Wan Toe Frie

persoonlijke blog van Frieda Gijbels

Naar aanleiding van dit artikel (zeker eerst even klikken op de link), sloeg mijn fantasie op hol.  Het kan toch niet waar zijn dat er wildcamera’s worden gebruikt om misdaad te bestrijden? Er moet dus een andere reden zijn:

Zoals elke tweede donderdag van de maand, zat hij tot ’s avonds laat op zijn bureau met zijn medewerker, en zijn aantekenboekje. De medewerker was weer op pad gegaan om alles op te halen en burgemeester B hoefde dan alleen maar te turven. Hij had er een speciaal systeem voor ontwikkeld. Hij had kolommen voorzien in zijn aantekenboekje, en boven elke kolom stond de naam van de specifieke species. Nu ze ongeveer een jaar verder waren, wisten ze wel welke soorten ze konden verwachten, en er stond dan ook al een heel aantal kolommen op het blad, netjes op alfabetische volgorde: buizerd, das, egel, everzwijn, hond, kat, muis, rat, ree, uil, vos. Nu, dat die “kat” en “hond” geen wildsoorten waren, dat wist hij wel. Maar het was wel zo handig om ze toch op te tekenen. Moest er dan iemand in de buurt zijn hond of zijn kat kwijt zijn: de kans was groot dat burgemeester B hem had gespot. En dat kon dan toch weer tellen, als dienstbetoon.

Niemand wist dat hij die geheugenkaartjes zelf allemaal uitlas, behalve zijn trouwe medewerker. Hij stuurde hem elke maand op pad om de wildcamera’s op te halen, hij haalde de kaartjes eruit en bekeek dan wat er was gefilmd. Hij moest soms een hele nacht opblijven om alle kaartjes te kunnen bekijken. In zijn groene gemeente was het ’s nachts nog relatief rustig en stil, en hij had dan ook al heel wat wild kunnen spotten. Ondertussen was hij zo getraind, dat hij maar een schim van een dier nodig had, een silhouet, om te weten met welk dier hij te maken had. Als hij alle geheugenkaartjes bekeken had en van elke soort het gepaste aantal had geturfd in zijn notitieboekje, dan verhuisden de camera’s weer van plaats. 31 mogelijke locaties waren er goedgekeurd in de gemeenteraad. Zogezegd om een oogje in het zeil te houden voor sluikstorters, dieven, vandalen. Maar dat was natuurlijk niet de werkelijke reden. Hahaha, dat ze daarin waren getrapt! Wie gebruikt er nu wildcamera’s om misdaad te bestrijden!

Burgemeester B was een echte natuurmens. In hart en in nieren. Overdag was hij de burgemeester van de mensen, ’s nachts klopte zijn hart voor het wild in zijn gemeente. Het allerliefst zou hij heelder dagen ronddolen in de bossen, met zijn houthakkershoedje (compleet mét pluim), zijn donkergroene ribfluwelen broek en zijn lange laarzen. Het stond hem, dat moest zijn vrouw ook toegeven. Maar dat moest voorlopig nog even wachten. De mensen zouden raar opkijken en het niet begrijpen.
De laatste tijd was hij zenuwachtiger dan anders. Hij kon nauwelijks wachten tot het weer de tweede donderdag van de maand was. Want hij had stiekem nog een kolommetje toegevoegd. Hij had het zijn medewerker nog niet verteld – je mocht het lot tenslotte niet tarten. En niet dat hij de kans groot achtte, maar je wist het maar nooit. Het kwam ook nog eens goed uit dat de naam van de species die hij hoopte te spotten, met een “W” begon. Dat kolommetje kon er dus gewoon aan de rechterkant nog bij. Ach, als die Wolf toch eens zijn gemeente wilde bezoeken! Hij zou er gegarandeerd de krant mee halen. En hij zou die burgemeester L, die zijn gemeente zo graag wou overnemen, eindelijk eens de loef kunnen afsteken. Want L, die had geen wildcamera’s. En ook al moest die wolf, komende van Bocholt, eerst doorheen de gemeente van burgemeester L, hij zou pas in zijn eigen gemeente worden opgemerkt. Hij had al uitgebreid informatie opgezocht in de bibliotheek (na het sluitingsuur uiteraard), zodat hij zich vooral niet zou vergissen als de eerste de beste Mechelse herder voor het oog van de camera zou verschijnen.
Hij stak het laatste geheugenkaartje in zijn computer. De kans werd klein dat hij vanavond nog een wolf zou spotten. Een das, dat wel, toch ook eerder uitzonderlijk. Een reetje, een vos. Een auto die stopte. Ach kijk, ja, die kende hij wel, een brave burger. Maar wat deed die nu? Zette hij nu zijn vuilniszakken zomaar in de berm? Maar enfin! Wat nu gedaan? Hij kon hem toch moeilijk in zijn notitieboekje gaan turven, want in welke categorie moest hij dan?
Gelukkig was zijn medewerker net koffie gaan halen en had hij eerder al eens gezien hoe dat moest, zo een geheugenkaartje wissen. Hij zou wel zeggen dat hij proactief was geweest en zijn medewerker werk uit handen had willen nemen.
De volgende keer zou hij toch instructies geven om de camera niet meer op de weg te richten, maar op de bossen en de velden. Minder kans dat er mensen in beeld liepen, dan, en meer kans om de Wolf te zien.
Het beeld van die brave burger die zijn afval dumpte bleef wel op zijn netvlies gebrand. Gelukkig was hij de enige die het wist. Zo waren er overigens vele dingen, waarvan niemand iets wist, behalve hij. Het was dan ook ondertussen zijn lijfspreuk geworden: “wat niet weet, niet deert”.

Dit jaar ben ik 20 jaar tandarts.  Er werd me gevraagd eens terug te blikken.  Ik deel mijn overpeinzingen graag met u…

Twintig jaar tandarts. Bijna ben ik even lang tandarts als niet-tandarts, als dat laatste woord al zou bestaan. Meer dan de helft van mijn leven nemen “tanden” een centrale plaats in in mijn leven. “Tanden”, godbetert. En zeggen dat de keuze om aan de studie tandheelkunde te beginnen niet meer dan een impulsieve ingeving is geweest. Ik had me namelijk eigenlijk ingeschreven voor geneeskunde, maar was overrompeld door het grote aantal studenten en overmand door twijfel of ik mezelf wel voldoende zou kunnen onderscheiden van al die anderen. Want huisarts worden, dat wou ik destijds liever niet. Hoofdzakelijk omdat ik al samen was met mijn man, wiens vader, zus en twee broers al huisarts waren. Ik zag het al gebeuren. In één kabinet met mijn schoonfamilie. Die het steevast beter zouden willen weten. No way. Dus werd de inschrijvingskaart geneeskunde omgeruild voor eentje van tandheelkunde.

De eerste dagen van de opleiding tandheelkunde had ik bijgevolg meteen al gemist. Dat labo “gipssculptuur” moest ik dus inhalen. Hoe creatief en artistiek dat labo ook had geklonken, zo strikt en rigoureus bleek het te zijn. Stante pede werd duidelijk dat de ingesteldheid van de opleiding tandheelkunde niet per se strookte met mijn antiautoritaire trekjes. Van nature ben ik iemand die nogal eigenwijs is en graag haar zaken plant op haar eigen manier. Die de deadlines wel zal halen, maar pas efficiënt wordt als de tijd dringt en de nood voldoende hoog is. Tussen haakjes: eigenlijk had ik, als ik mijn hart had gevolgd, naar de kunstschool willen gaan. Maar mijn vader vond “dat ik eerst maar een normaal beroep moest leren”.
Elke dag om kwart over 8 die kelder in en elk plexiplaatje of frasacotandje millimeternauwkeurig uitboren… nee, ik zag er het nut niet van in, laat staan de lol. Het was niet dat ik niet handig was, maar het Spartaanse regime en het schijnbare gebrek aan vertrouwen werkten compleet averechts voor mij.

In de eerste les scheikunde werd ik ook meteen met mijn voetjes op de grond gezet. De prof had het voortdurend over “pH”, maar het was me een groot raadsel wat hij toch maar kon bedoelen. Het meest verontrustende was nog dat mijn medestudenten druk notities maakten en de indruk wekten te begrijpen waar het over ging. Komende van een klassieke Latijn-Griekse opleiding, bleek ik volkomen onderontwikkeld te zijn wat scheikunde betrof. Hetzelfde bij wiskunde. Ook daar had ik de eerste lessen geen flauw benul van wat er werd verteld. Gelukkig bleek mijn toenmalige vriend (huidige man) van nut. Hij had – godzijdank – 8 uur wiskunde gevolgd in het secundair. Het drukke studentenleven belette hem om mij bijles te geven, maar hij vond nog net de tijd om zijn handboeken op te duikelen, waardoor ik erin slaagde bij te benen. Meer nog, wiskunde bleek me goed af te gaan. En ik deed het nog graag ook.

Maar wat ik nog veel liever deed dan wiskunde, was fysica. De lessen fysica van wijlen professor Michiels, die waren gewoonweg hemels. Dat bleek een afwijking van formaat te zijn, want zowat elke medestudent verafschuwde de lessen en had een heilige schrik van de man. Maar zijn lessen, waarvan ik er geen enkele heb gemist, staan in mijn geheugen gegrift. Nu nog denk ik regelmatig terug aan zijn uitspraken en aan de voorbeelden die hij aanhaalde. Mijn examenresultaten waren navenant. Biologie, dat was nog zoiets dat me goed lag. Met chemie is het nooit helemaal goed gekomen.

In de jaren die volgden, leek het wel alsof ik niet echt voor tandheelkunde in de wieg was gelegd. De algemeen medische en wetenschappelijke vakken vond ik allemaal boeiend. Hoe meer de vakken zich echter toespitsten op tandheelkunde, hoe minder goed ik het ervan af bracht. Aan de practica in het kelderlabo heb ik nooit kunnen wennen. Het was me te schools, te technisch, te weinig medisch ook. Uiterlijk ben ik misschien nooit een rebel geweest, innerlijk wou ik het liefst stoppen en iets anders gaan doen.

Ik heb volop genoten van het studentenleven, maar had eerder oppervlakkige contacten met mijn medestudenten. Mijn toenmalige lief studeerde voor bio-ingenieur en ik vond het veel boeiender bij die boerenkotters. Menige avond en nacht heb ik in Heverlee, in de Gnorgl, doorgebracht. De meeste studenten tandheelkunde vond ik toen te “bourgeois”. Ik voelde me een beetje een vreemde eend in de bijt bij al die hemdjes, sjaaltjes en truitjes met een merk op. Zelf droeg ik lange rokken, in voornamelijk de tinten zwart en donkerpaars.

Ik had waarschijnlijk niet de juiste ingesteldheid om het maximale uit mijn studies te halen. De typisch tandheelkundige vakken boeiden me maar matig. Ik weigerde om patiënten in mijn familiekring te zoeken voor de praktische examens en kwam zo nogal dicht bij een scenario “hakken over de sloot” in mijn laatste jaar.

Gelukkig had ik in de loop van de jaren wel ontdekt dat parodontologie misschien nog het dichtst in de buurt lag van wat ik “later” zou willen doen. Er waren alleen nogal veel kandidaten in mijn jaar die graag parodontoloog wilden worden. De vraag om een studiebeurs aan te vragen om een doctoraatsonderzoek te financieren, kwam als een geschenk uit de hemel. Ook een andere jaargenoot begon aan een doctoraat en op die manier konden er vier jaargenoten aan de opleiding parodontologie beginnen, in plaats van de gebruikelijke twee. Bovendien had ik zo ineens nog 5 jaar respijt voor ik echt “aan de bak” moest.
Professor Reinhilde Jacobs bleek de perfecte promotor te zijn voor mij. Het klikte meteen. Een doctoraat in de radiologie verruimde mijn horizonten, zowel op wetenschappelijk als medisch vlak, en ik leerde in die vijf jaar enorm veel. Netwerken, presentaties maken en geven, les geven, reizen. Dat lag me wel en even dacht ik eraan om misschien wel naar het buitenland te gaan, en een eerder academische carrière uit te bouwen. Ondertussen was ik immers getrouwd en het zag er volgens bepaalde specialisten naar uit dat het moeilijk zou worden om kinderen te krijgen.

Maar plots bleek ik dan toch zwanger. In de loop van mijn opleiding parodontologie en doctoraatsstudie werd ik moeder en ik werd zelfs een tweede keer zwanger, zodat ik mijn doctoraat mocht verdedigen met één zoon in het publiek en één zoon in mijn buik.
De plannen om naar het buitenland te trekken werden dus maar opgeborgen. En de zoektocht naar een plek voor een eigen kabinet begon. Uiteindelijk werd dat Opglabbeek, waar een huis van een tandarts te koop stond. De start van de praktijk verliep bijzonder vlot. Al gauw werden patiënten door tandartsen in de omtrek verwezen en na enkele jaren kwam er een collega bij. De praktijk werd te klein en ik keek uit naar een grotere ruimte. Dat werd dan het huis waar mijn zus een kinesitherapiepraktijk runde. We organiseerden het zo, dat we een gemeenschappelijke balie hadden en er kwamen meer collega’s bij. Nu werken we met drie behandelstoelen, vijf parodontologen en twee assistenten.

Toen de kinderen wat groter werden en de praktijk goed begon te lopen, begon het weer te kriebelen om eens iets anders te ondernemen. Door mijn engagement in de Belgische Vereniging voor Parodontologie, waar ik enkele jaren voorzitter was van de Beroepscommissie, kwam ik in aanraking met de politiek achter het gezondheidszorgbeleid. En dat interesseerde me wel. Geleidelijk aan ben ik me meer gaan engageren, totdat het nu een part-time bezigheid is geworden. Dat de thema’s gezondheidszorg en welzijn me interesseren is vanzelfsprekend, maar ook sociale cohesie en de samenlevingsproblematiek in een multiculturele omgeving vind ik bijzonder boeiend. Het nadenken en het bredere engagement houden mijn hoofd fris. Door de vele contacten met allerlei mensen in de praktijk kan ik het beleid bovendien toetsen aan de perceptie en aan de realiteit.

Terugkijkend naar twintig jaar geleden, zou ik toch één en ander anders hebben gedaan. Ik zou me meer tussen mijn medestudenten hebben proberen integreren en ik zou een actievere rol hebben gespeeld in mijn jaar of in de opleiding. Voor de komende generaties tandartsen, hoop ik dat er voldoende aandacht blijft gaan naar het medische aspect van de opleiding en van hun latere beroep. De technische aspecten vragen handigheid, die voor een stuk al aangeboren is, het medische luik vraagt kennis, nieuwsgierigheid en verder kijken dan alleen die mond. En empathie, iets wat voor mijn part ook zou mogen worden getoetst. De nadruk op het medische aspect en het sociale belang van de mondzorg is volgens mij de enige manier om tandheelkunde te profileren als een aantrekkelijk beroep voor nieuwe studenten en om aanspraak te kunnen maken op een significant deel van het preventieve en curatieve gezondheidsbudget.

Gedurende mijn hele studie heb ik erover gedacht om toch maar over te stappen naar geneeskunde, en nooit heb ik de stap gezet. Uiteindelijk ben ik graag tandarts-parodontoloog. Het boeiende aan deze job zijn de dagelijkse contacten met mensen uit alle lagen van de samenleving. Het bijzondere is dat we mensen echt kunnen helpen met mondgezondheidsproblemen, die voor ons soms een kleine technische ingreep betekenen, maar voor hen een wereld van verschil. Ik kijk er naar uit om te helpen ons mooie beroep te verdedigen, naar waarde te laten schatten en veilig te stellen voor de toekomst.

Frieda Gijbels
tandarts sinds 1998

 

Mijn ouders zijn verzeild geraakt in een diepe crisis en de oorzaak heet afval.
Ellikom en Wijshagen zijn geslachtofferd om vanaf 1 januari 2018 deel te nemen aan het proefproject van Limburg.net, met als doel het verhogen van de efficiëntie van het afvalophalingsproces. Het heet dat deze twee kerkdorpen werden aangeduid omwille van hun alom bekend hoog niveau van burgerlijke verantwoordelijkheidszin.

In december werden de Ellikommenaars gesommeerd om hun nieuwe afvalzakken af te halen in het Buurthuis. Tevoren werkten we, net zoals in de rest van de gemeente, met afvalcontainers. Mijn vader kwam met de zweetdruppels op het voorhoofd terug thuis. Hij legde de rolletjes zakken op tafel: bordeaux voor huisvuil, blauw voor PMD, geel voor zachte plastics, oranje voor textiel, wit voor groenafval, transparant voor organisch keukenafval en lichtgroen voor composteerbaar materiaal. De reden voor zijn paniek: ze waren allemaal ongeveer hetzelfde voor hem, alleszins tinten van dezelfde onbestemde kleur. Je moet namelijk weten dat mijn vader kleurenblind is. Als je hem tegenkomt met twee verschillende sokken aan of met een trui die echt niet bij zijn broek past, dan komt dat omdat hij vertrokken is zonder dat mama hem gezien heeft.

Gelukkig sprong mama ook nu in de bres. Samen gingen ze rond de keukentafel zitten om te bekijken op welke manier ze de huiselijke afvalprocedure en het bijhorende kleurenprobleem het hoofd zouden bieden.
Eerste conclusie: er moest plaats worden gemaakt. Want het afvalsorteringsproject zou zo te zien behoorlijk wat ruimte vergen. Dus toog papa naar de kelder, voor een grote opruiming. Vervolgens kwamen er 7 kartonnen dozen naast elkaar, elke doos voor een andere kleur zak, en mama zou op elke doos de naam van de veronderstelde inhoud noteren. Op elke doos zou ze dan ook een klein stukje plastic van de respectievelijke zak plakken zodat papa altijd mooi kon vergelijken als hij nieuwe zakken moest plaatsen. Ingenieus zijn ze wel, die ouders, en ze hebben ook een klein beetje vrije tijd, zoals je merkt.

Toen papa het gedane werk rustig in ogenschouw nam begon hij zich vragen te stellen.
Plots realiseerde hij zich dat hij een composthoop had en hij flikkerde de groenafvaldoos aan de kant. Dan dacht hij er aan dat de buizerd vijf van zijn kippen had gedood, maar er nog twee had laten zitten, en de doos organisch keukenafval moest er eveneens aan geloven. En het textiel, dat werd toch voor Sint-Vincentius bewaard: hupsakee, weer een minder.
Zo werd de keldersituatie en de kleurenmiserie toch weer beheersbaar.

De kelder leek dus onder controle, maar de logistieke gevolgen van het afvalbeleid in de keuken waren nog niet aan bod gekomen. De klassieke afvalemmer in de keuken werd door papa eveneens naar buiten gekieperd. In de Hubo vond hij drie kleine rechthoekige emmertjes die het afgedankte ronde geval moesten vervangen: eentje zachte plastic, eentje huisvuil, eentje PMD. Maar dan moest mama ook nog eentje “kippen” hebben en eentje “compost”, en daar was geen plaats voor te vinden, tenzij tussen de casserollen. Wat een discussies, wat een groene ellende!

En dan begonnen mijn ouders zich af te vragen hoe deze afvallogistiek in godsherenaam zou georganiseerd worden in appartementsgebouwen. Zou daar een extra kelderverdieping voor voorzien worden?

Mijn ouders kregen er zowaar een punthoofd van. Om een en ander in zijn context te plaatsen moet ik misschien even duiden wat ik van de overlevering heb meegekregen over vooral mijn papa zijn jeugd. Afval was een zo goed als onbestaand probleem. De varkens aten alles wat volledig of gedeeltelijk organisch was. Textielafval bestond niet, want de kleren van de oudste werden door papa als nummer vijf afgedragen. PMD was nog niet geboren. Groenafval werd samen met zachte plastics opgestookt. Buizerds hadden nog niet het lef tot hier te komen. Reigers zouden totaal kansloos zijn tegen de katapulten. Bossen waren de hoofdverblijfplaats voor de overgelukkige kinderen. Niets moest en alles mocht. De vrijheid was onbegrensd.
Niet moeilijk dat ze het af en toe moeilijk hebben met de hedendaagse politieke correctheid en het – in hun ogen – soms overdreven ecologische bewustzijn. Nochtans is mijn vader een “groene jongen”, in die zin dat hij dagen in bossen en velden zou kunnen doorbrengen en dat hij apetrots is op onze lokale natuur. Alleen, dat die buizerd en reiger zo sterk beschermd worden en in groten getale zijn kippen en vissen kunnen komen stelen, dat blijft wel steken.

Persoonlijk ben ik naar de Ikea getrokken en heb ik in onze kelder een heus containerpark georganiseerd. Drie bakken met klapdeksel en daarbovenop twee grote vuilnisbakken. Ernaast een doos voor textiel, een doosje voor batterijen en eentje voor lampen. Het compost en het keukenafval worden op ons keukeneiland gestockeerd. Ik ben behoorlijk enthousiast aan het sorteren. Vraag maar aan de kinderen, die de laatste dagen regelmatig naar hun voeten krijgen omdat het plastic bij het huisafval ligt. Tegelijk hoop ik dat we niet met zijn allen in de luren worden gelegd.

Want limburg.net mag dan beweren dat dit alles de afvalstromen beheersbaarder maakt en in het belang is van ons milieu, het lijkt er toch sterk op dat het vooral de brave burgers zijn die moeten zorgen voor een grotere winstmarge van de intercommunale. Het zal wel zijn dat 1 ophaalronde voor alle soorten afval beter is voor het milieu dan meerdere ophaalrondes, maar het is natuurlijk ook goedkoper voor hen. Net zoals verschillende hotelketens zogenaamd bekommerd zijn om het milieu en vragen om de hotelhanddoeken niet elke keer in de was te gooien. Ook dat is volgens mij voornamelijk een kwestie van opportunistische geldbesparing, aangezien er van enig milieubewustzijn in het hele verdere hotel meestal niet veel te merken is.

Bovendien is het nog maar de vraag of al die sorteerstress wel iets oplevert. De zakken worden allemaal tezamen in de vuilniswagen geperst, ik zou wel eens willen zien welke zakken heelhuids hun bestemming bereiken. De zakken voor keukenafval blijken alvast erg fragiel te zijn.

Nog zoiets is de belofte van het gemeentebestuur om binnenkort tegemoet te komen in de factuur van limburg.net. Als je er goed over nadenkt, is het toch te gek om los te lopen. Eerst int de gemeente via limburg.net (hetgeen een intercommunale is, dus een samenwerkingsverband van onze gemeente met andere gemeenten, dus de gemeente zelf), maar dan zegt ze: eigenlijk hebben we te veel van jullie gevraagd, dus een stukje krijgen jullie weer terug. En dat wordt dan verkocht als een belastingverlaging, terwijl het eigenlijk gaat om het teruggeven van geld dat wij met zijn allen blijkbaar te veel hebben betaald.

Zo bekeken moeten we misschien begrip hebben voor de weerstand en de argwaan die dit nieuwe sorteersysteem bij sommigen uitlokt. Bovendien, als ik naar mijn ouders kijk, blijken nieuwe afvalbehandelingsprocedures niet altijd compatibel te zijn met bepaalde verledens…

 

 

 

Om het verhaal ten volle te begrijpen, moet je weten dat mijn moeder ooit een peesontsteking heeft overgehouden aan een rit naar de bergen. Aan de rit, inderdaad. We spreken over een jaar of 10 geleden. We gingen toen voor de eerste keer met zijn allen (ouders, zus, wederhelften en de kinderen die er al waren) skiën. Enfin, de kinderen en kleinkinderen zouden skiën, de grootouders zouden voor het eten zorgen en wandelingen maken. Nu is het zo dat mijn moeder het al Spaans benauwd krijgt van bij wijze van spreken een postkaart met bergen erop. De Ardennen zijn op het randje. Het is een soort van claustrofobie, denk ik. Ze is veel liever aan zee, waar ze ze zich niet ingesloten voelt. Iemand die haar wat beter kent, zou kunnen opmerken dat ze toch niet kan zwemmen, dus dat de zee toch ook niet zo geruststellend zou moeten zijn. Maar ja, dat zal de logica van fobieën wel zijn, die steevast gekenmerkt wordt door de irrationaliteit ervan.
Enfin, mijn moeder dus, 10 jaar geleden, met schrik de bergen in. Mijn vader achter het stuur (die net iets te lang in Brussel heeft gewerkt en nu nog af en toe kenmerken vertoont van – laten we zeggen – assertief rijden). Ze heeft toen blijkbaar zo hard in de handgrepen van de passagierszit zitten knijpen, dat ze wekenlang heeft gesukkeld met een ontstoken pees in haar onderarm. Meteen dus de laatste gezamenlijke wintersportvakantie, zo namen we met zijn allen aan.

De verbazing was dan ook groot, toen mijn ouders enkele maanden geleden voorstelden om opnieuw met het hele zootje (6 volwassenen, 5 kinderen) naar de bergen te gaan. Wij zouden skiën. Zij zouden voor het eten zorgen. We zouden 23 december vertrekken en een week blijven. Tevoren waren we nog nooit met Kerstmis gaan skiën, omdat kerstavond traditioneel onder ons elven werd gevierd, en, aangezien die eerste skivakantie zo traumatisch was geweest voor ons mama, hebben we kerstavond altijd gezellig thuis doorgebracht. Elke volwassene stond in voor één van de gangen, waardoor er meestal een bijzonder copieuze maaltijd volgde, onderbroken door het uitwisselen van cadeautjes.
Maar goed, als mijn ouders het voorstelden, moest ons mama wel over de schrik heen zijn.
Mijn vader zocht een geschikte chalet uit – niet te ver van de skipiste. Een blik op Google maps had ons moeten waarschuwen. Een paar kilometer in de Alpen is niet hetzelfde als een paar kilometer in Oudsbergen, hoewel de naam misschien anders kan doen vermoeden.

Maar goed, lang moesten we dus niet nadenken. Mijn ouders vertrokken al een dagje eerder en overnachtten één nacht in een hotelletje op enkele tientallen kilometers van onze chalet. Het plan was dat ze ’s ochtends al enkele inkopen zouden doen en dan naar de chalet zouden rijden, zodat ons avondeten klaar stond als de kinderen en kleinkinderen de 23ste zouