetenschap.be/ of https://www.factcheck.org/a-guide-to-our-coronavirus-coverage/ raadplegen).

*Het Russische Covid-19 vaccin heet “Sputnik V”

Het feit dat we met zijn allen nog nooit zo’n gezondheidscrisis hebben meegemaakt, verklaart natuurlijk veel.

We zijn collectief in de war en willen graag weten waar we aan toe zijn. Het feit dat dit virus, net als zijn broers en zussen, onzichtbaar en ongrijpbaar is, maakt het er niet gemakkelijker op. Het liefst willen we een vijand die we in de ogen kunnen kijken en die we kunnen vatten.

Men zegt dat het virus opnieuw de kop opsteekt, maar waar, dat zien we niet. We moeten het maar geloven. Het zou kunnen dat de persoon aan het tafeltje naast ons net besmet is geraakt, maar hé, het is vakantie en dus gaan we daar niet van uit. De teugels mogen wat losser, we hebben een jaar lang hard gewerkt, we hebben heel wat stress gehad, we hebben misschien onze geplande reis moeten annuleren, dus het zal allemaal zo erg wel niet zijn. We kennen tenslotte niemand die besmet is geraakt. En die tweede golf: wie gelooft dat nu?
Ook de ministers twijfelen toch! De ene keer is het zus, de andere keer is het zo. Als zelfs zij het niet weten en ons niet duidelijk zeggen wat we moeten doen, hoe zouden we het dan zelf moeten weten? Wie moeten we nog geloven?
Hebben die maskers nu zin of niet? Eerst hadden ze zogezegd geen nut, en dan moeten we er met zijn allen eentje op doen bij de bakker. Laten we maar vertrouwen op ons immuunsysteem. Een beetje virus, dat kunnen we wel aan. En als er een vaccin op de markt komt, je denkt toch niet dat we ons dan laten inenten! Gevaarlijke boel is het. En virussen bestaan niet eens. Ze zijn een verzinsel. Het zijn je cellen die aangetast worden door 5G en wie weet hebben die chemtrails er ook iets mee te maken.
De medicatie in de ziekenhuizen doen meer kwaad dan goed. Je mag ze niet vertrouwen. Subiet zitten er zendertjes in die vaccins en dan volgen ze je je hele leven lang. Big brother is watching, denk daaraan.

De laatste tijd begin ik me steeds meer ongerust te maken over de manier waarop we met deze epidemie omgaan. Er doen allerlei alternatieve waarheden de ronde, waarvan de ene al gekker, maar helaas ook gevaarlijker dan de andere. In het begin van de epidemie viel het nog mee, maar nu worden sociale media ingepalmd door broodjeaap verhalen, die helaas door velen worden opgepikt.

Maar waarom die tegenstrijdigheden dan? Waarom werkte eerst een bepaald geneesmiddel wel en nu weer niet? Mja, geneeskunde en gezondheidszorg zijn nu eenmaal geen exacte wetenschap. Stel je voor dat het dat wel was, dan zou dat willen zeggen dat jij en ik precies op dezelfde manier in elkaar zaten. Dan konden we net zo goed robots zijn, of klonen. Het is nu eenmaal zoeken naar de juiste medicatie en de juiste aanpak. Gelukkig zijn we daar ondertussen wel in geëvolueerd. We herkennen de ziekte beter (heb je geur- of smaakverlies: rap de dokter bellen voor een test!) en weten beter hoe we de zorg moeten organiseren. We hebben (helaas) met schade en schande geleerd. Artsen en ziekenhuizen, verpleegkundigen en zorgkundigen zijn in het diepe gesprongen en hebben alles op alles gezet om zoveel mogelijk mensen erdoor te halen.

De politieke aanpak van de epidemie zat met haken en ogen aan elkaar. Dat er daar zaken beter hadden gemoeten, dat is wel duidelijk. Misschien was het allerergste wel het gebrek aan plan, het gebrek aan mondmaskervoorraad ook. Of nee, het allerergste was het getalm om maskers te bestellen. Men wist dat men niet klaar was voor een epidemie, dus had men al in januari moeten bestellen, toen de epidemie nog slechts een verre dreiging was. Dat heeft veel kostbare tijd gekost, want latere bestellingen werden steeds moeilijker door de grote vraag wereldwijd.

Maar het feit dat onze overheid op verschillende fronten heeft gefaald, wil niet zeggen dat we ons tegen de aanpak van de epidemie moeten keren. We moeten blijven vertrouwen op de wetenschap. We kunnen niet anders. Wetenschappers zijn ons kompas, de politici bepalen de route. En dat wetenschappers het niet altijd met elkaar eens zijn, dat is normaal. Er worden theorieën ontwikkeld en die worden getoetst. Zoals eerder gezegd, het is geen exacte wetenschap. Het is een continue poging om de identiteit en de eigenschappen van het virus in kaart te brengen en om zijn zwakke plekken te achterhalen. Door verschillende ideeën te opperen en met elkaar te laten botsen, ontstaat geleidelijk aan een helderder beeld. En dat kost tijd, helaas.

Het feit dat er nu meer mensen positief testen, wordt door velen gerelativeerd omdat er zogezegd ook vaker getest wordt. Er zouden dus minder positieven zijn per aantal testen. Nu wordt het aantal testen weergegeven op de website van Sciensano, dus op zich is dat transparant.
Maar als we de cijfers van toen en van nu willen vergelijken, dan moeten we ook rekening houden met de testcriteria, die in het begin anders waren dan vandaag.
Terwijl vroeger enkel mensen getest werden die moesten worden gehospitaliseerd en die dus ernstig ziek waren, worden nu veel meer mensen getest, ook mensen zonder symptomen. Uiteraard zorgt dat ervoor dat er in het begin een groter aandeel van de testen positief was. Maar dat neemt niet weg dat we die positieve testen van vandaag niet ernstig moeten nemen.

Want ook het aantal hospitalisaties (of het aantal zwaar zieke patiënten) neemt toe. En dat is heel verontrustend. Het probleem is dat deze zwaar zieke mensen 14 dagen eerder werden geïnfecteerd. Het is zaak om die infecties, die mogelijk een bron voor verdere verspreiding kunnen zijn, op tijd te detecteren. Ja, liefst nog voor er symptomen zijn. Al helemaal in het begin van de epidemie was het immers duidelijk dat ook mensen zonder symptomen het covidvirus konden verspreiden.

Vandaar het belang van die snelle en efficiënte contact tracing. Dat moet nu op punt staan. Nu, niet einde augustus, zoals wordt beloofd.

Ja maar kom, waarom laten we die mensen niet gewoon uitzieken? Waarom laten we het virus niet gewoon zijn gang gaan, in de hoop dat zoveel mogelijk mensen immuniteit verwerven?
In principe is dat een goed idee, maar we moeten er, net als in de eerste golf, over waken dat onze ziekenhuiscapaciteit het blijft aankunnen. We moeten ervoor zorgen dat we geen keuzes hoeven te maken over wie er aan de beademing mag en wie niet. Bovendien wachten veel mensen al te lang op behandeling voor andere problemen. Bovendien hebben te veel mensen te lang gewacht om naar de huisarts te gaan, waardoor er ernstige gezondheidsproblemen zijn ontstaan. We moeten ervoor zorgen dat we ook die mensen eindelijk de nodige zorgen kunnen toedienen.

En het laatste dat we dan kunnen gebruiken, zijn broodjeaap verhalen en niet-wetenschappelijk onderbouwde theorieën, die helaas nu wel viraal aan het gaan zijn. Ik kan het de mensen die in die verhalen meegaan niet verwijten, maar toch wil ik oproepen om vertrouwen te hebben in de wetenschap en de adviezen van virologen en biostatistici.

We hebben nu iedereen nodig, alle hens aan dek, om ervoor te zorgen dat onze zorginstellingen het kunnen blijven bolwerken. Artsen, verpleegkundigen en zorgkundigen willen ook eens kunnen ademhalen. Bovendien kunnen onze economie en ons onderwijs geen tweede lockdown verdragen.

Dus ook al faalt de overheid, ook al spreken virologen elkaar tegen, ook al zijn we al die beknottende regels hartsgrondig beu. De enige manier om er uit te geraken en onze samenleving niet opnieuw op slot te doen is om met zijn allen de nodige discipline aan de dag te leggen. Nog even afstand houden dus. Ooit komt het weer goed en dan pakken we elkaar weer vast. En ook voor mij is dat liever vroeger dan later…

Ik denk vaak aan u, liefste kiezer. Het gekke is dat ik niet weet wie u bent. Dat is waarschijnlijk vervelender voor u dan voor mij, vooral als u niet voor mij hebt gekozen. Ik kan me voorstellen dat dat dan misschien wel ongemakkelijk voelt wanneer u met mij praat. Maar maak u geen zorgen. Ik weet dat echt niet en ik zal u ook niet op de rooster leggen.

Ik wil het eigenlijk ook gewoon niet weten, want omdat ik niet weet wie u precies bent, probeer ik steeds weer het beste van mezelf te geven en mijn verkiezingsbeloftes na te komen. Want ik stel mij voor dat dat waarschijnlijk de reden is dat u voor mij hebt gestemd (of u heeft ienemienemutte gedaan, natuurlijk, dat kan ook) en ik stel u niet graag teleur.

Nu is het u waarschijnlijk al opgevallen dat ik er niet altijd even afgeborsteld uitzie als op mijn verkiezingsaffiche. Dat komt omdat ik die ene keer wel mijn haar met zo’n ronde borstel had geföhnd en met van die haarclips en pluk voor pluk, terwijl ik er op gewone dagen snel eens met de haardroger door blaas, in de hoop dat het wel goed zal vallen.

Hopelijk is dat het minste van uw zorgen, maar het valt mij helaas wel op, als ik me bezig zie op video’s uit commissievergaderingen. Ik dacht altijd dat niemand naar de achterkant van mijn kapsel zou kijken, maar die camera’s zijn dus onverbiddellijk.

Maar verder probeer ik onthecht te zijn van zaken als een kapsel en me te laten leiden door principes als verantwoordelijkheidszin, eerlijkheid en redelijkheid. Gezond verstand, kortom. Gelukkig ben ik ook omringd door uitstekende medewerkers en gemotiveerde collega’s, zodat ideeën kunnen worden uitgewisseld en afgetoetst. Maar laat het gerust weten als u denkt dat het de verkeerde kant opgaat met mij. Altijd fijn als dat ook nog eens op een rustige manier kan, al blijken sociale media daar niet altijd toe uit te nodigen.

Nu, in de Kamer mag ik prachtige thema’s opvolgen: volksgezondheid, wetenschappelijke vraagstukken, landbouwbeleid en wetenschappelijke en culturele instellingen.

Ik was me in al die onderwerpen flink aan het verdiepen, toen in januari de Covidcrisis plots op mijn pad kwam. En ik moet zeggen dat het me sindsdien geen dag meer heeft losgelaten. Ik was meteen in de ban van de evolutie van het virus en heb meer wetenschappelijke artikels gelezen dan indertijd voor mijn doctoraatsstudies, schat ik zo.

Meer dan ooit is door deze crisis het belang van de gezondheidszorg op het voorplan gekomen. Meer dan ooit is het duidelijk geworden dat er nood is aan een gezond beleid. Gezond verstand, zonder taboes. Een goed gezondheidsbeleid is geen luxe optie, het is een afspiegeling van het sociale en economische gelaat van een land. Het is een pakket van onze gezamenlijk opgebouwde middelen, kennis en kunde, gebundeld en geoptimaliseerd om bij u te kunnen injecteren en om u beter te maken wanneer er iets schort aan uw lichaam of geest.

Ik hoop oprecht dat we dit moment in de geschiedenis, waar gebleken is dat een goede gezondheid het begin is van alles, kunnen aangrijpen om de organisatie van onze zorg te herbekijken. U weet al waar ik naartoe wil.  Een regionaal gezondheidsbeleid. Eigen keuzes, eigen verantwoordelijkheden. Als u niet op mij gestemd heeft, dan denkt u misschien: blablabla, de Vlaams-nationalisten maken misbruik van een gezondheidscrisis om hun agenda er door te drukken. Maar het is toch waar? Het is toch maar wanneer je de gevolgen van een beleidskeuze voelt, dat deze keuze ook sturend kan werken?

Tot nu toe is dat niet het geval. Het is een feit dat investeren in preventie ruimschoots bespaart in behandeling. In Vlaanderen wordt er meer ingezet op preventie dan in Wallonië. Maar als Wallonië de rekening niet hoeft te betalen, waarom zou ze dan investeren in preventie? En dat is uiteindelijk ook ten koste van de Walen. Ook voor hen zou een regionalisering van de zorg opbrengen, eerst en vooral op gebied van gezondheid en levenskwaliteit.

De middelen voor de gezondheidszorg moeten inderdaad erg bedachtzaam worden aangewend. Structuren moeten daarbij ten dienste staan van de kwaliteit van de zorg. Mijn pleidooi voor meer preventie en regionalisering heeft niet de bedoeling om te beknibbelen op zorg, maar wel om de middelen die we winnen door een betere preventie nog beter in te zetten voor chronische en hoogtechnologische zorg. Zodat we ons de nieuwste medicatie en technieken kunnen blijven veroorloven. Want met een beetje geluk worden worden we best oud, u en ik, en onderzoek en ontwikkeling zullen ervoor zorgen dat onze artsen steeds beter aan ons kunnen sleutelen.

Nu denkt u misschien dat de ziekenhuizen, toch een federale bevoegdheid, het goed hebben gedaan in deze crisis. Maar dat komt volgens mij vooral doordat onze artsen en het ziekenhuispersoneel zo inventief en flexibel waren, niet omdat het federale niveau adequaat reageerde. Er was immers een stuitend gebrek aan coördinatie en communicatie op het federale niveau, iets dat ik in januari al voor u heb aangekaart in de Kamer.

En dan hoor ik u zeggen dat de woonzorgcentra, die dan weer Vlaamse bevoegdheid zijn, het toch niet goed hebben gedaan. Zij waren echter afhankelijk van het federale niveau voor bevoorrading van beschermmateriaal en medische ondersteuning. Het zou veel efficiënter geweest zijn als er een samenwerkingsverband was geweest tussen ziekenhuizen en woonzorgcentra.  Een samenwerkingsverband, desnoods enkel in gevallen van crisis, maar wel op het niveau dat het dichtst bij u staat en het dichtst bij het beleid waarvoor u heeft gekozen.

Het federale niveau heeft, kortom, geflaterd – dat heeft u ook zien gebeuren – door compleet onvoorbereid een medische crisis in te duikelen. Niemand zag het aankomen, maar iedereen kon weten dat het ooit zou gebeuren. Toch moest zowat alles blijkbaar opnieuw worden uitgevonden en heeft het opzetten van comités, werkgroepen en taskforces en het zoeken naar leiding en houvast bijzonder veel onnodige energie en tijd gekost. Nochtans bestond er een pandemieplan (hier kan u lezen wat ik daarvan vond), hoewel dat blijkbaar hardnekkig genegeerd werd.

En ondertussen hoop ik toch stiekem dat ik ook u overtuig, beste niet-kiezer. Want misschien leest ook u wel mijn blogs. Stiekem hoop ik eigenlijk dat ik, samen met mijn collega’s, kan laten zien dat mijn partij een sleutel tot de toekomst kan zijn. Een partij die los staat van zuilen en dus vrij en ongebonden kan ijveren voor een duurzaam verschiet.

In die zin is het maar goed dat ik niet weet wie u precies bent, liefste kiezer. Want nu probeer ik toch steeds weer even achterom te kijken en na te denken. Over keuzes en consequenties. Over de lijn van onze partij. Omdat ik weet dat u daarop heeft vertrouwd.

Heeft u de peiling van gisteren al gezien? Mijn partij heeft behoorlijk wat procentjes verloren. Dat is jammer, want dat wil zeggen dat we u niet voldoende hebben kunnen laten zien waar wij voor staan en wat wij in onze mars hebben. Ik wil u graag zeggen dat ik heel erg geloof in mijn partij. Ik zie ernst, oprechtheid, vastberadenheid, intellect en eerlijkheid bij mijn fractiegenoten. Ik zie visie. En ook heel veel humor – ik weet niet of dat in alle partijen zo is (ik denk het niet).

Dus ik hoop dat ik u daarvan kan overtuigen. Ook als u niet voor mij gekozen heeft. Is niet erg. Ik werk ook met plezier voor u. En ik hoop dus stiekem dat ik u op andere gedachten kan brengen. Ik hoop alleszins wel dat u gelooft in mijn oprechtheid en gevoel voor verantwoordelijkheid. Dat laatste voelt soms als een last op mijn schouders, vooral als ik vind dat ik het niet goed genoeg heb gedaan, maar het voelt vooral als een enorm voorrecht.

Vandaag exact een jaar geleden legde ik de eed af in de Kamer van Volksvertegenwoordigers.

Al een jaar geleden. Nog maar een jaar geleden.

En het was me het jaartje wel. Wat heb ik veel geleerd en wat moet ik nog veel leren. Bijzonder dankbaar ben ik voor de tijd die ik al in dat federale parlement heb mogen doorbrengen.

Frieda

 

(Krokus, komkommer en corona)

Krokusvakantie, dus politiek reces deze week (reces = verlof en alweer, ik weet het). Ik had het huis eens flink onderhanden kunnen nemen, want dat was eigenlijk nodig. Ik had ook de was kunnen bijhouden of ik had naar de bibliotheek kunnen gaan en een paar boeken verslinden. Ik had de badkamer eindelijk eens fatsoenlijk kunnen schilderen. Allemaal nuttige dingen, maar het is er niet van gekomen. Eerst en vooral stonden er een paar werkbezoeken op de agenda (FAVV oftewel het voedselagentschap, een ziekenhuis en Unizo Limburg) en daarnaast heb ik nog eens kunnen werken in mijn geliefde praktijk en ondertussen kunnen bijpraten met een 25-tal patiënten. Ik weet dat je nu denkt dat je als tandarts toch niet kunt babbelen met je patiënten, maar ik kan dat wel. Op korte tijd kan je veel vertellen en veel horen ook.

En bij al die bezigheden bleek één thema telkens weer terug te komen. Het coronavirus, of wat dacht je, de talk of the town. Bij het FAVV maakten ze zich er niet al te veel zorgen over omdat het virus niet (lang) overleeft buiten het lichaam en dus niet levend uit de oven of de koelkast geraakt. In het ziekenhuis was er een stockbreuk van mondmaskers en bij Unizo stelden ze zich vragen over de impact op onze lokale economie. In mijn praktijk werden er minder handen geschud dan gewoonlijk en werden er vragen gesteld over mondmaskers. Ik moet zeggen dat de hele heisa er alvast voor heeft gezorgd dat ik mijn desinfectieskills nog eens op punt heb gesteld. Als tandarts werk je op een afstand van 10 cm van je patiënt en zit je in een besmettelijke wolk van speeksel, water, bloed en tandsteen. Bescherming van ogen, neus en mond zijn sowieso een must, voor het coronavirus net als voor eender welke andere ziektekiem. Het dreigende tekort aan mondmaskers is dus iets wat me wel wat zorgen baart.

Het toeval wil nu dat ik in de Kamercommissie Volksgezondheid thema’s als deze epidemie opvolg en dat ik de laatste dagen heel wat tijd heb doorgebracht achter mijn computer om de stand van zaken te kennen en de wetenschappelijke achtergrond uit te vlooien. Ik doe dat namelijk graag en omdat ik heb gemerkt dat er toch nog heel wat vragen en onduidelijkheden zijn, deel ik het ook graag.

Het gaat dus om een nieuw virus voor de mens, dat het eerst ontdekt werd in China (in december 2019) en dat officieel SARS-CoV-2 werd gedoopt. Dit virus is waarschijnlijk afkomstig van een dier, zoals een vleermuis, met eventueel een tussengastheer zoals een schubdier. Dat er in China ontzettend veel besmettingen geweest zijn, dat heeft iedereen die het nieuws ook maar van ver heeft gevolgd, begrepen. In het epicentrum (Wuhan, provincie Hubei) vielen de meeste slachtoffers en bleek het virus ook het meest dodelijk. Hoe dat precies komt, is niet helemaal duidelijk, maar waarschijnlijk komt dat doordat de ziekenhuizen overstelpt werden en de zorg niet optimaal kon worden georganiseerd. Tegen de tijd dat het virus andere steden had bereikt, hadden die steden zich al beter kunnen voorbereiden en konden ze ook al teren op de informatie die er ondertussen bekend was over het virus, waardoor zieken waarschijnlijk beter verzorgd konden worden en er ook minder overlijdens waren.

De exacte mortaliteit (het aantal patiënten dat overlijdt) kan nog niet worden bepaald, om twee redenen: ten eerste worden in het begin van een epidemie vooral de ernstige gevallen gedetecteerd en worden de milde gevallen minder opgemerkt. Er zullen dus wellicht meer besmettingen zijn dan gedacht, waardoor het mortaliteitscijfer (dat nu op 2% wordt geschat) uiteindelijk lager zal blijken te zijn. Van de andere kant zijn er ook mensen die nu erg ziek zijn en die nog kunnen sterven. Zij worden nu uiteraard niet meegenomen in het mortaliteitscijfer, maar kunnen de mortaliteit wel nog doen toenemen. De exacte mortaliteit kan dus pas na een epidemie worden bepaald, wanneer er gecontroleerd wordt op antistoffen in een bevolking waarin men het aantal overlijdens ten gevolge van het nieuwe coronavirus kent. Men kan dan het aantal overlijdens delen door het aantal besmettingen (mensen met antistoffen) en op die manier een correct mortaliteitsrisico bepalen. Dat is nog even wachten dus.

De mensen die overlijden, blijken vooral ouderen te zijn en mensen met een onderliggende ziekte. Vaak worden hart- en vaatziekten genoemd en aandoeningen zoals diabetes.

Je zou je dus kunnen afvragen waar we het eigenlijk over hebben. Want zo wordt dat vaak verteld, met de bedoeling om geruststellend te zijn: het zijn alleen maar 70-plussers en zieken die sterven. Nu vind ik dat weinig respectvol naar ouderen toe, maar ook naar mensen met één van de genoemde aandoeningen. Diabetes is immers een epidemie op zich en komt bij ongeveer 1 op 12 volwassen Belgen voor. Maar dat het sterftecijfer lager ligt dan dat van bv. SARS (10%) is gelukkig wel een feit.

Het probleem is echter niet zo zeer de dodelijkheid, maar wel dat het nieuwe coronavirus je nogal vaak nogal flink ziek kan maken. In 80% van de gevallen gaat het om milde symptomen, maar in 14% van de gevallen leidt het tot een ziekenhuisopname en in 5% tot intensieve zorgen. En dat is wel een duidelijk verschil met de gewone griep. Daar komt nog eens bij dat mensen nog geen basisimmuniteit hebben voor het virus. Voor de griep is die er wel. Sommigen zijn immers gevaccineerd of hebben al eerder griep gehad. Voor het nieuwe coronavirus bestaat nog geen vaccin, waardoor er een pak meer mensen besmet kunnen geraken dan bij de seizoensgriep.

De uitdaging is dus vooral om voldoende ziekenhuisbedden klaar te hebben voor het geval COVID-19 (de ziekte die door het nieuwe coronavirus wordt veroorzaakt) ons bereikt en dat zal geen sinecure zijn.

Om een epidemie beheersbaar te houden, is het daarom van belang dat er niet teveel patiënten tegelijk moeten worden opgenomen. En daar kan de overheid een rol in spelen. Wanneer we de epidemie kunnen vertragen en patiënten mondjesmaat verzorgen, dan kunnen onze ziekenhuizen en zorgverstrekkers dat aan.

En daarom is het belangrijk dat er maatregelen worden genomen. Wanneer patiënten worden gedetecteerd, is het van belang dat hun contacten worden getraceerd, zodat mogelijke andere besmette personen kunnen worden afgezonderd en opgevolgd, vooraleer ze weer anderen kunnen besmetten. Indien nodig, moeten groepen mensen worden afgezonderd, scholen worden gesloten, bijeenkomsten worden uitgesteld.

Zo kopen we tijd. En hoe meer tijd we kopen, hoe beter we onze zieken kunnen verzorgen en hoe groter de kans dat er een medicijn of een vaccin wordt klaargestoomd. We mogen ons trouwens gelukkig prijzen dat we in een land leven met excellente artsen en topwetenschappers.

Volgende week is er een actuadebat in de Kamer over het coronavirus. Ik zal de minister ondervragen over de maatregelen die ze heeft genomen. Ik zal ook vragen naar de samenwerking met de andere diensten die klaar moeten staan wanneer er een epidemie uitbreekt. En ik zal staan op een betere en heldere communicatie naar artsen en andere zorgverstrekkers, maar ook naar de bevolking.

Het heeft geen zin om te panikeren, maar het heeft ook geen zin om te minimaliseren. Door te minimaliseren zouden mensen immers kunnen denken dat er iets wordt achtergehouden (wat, voor alle duidelijkheid, niet het geval is). Of – in tegendeel – gaan ze denken dat de afgekondigde maatregelen overdreven zijn en gaan ze zich er niet aan houden.

Ik zag deze week een heel interessant informatief programma op NPO1: “Het coronavirus, feiten en fabels”. Ik kijk namelijk nogal eens naar de Nederlandse televisie. Ik vind het daar vaak veel helderder. Misschien omdat er een beetje Nederlands bloed door mijn aderen loopt, want mijn man vindt van niet. Hij verstaat die Hollanders letterlijk niet eens. Maar enfin, het concept was dus: live uitzending, met verschillende experten en de minister van gezondheid én met veel vragen vanwege de bevolking en antwoorden vanwege experten en overheid. Er werd heel duidelijk en precies geschetst wat het plan was en op welke manier de verschillende schakels in elkaar grepen. Dat lijkt me de weg om te bewandelen, als je het mij vraagt. Duidelijkheid schept vertrouwen en dat hebben we nodig. Voor onze gezondheid, maar zeker ook voor onze economie.

(De blog is wat lang aan het worden, dus over de regeringsvorming gaan we het maar niet meer hebben. Hoewel er één partij is die wel toekomst ziet in een coronacoalitie. Nodigt alleen niet zo uit, vind ik persoonlijk.)

Je zal vandaag maar zeventiger zijn en horen dat je binnen enkele jaren niet meer gereanimeerd zal worden als je een hartstilstand krijgt. Mijn nonkel, een fitte zeventiger, sprak me er alleszins over aan toen we toevallig samen bij de benzinepomp stonden te tanken. “Nog vijf jaar”, zei hij. “En dan reanimeren ze mij niet meer”. En dan, met het nodige gevoel voor pathetiek: “Maar ja, ze kunnen ons ook niet meer gebruiken, hè. We zijn overbodig aan het worden”. En mijn vader, zelfde leeftijdscategorie, stuurde me ook meteen een vlammende e-mail. Dat dit ongehoord was, wat dit in ’s hemelsnaam met leeftijd te maken had.

Even later overleed een 80-jarige Chinese toerist in Parijs aan het coronavirus. Daar hoorde een geruststellend woordje duiding bij, vanwege viroloog Marc Van Ranst. “We moesten ons alleszins geen zorgen maken, dit was verwacht. Het was een man van 80 jaar. Meestal waren het “hele oude mensen” of “mensen met een onderliggende aandoening”, die overleden”.

Het klonk een beetje als: “No worries, jij en ik, wij zijn nog lang geen tachtig! Wij zijn kerngezond. Wij zitten niet in de gevarenzone!”
Je zult maar een onderliggende aandoening hebben, zoals diabetes (hoeveel mensen hebben er niet diabetes?!). Of zogenaamd “heel oud” zijn, maar wel nog vol plannen voor de toekomst.

Hoewel ik de Chinese man in kwestie niet ken, kan ik me toch moeilijk voorstellen dat hij zwaar ziek was toen hij de Eiffeltoren en misschien nog wel meer van Europa kwam bezoeken samen met zijn dochter. Een plotse ziekenhuisopname en dan ook nog doodgaan in Frankrijk stonden sowieso niet op hun reisplanning en waren voor die man en zijn dochter allicht minder verwacht dan Van Ranst deed uitschijnen.

Om terug te komen op de studie die suggereerde dat reanimeren na 80 jaar niet meer zinvol is: natuurlijk stond er veel meer nuance in de studie dan er op het eerste gezicht uit bleek. Maar toch lijkt het me niet verstandig om een leeftijd te plakken op iets als reanimatie. Leeftijd en fitheid zijn immers twee aparte dingen. Leeftijd kan één van de vele factoren zijn die meespelen in een bepaalde medische beslissing, want hoe ouder je bent, hoe meer kans dat je gezondheid begint te haperen, maar het mag nooit de enige of doorslaggevende factor zijn.

Misschien moet ik er bij vertellen dat ik bij zulke kwesties meteen aan mijn bomma denk, die helder van geest was tot op haar sterfbed, en net geen 101 jaar werd. Zij voelde zich héél lange tijd niet oud. Zo wilde ze niet naar een rusthuis, omdat daar volgens haar “allemaal oude mensen zaten”. Ouder van geest waren ze misschien inderdaad, maar wel jonger in jaren. Een mens mag je dan ook niet herleiden tot een leeftijd, omdat dat zo weinig zegt.

Het is volgens mij bovendien niet onschuldig om de nadruk zo sterk te leggen op de leeftijd bij het aankondigen van de resultaten van deze studie.  Het hielp wellicht om het nieuws te halen, maar het getuigt volgens mij van weinig respect voor de oudere generatie en sluipt zo  ongemerkt binnen in de manier waarop we over oudere mensen denken.

Net zo tenenkrullend, volgens mij, was de zoektocht naar een term voor een “fitte senior” een tijd geleden op Radio1. In Nederland heet het een “vitalo”, naar “vitale oudere”. Vanaf 55 jaar te bezigen. (Help zeg, nog 10 jaar!). Bij ons kwam uiteindelijk “jagger” uit de bus (“jonge actief gepensioneerde”). Dat is toch verschrikkelijk, wie bedenkt nu dat er daar een term voor nodig is? Alsof de jongere generatie iets te vinden heeft van de manier waarop de generatie, die ons heeft opgevoed, zich gedraagt.

Als we ze te weinig actief vinden, dan hoeven ze bij wijze van spreken niet meer gereanimeerd te worden; als ze wat te actief zijn naar onze zin, met hun irritante meningen en koersfietsen en trappistjes op de terrassen, dan krijgen ze het etiket “jaggers” opgeplakt.

Wat dat betreft (en misschien enkel wat dat betreft), kunnen we nog wel iets van China leren.  Respect voor ouderen wordt daar tot nader order hoog in het vaandel gedragen. Vraag maar aan Confucius.

België koploper wat betreft borstkanker

Borstkanker is de meest voorkomende kanker in ons land en zorgt voor de meeste overlijdens ten gevolge van kanker.  Als we de Belgische cijfers vergelijken met de cijfers van andere OESO landen, dan hebben we bovendien de twijfelachtige eer om de lijst te mogen aanvoeren, met 112 gevallen per 100.000 vrouwen in 2012 (laatst beschikbare cijfers volgens OESO).  Dit aantal is sinds 2000 bovendien sterk gestegen (was toen 82/100.000).

Screeningsprogramma van de overheden

Het is dus belangrijk om in te zetten op o.a. screening, om zoveel mogelijk vrouwen zo snel mogelijk te kunnen behandelen als nodig.  Het bestaande screeningsprogramma, ingericht door de gemeenschappen, richt zich op vrouwen tussen de 50 en 69 jaar, omdat in die leeftijdscategorie het vaakst een vroegtijdige diagnose kan worden gesteld, met een succesvolle behandeling.

Deze tweejaarlijkse screening is gebaseerd op Europese gestandaardiseerde kwaliteitscriteria.  Een borstonderzoek op jongere leeftijd wordt niet aangeraden als er geen verhoogde kans op borstkanker bestaat (bv. familieleden die zijn getroffen) of zonder klinische indicatie, omdat de hoogenergetische röntgenstraling in verband wordt gebracht met het ontstaan van tumoren en dus een tegenovergesteld effect zou kunnen hebben.  Deze screeningsprogramma’s worden georganiseerd door de verschillende gemeenschappen, maar de terugbetaling gebeurt door de federale overheid (RIZIV).

Opportunistische screening

Een vrouw kan er echter ook voor kiezen om zich buiten dit georganiseerde screeningsprogramma te laten onderzoeken (de zogenaamde “opportunistische screening”). Deze onderzoeken zijn duurder, niet bewezen doeltreffender en ze zijn niet gebonden aan de kwaliteitscriteria die in het overheidsprogramma van toepassing zijn. Ook deze onderzoeken worden terugbetaald door het RIZIV.

Cijfers screening: communautaire verschillen zijn duidelijk

In de gewenste leeftijdscategorie wordt gestreefd naar een bereik van 75% van de vrouwen, maar daar blijken we nog niet te zijn. In totaal worden in Vlaanderen 67% van de vrouwen in de gewenste leeftijdscategorie bereikt, tegenover 54% in Wallonië en 53% in Brussel.  Bovendien wordt in Wallonië en Brussel veel vaker gekozen voor een – duurdere – opportunistische screening dan in Vlaanderen (47% en 42% ten opzichte van 16% in Vlaanderen).  Vlamingen schrijven zich dus veel meer in het georganiseerde screeningsprogramma in (51%) dan hun zuiderburen (6,8%).

Daarbovenop komt nog dat Walen en Brusselaars zich veel vaker op jongere leeftijd laten screenen dan Vlamingen.  Bijna de helft van de Waalse vrouwen (49%) tussen 40-49 jaar en 47% van de Brusselse vrouwen laat zich op te jonge leeftijd screenen, ten opzichte van 26% van de Vlaamse vrouwen (en dit aantal neemt in Vlaanderen af).

De middelen moeten beter worden ingezet

Samengevat kunnen we dus stellen dat screening op borstkanker nog te weinig Belgische vrouwen bereikt. Maar vooral in Wallonië en Brussel wordt te weinig deelgenomen aan de georganiseerde borstkankerscreening, georganiseerd door de gemeenschappen. De aanwezigheid van borstkanker is in de verschillende gemeenschappen overigens hetzelfde, waardoor het evident zou moeten zijn om voor de kostenefficiënte en kwaliteitsvolle georganiseerde screening te kiezen en niet zonder indicatie op jonge leeftijd te screenen.

Misschien is de oorzaak van de gebrekkige screening wel te vinden in een gebrek aan responsabiliserend effect, waar de gemeenschappen (hier de Franse en Brusselse) zich te weinig aantrekken van de uitgaven op federaal niveau.  Wanneer de gemeenschappen zelf zouden moeten opdraaien voor de hogere kosten van de opportunistische screening, zouden ze wellicht wel degelijk geneigd zijn om meer vrouwen aan te zetten om zich in te schrijven in de georganiseerde screening.

Borstkankerscreening is maar één aspect van de gezondheidszorg, maar wel een belangrijk aspect, gezien de hoge prevalentie en de hoge sterftecijfers.  Ook hier zou een volledige regionalisering van de gezondheidszorg wellicht betere resultaten geven.  Wanneer een gemeenschap zich inspant om een screening te organiseren, is het maar logisch dat ze hier ook de vruchten van kan plukken.  En dit is in het belang van elke gemeenschap.  Een betere screening leidt immers niet alleen tot een beter budgetbeheer, maar ook tot een snellere detectie van borsttumoren.  Het wordt tijd dat we uit de kop van het peloton geraken.

Bronnen: OESO, IMA en KCE

Het gebeurt niet zo vaak, maar het is me toch een paar keer overkomen dat ik kwaad werd tijdens mijn werk als tandarts-parodontoloog.  Ik kan die keren op één hand tellen.  Of toch maximaal op twee.

Vaak zorgen zenuwachtigheid, onwennigheid of onwetendheid ervoor dat mensen anders reageren en niet helemaal zichzelf zijn in een tandartspraktijk.  Soms zijn ze wantrouwig of overdreven defensief, vinden ze dat “alle tandartsen geldwolven zijn” of hebben ze ergens gehoord “dat het allemaal toch niks gaat helpen”.  Alle begrip daarvoor en ik vind het net een uitdaging om hun vertrouwen te winnen en ervoor te zorgen dat ze zich op hun gemak gaan voelen.  Ik leg daarbij graag uit wat er precies aan de hand is, waarom het belangrijk is om er iets aan te doen en vertel hen ook wat de behandeling zal kosten.  Het mooiste vind ik om iemand, die bang is voor de prikjes van de verdoving, zover te krijgen dat die mij toelaat om toch te verdoven (en er zijn meestal véél prikjes nodig voor een parodontale behandeling).  En dan achteraf te horen “dat het eigenlijk helemaal niks voorstelde”.  Daar doe ik het voor.

Maar vorige week werd ik dus kwaad.  En dat kwam zo.

Een nieuwe patiënt had zich aangemeld in de praktijk.  Een jonge vrouw van niet-Europese origine.  Haar man was er bij.  Ik sprak de vrouw aan en vroeg wat haar klachten waren en waarom ze naar mijn praktijk was verwezen. De man zei meteen dat ze nog geen Nederlands sprak.  Hij was ook van niet-Europese origine, maar wellicht waren zelfs zijn ouders al hier geboren.  Hij sprak alleszins prima Nederlands en ik vroeg dan ook of hij zou kunnen vertalen voor mij.  “Oké”, zei hij.

Ik vroeg of ze medicijnen nam (“nee”, zei hij), of ze allergisch was voor bepaalde producten (“nee”) en of ze misschien zwanger zou kunnen zijn.  Op die laatste vraag reageerde hij schouderophalend (“goh, zou kunnen, zeker”).  Op dat moment knetterde er al een klein vonkje in mijn hoofd.

Maar goed, ik onderzoek de jonge vrouw en ga daarna terug met haar aan mijn bureau zitten, tegenover haar en haar man.  Ik zeg aan hem dat ik ga uitleggen wat er aan de hand is en wat ik eraan kan doen en vraag opnieuw of hij kan vertalen (“ja ja”).

Ik begin aan mijn verhaal, dat ik steevast doe met een informatieboekje erbij, zodat ik ook met tekeningen en foto’s kan uitleggen wat er precies aan de hand is. De vrouw begrijpt dus inderdaad niets van mijn uitleg, al probeer ik om me met gebaren toch een beetje verstaanbaar te maken.
En dan zie ik plots dat die man gewoon op zijn gsm blijft kijken, niet mee volgt en totaal niet geïnteresseerd is.

Op dat moment wordt die vonk een soort van kortsluiting, een bliksemschicht zo ongeveer pal achter mijn ogen. Ik vraag of hij alstublieft die telefoon wil neerleggen en een beetje wil opletten.  Ik denk dat ik geweldig rood werd op dat moment en misschien kwam er letterlijk stoom uit mijn oren.  Hij staarde mij aan en legde uiteindelijk zijn telefoon weg.  Maar hij heeft niet vertaald.

De vrouw zat daar maar hulpeloos naast hem.  Alleen, in een vreemd land, met een man die niet bepaald veel met haar leek in te zitten.

Op dat moment besefte ik heel scherp hoe belangrijk het is dat mensen die vanuit een vreemd land, met een andere cultuur, naar ons land verhuizen, ook de taal machtig zijn en weten hoe het er aan toe gaat bij ons.

Leve de inburgeringscursus dus.  Het is niet onvriendelijk of asociaal om zoiets te verplichten aan nieuwkomers. En het vereiste taalniveau mag best ambitieus zijn.  Het zou getuigen van een superioriteitsgevoel als je zou denken dat nieuwkomers dat niet aankunnen.  En het kan het verschil maken tussen een gelukkig en een ongelukkig leven en tussen onderdanigheid en emancipatie.

Ik hoop maar dat Aicha (zo heette ze niet echt) snel taallessen zal volgen en haar eigen mannetje zal leren te staan.  Het  is belangrijk om je thuis te voelen in een ander land, maar ook om je niet te laten doen door mensen die wél Nederlands spreken en die wél hun weg kennen.

En verder hoop ik dat haar man gewoon met het verkeerde been uit bed was gestapt en dat hij eigenlijk de slechtste nog niet is.

 

N.a.v. artikel “De tandarts ziet patiënten in Genk, goedkope ingreep gebeurt in Turkije” in HBvL van 03/04/2019

 

Ik weet niet precies hoeveel een tandimplantaat kost in Turkije, maar het zal wel een heel pak goedkoper zijn dan wanneer je het bij ons laat plaatsen. Ik snap het dus ook wel, dat zoveel mensen in de zomervakantie “even implantaten gaan laten zetten” in het buitenland, vaak het land waar ze zelf of waar hun ouders oorspronkelijk vandaan komen. Ze spreken de taal, ze hebben het adres van familie of kennissen, ze zijn dan toch daar…
Alleen wordt al te vaak vergeten dat je een implantaat niet zomaar even kan laten plaatsen. Het is een medische ingreep. Er wordt immers een stukje speciaal metaal in je kaakbot ingeplant en het is de bedoeling dat dat met de nodige omzichtigheid gebeurt. Er is een uitgebreid vooronderzoek nodig. Er moet bekeken worden of het volume van het kaakbot wel voldoende is om een implantaat te kunnen plaatsen, of er geen belangrijke zenuwen of bloedvaten in de buurt zitten… Bovendien moet de omgeving waarin het implantaat wordt geplaatst gezond zijn. Zo is het bijvoorbeeld echt geen goed idee om een implantaat te plaatsen wanneer er problemen zijn met ontstoken tandvlees rond de nog aanwezige tanden. Dat ontstoken tandvlees is meestal immers een gevolg van een bacteriële infectie, die zich graag en gemakkelijk uitbreidt naar implantaten, met alle gevolgen van dien. Als er nog een slechte tand staat op de plek waar het implantaat moet komen, dan moet er in vele gevallen ook genoeg tijd kunnen verlopen tussen de tandextractie en het plaatsen van een implantaat. Het gaat immers om een site die veelal langdurig onderhevig is geweest aan een bacteriële infectie.
Dit alles maakt dat er in vele gevallen een hele voorbereiding vooraf gaat aan het plaatsen van een of meerdere implantaten. Eerst moet die mond immers gezond kunnen worden.
En een zomervakantie is nu eenmaal te kort om dat hele proces te doorlopen. Dus wordt er hier een daar al eens een shortcut genomen. Het implantaat wordt zonder veel boe of bah geplaatst en de patiënt gaat weer naar huis.
Met een beetje geluk gaat het vervolgens goed, maar voor letterlijk hetzelfde geld loopt het mis. Soms al na enkele dagen, maar net zo goed pas na een aantal jaar. En dan is die chirurg dus niet meer in de buurt. En wat dan gedaan? Het eerste het beste vliegtuig terug naar Turkije nemen is meestal geen optie.
Heel recent kwam er nog een man bij mij in de praktijk. Een man van Turkse origine. Ik moet zeggen dat hij zich wel een beetje geneerde toen hij vertelde dat hij “even een implantaat had laten plaatsen toen hij op vakantie was in Turkije”. En of ik eens kon kijken, want er was iets niet pluis en hij had pijn. Ja, wat doe je dan? Ik heb het er moeilijk mee om niets te doen als iemand zich meldt met pijn, maar van de andere kant wist ik niet welk type implantaat geplaatst was, of er kunstbot was gebruikt, of de ingreep vlot was verlopen of dat er complicaties waren geweest… Ik twijfelde om iets te doen, want wat als men dan achteraf zou beweren dat het door mijn ingrijpen was dat er problemen waren ontstaan? Ik heb hem dan maar – tegen mijn zin – antibiotica voorgeschreven en gezegd om zo snel mogelijk terug naar Turkije te gaan. Of dat implantaat uiteindelijk nog goedkoper is geweest, dat betwijfel ik. Zelf had hij het alleszins helemaal gehad met het tandtoerisme.
Maar uiteindelijk klopt het ook helemaal niet. In Turkije worden die implantaten wellicht – bij wijze van spreken – aan de lopende band geplaatst, terwijl er niet zoiets is als “continuïteit van de zorg”, waaraan wij als tandartsen/parodontologen/kaakchirurgen wel gebonden zijn. Als je een behandeling begint, dan ben je ook verantwoordelijk voor de opvolging ervan. Ik wil het niet eens hebben over de kwaliteit van de implantaten die wordt gebruikt of over de kundigheid van de chirurgen (die af en toe goed is en af en toe minder goed), maar ik kan me niet van de indruk ontdoen dat het niet bevorderlijk is voor het verantwoordelijkheidsgevoel van de (tand)arts wanneer ze weten dat de patiënt na een paar dagen toch terug in België zit. Dat die implantaten ook onderhouden moeten worden, dat wordt er vaak niet eens bij gezegd.
Het is zeker ook niet de eerste patiënt die ik zie die implantaten in het buitenland heeft laten plaatsen. Ik zie ze regelmatig. Eén keer een mevrouw die in haar zomervakantie al haar tanden had laten trekken en terug was gekomen met een brug van oor tot oor, ondersteund door een stuk of 8 implantaten. Terwijl haar tanden perfect nog behandeld hadden kunnen worden.
Het erge is dat implantaten vaak als een “simpele” oplossing worden gezien, omdat het redelijk goedkoop kan, terwijl er niet aan de mogelijke consequenties wordt gedacht. Dus waarom dan voor je eigen tanden zorgen als je ze net zo goed kan laten vervangen door een mooie rij, in de vorm en de kleur die je zelf gekozen hebt?
Maar wat doe je eraan? Je kan het mensen niet verbieden…
Ik hoor regelmatig pleidooien voor een betere terugbetaling van implantaten en tandkronen. Ook door ziekenfondsen.
En dan denk ik: ja. Ja, een goed idee.
Maar dan moeten we er wel eerst voor zorgen dat we inzetten op preventie en tandbehoud. Zodat er minder implantaten nodig zijn en zodat we die mensen die dan toch een implantaat nodig hebben inderdaad kunnen helpen met een terugbetalingssysteem. Het alternatief is simpelweg onbetaalbaar.
Want inzetten op tandbehoud, dat doen we veel te weinig. Hoe verklaar je anders dat wie op dit moment ouder is dan 55 jaar en de pech heeft om parodontitis te krijgen, helemaal geen terugbetaling krijgt om die bacteriële infectie onder controle te krijgen? Wie jonger is dan 55 jaar krijgt wel een stuk terugbetaald, maar veel te weinig. En dat terwijl je tanden kan verliezen wanneer parodontitis niet tijdig behandeld wordt. Wordt het wel tijdig behandeld en goed opgevolgd, dan kun je het steunweefselverlies stoppen. Helaas is een levenslange opvolging en een nauwgezette mondhygiëne hierbij essentieel om de bacteriële tandplaque die die infectie terug in gang kan zetten een halt toe te roepen.
Dat de ziekenfondsen en politici daar nu eens samen voor gaan strijden. Het hele terugbetalingssysteem herbekijken en de focus leggen op preventie en tandbehoud, zodat duurdere ingrepen zeldzamer en dus ook betaalbaar worden.
Ik zet me alvast schrap.

(Over die Turkse tandarts die vanuit Genk mensen zou ronselen om in Turkije implantaten te laten plaatsen: ik hoop dat zijn diploma hier erkend is. Ik hoop dat die patiënten correct voorbehandeld worden. En ik hoop dat hij zijn patiënten ook na de chirurgie zal opvolgen).

Mijn mama was, toen ik klein was, een uitzondering in ons kleine dorp. Zij koos ervoor om te blijven werken toen ik geboren was en is dat blijven doen tot mijn oudste zoon geboren werd. In die tijd was dat niet vanzelfsprekend en ik moet zeggen dat ik hier en daar wel wat medelijden losweekte wanneer ik na school niet naar huis kon, maar naar mijn onthaalgezin “moest”. Nu wil ik daar meteen aan toevoegen dat mijn zus en ik het getroffen hebben bij dat onthaalgezin, waar ik tot mijn zesde leerjaar voor en na school en in de vakanties terecht kon. In die tijd was er geen sprake van ouderschapsverlof en halftijds werken was wellicht niet gebruikelijk, dus mijn mama werkte fulltime, nine to five. Waarschijnlijk voelde ze zich daar enigszins schuldig over, maar van de andere kant was ze, voor zover ik kan inschatten, gewoon goed in haar job en deed ze haar job graag. Werken werd in ons gezin nooit afgespiegeld als iets dat “moest”, maar als iets dat er bij hoorde en dat dus een deel van het leven was. De “work-life balance” was nog niet uitgevonden en daar werden dus ook geen vragen over gesteld. Van de andere kant zochten mijn ouders na de werkuren ook niet veel extra bezigheden op. Ook mijn papa had een drukke job en als hij thuis was van Brussel, dan was hij er ook, samen met mama, voor ons.  Er werd veel in de tuin gewerkt, we hadden dieren, er werd veel gedoehetzelfd en mijn zus en ik werden overal in betrokken.  Van het halen van hooi tot het bekleden van het plafond op de zolder.  Ik mocht knutselen, timmeren, boren, schilderen, nooit heb ik gehoord dat zoiets “niet voor meisjes” was.
Ondanks het medelijden dat ik kreeg van ouders van klasgenootjes, vond ik dat ik de beste ouders van de hele wereld had en was ik apetrots op hen.
Mijn ouders zeurden niet en leerden ons ook om niet te zeuren. Leerkrachten werden niet tegengesproken, uit school blijven kon alleen als er koorts bij te pas kwam. Ondanks mama’s afkeer van de kerk (wat ik pas later ontdekte), moesten we op zondag naar de mis (hoewel ze het ook niet zo erg vonden als ze mijn zus en mij “niet vonden” als we ons weer eens verstopt hadden om kwart voor tien).
Ze leerden ons ook om verantwoordelijkheid te nemen en nooit hebben mijn ouders aan ons getwijfeld. Ze steunden mij en mijn zus in onze studies, maar ze keken niet op onze vingers. Toen ik, net zoals mijn oudste zoon nu, in mijn zesde jaar van de humaniora zat en een studiekeuze moest maken, was geen enkele studiekeuze uitgesloten “omdat ik een meisje was”. Ik had het gevoel dat ik alles mocht worden wat ik wou. Dat was voor mij ook heel logisch. Ik ben helemaal niet bewust feministisch opgevoed, ik denk trouwens dat mijn mama het niet zo begrepen had op de “aanstellerige” dolle mina’s, maar dat mannen en vrouwen evenwaardig waren, dat was thuis een vanzelfsprekendheid. In die mate dat ik in de lagere school hevig protesteerde toen de zuster kwam vragen welke jongens er misdienaar wilden worden. Ik heb toen een heel betoog afgestoken tegen de zuster, omdat ik het niet eerlijk vond dat meisjes geen misdienaar konden worden. Toen de zuster een tijd later kwam vertellen dat ze het besproken had met de pastoor en dat ze besloten hadden dat nu ook meisjes misdienaar mochten worden, stond ze al klaar om mij op de lijst te zetten. Maar ik wou zelf helemaal geen misdienaar worden. Het was me puur om het principe te doen.
Gelukkig merk ik aan mijn dochter en zonen dat zij het heel logisch vinden dat meisjes en jongens gelijkwaardig zijn en de verhoudingen zijn op één generatie tijd ook bijzonder sterk veranderd.  Maar niet in alle gezinnen is dat vanzelfsprekend, zelfs vandaag niet. Daarom wens ik, op internationale vrouwendag, iedereen ouders toe die inzien dat meisjes een even grote rol kunnen spelen in de toekomst als jongens. Ik wens iedereen leerkrachten toe die meisjes en jongens kunnen enthousiasmeren en ervan overtuigen dat ze alles kunnen worden wat ze willen. Onderwijs voor meisjes is in veel landen, waar overbevolking en onderdrukking het leven moeilijk maken, de sleutel tot vrijheid en onafhankelijkheid. En ik wens ook iedere vrouw een boeiende job toe, waar ze haar creativiteit en passie in kwijt kan en een partner en een maatschappij die haar ondersteunen, zodat er geen plaats is voor schuldgevoelens. Net zoals ik dat iedere man toewens, overigens.
Hopelijk kunnen we die internationale vrouwendag dan snel reduceren tot een paragraaf in de geschiedenisboeken van onze kleinkinderen. Iets ouderwets en moeilijk te begrijpen.

IMG_5866.png

Brief van Rik (mijn papa) aan Mathieu (zijn broer), zoals hij dat bracht tijdens het afscheid op 01/02/2019 (Hangar 58, Bokrijk)

Huis Gijbels in Ellikom lag een beetje alleen, tussen bossen, hei, nog bossen, een wei met stomme schapen en in de schuur enkele varkens en kippen. Het decor waar vijf kinderen genoten van een mateloze vrijheid om ganse dagen te ravotten in de bossen of aan de Slagmolen. We hadden ouders die ons dat gunden. Zij gaven, toen al, de pedagogen van nu het nakijken.
We zijn werkelijk opgegroeid in de bossen, en als dat ooit aan onze manieren te merken is, dan hoop ik dat daar begrip voor is.
In onze familie waren er twee krakken en drie softies.
De softies waren Lisette, Jan en ik. Wij dateren van vlak voor en vlak na de oorlog.
De krakken waren Alex zaliger en Mathieu, beiden midden in de oorlog geboren. De softies konden zich verzoenen met de school, terwijl de krakken leden aan een chronische schoolbank-allergie, of liever zij genoten daarvan.
Mathieu was de superkrak en hij heeft er voor gezorgd dat ons leven nooit saai is geweest. Hij is altijd de peper en het zout geweest in ons familiaal leven.

Ondernemer word je niet. Je bent het of je bent het niet. Het zal in de genen zitten of het zal niet zijn.
Bij onze Thieu was het heel duidelijk.
Het commerciële zat er al in op de kleuterklassen. Als het ging om het ruilen van knikkers, of prentjes of wat dan ook, je kon er donder op zeggen dat hij er als winnaar uitkwam en dat de ander de sigaar was.
Zijn activiteitsniveau was immens. Hij was altijd creatief bezig: katapulten maken om de fauna in de bossen te teisteren, zijn fiets opsmukken, moto`s demonteren en terug monteren, zijn geliefde Vespa pimpen tot en met. En hij hield alles altijd netjes geordend. Perfectionisme en discipline zaten diep ingebakken.
Ik vond dit gekke eigenschappen.
En wat was hij een proper kereltje ! Graag netjes gewassen, de haren perfect gekamd, en liefst propere kleren. Toen de lange broek er aankwam wou hij die persé altijd zelf strijken. Die plooien moesten messcherp zijn.
Hieruit bleek ook zijn ijdelheid en fierheid.
Bij wat hij ook deed kon Mathieu erg diep gaan. In alles wat hij deed was het doorduwen geblazen. Hij had het talent om een goede langeafstandsloper te worden, want hier ging het ook om diep te kunnen gaan. Nooit afgeven en steeds maar grenzen verleggen. Hij kon ook diep gaan in zijn jonge uitgaansleven, en stevig de bloemetjes buiten zetten.
De jonge Thieu was ook een onvervalste charmeur. Op de lagere school werd er een beetje gecommerced om het knapste meisje, met bidprentjes en zo, en dus was hij ook hier winnaar. Maar ook als hij iets mispeuterd had bij onze pa en ma, hij wist hen steeds weer om de vinger te winden; en hij was dan weer de goeie, en wij de pineut.

Maar wat niet iedereen weet is dat Mathieu ook een bangerik was. Hij was echt bang in het donker. Wij hebben daar eigenlijk veel jaren serieus misbruik van gemaakt, dat moeten we bekennen. En ik weet dat hij ook als volwassene nog lange tijd gewoon bang in het donker is geweest. Maar bang om risico` s te nemen dat zat er echt niet in. Dat zou heel snel blijken als hij volwassen werd

Mathieu wou en zou zijn eigen baas zijn. Niets kon hem tegenhouden. Met stuk en brok bouwde hij zijn eigen bedrijfsgebouwen. En dan was het tweemaal feest: eerst als een gebouw klaar was, en dan, twee jaar later, als de bouwvergunning binnenkwam.
Want bureaucratie en ambtenarij zag hij als een zwaar obstakel. Later is dat uiteraard wel iets gebeterd.
Mathieu heeft veel jaren mateloos gewerkt: 16 uren per dag en 7 dagen per week. Echt niet normaal.
De pioniersperiode was soms wel erg boeiend. Onze pa heeft het niet meer kunnen meemaken, maar de risico`s, die Mathieu nam, deden ons ma, en ook ons, toch wel de wenkbrauwen fronsen, om het héél eufemistisch uit te drukken. Altijd maar doorduwen.
In die tijd keek hij op het einde van het jaar altijd even naar de cijfers. Als die goed waren dan nodigde hij ons met nieuwjaar uit om eens lekker te gaan eten. Als compensatie voor de onrust in onze gemoederen. Want ook bij de familie heeft hij altijd de charmeur uitgehangen.
Of Mathieu ook een charmeur was bij de dames, dat weet ik niet. Daar heb ik nooit op gelet.

Wat een kerel ! Je moet misschien midden in de oorlog geboren zijn om zo een krak te zijn. Wie weet ligt ook hier de verklaring voor dat bang zijn. Schuilkeldersyndroom.

Over de realisaties van Mathieu spreek ik hier niet. Die zijn te zien in elke gemeente van het land, en honderden werknemers kunnen hier van getuigen. En zij kunnen ook getuigen hoe die kenmerken, uit de kindertijd van Mathieu, altijd terugkwamen in zijn leven als ondernemer.

Mathieu was zo verstandig zijn bedrijf op tijd over te dragen aan Mathi. Op die manier heeft hij nog een aantal jaren zijn sportieve en culturele dimensie kunnen manifesteren.
Sport, muziek en zang, hij genoot er immens van.

In dat ongelooflijke leven is er altijd een enorm sterke rots in de branding geweest, en die rots heet Anna ! Zonder haar was het echt niet gelukt. En dit weet iedereen, en zeker Marianne, Mathi en de kleinkinderen.
Wij, zus en broers zijn erg dankbaar hoe mooi Anna samen met Marianne en Mathi onze broer hebben begeleid naar het einde. Dat is klasse en werkt ook voor ons erg troostend.

Mathieu, beste krak, dood zijn is relatief, echt waar. We zien dat je DNA manifest aanwezig is in je kinderen en kleinkinderen. Dus, je leeft echt verder !

Kort voor je dood was er dat intens moment van afscheid. Het lukte me om te zeggen: ¨Alles is OK. Gank nu mer hiel restig. De hoofs nerges bang vier te zeen.¨ En je zei heel zacht, maar zelfzeker: ¨ Ich bin neet bang. Ich bin écht neet bang. ¨
Toen dacht ik: ¨Het is voor hem heel duidelijk dat het op zijn eindbestemming niet donker is !¨
Rik
1 februari 2019

%d bloggers liken dit: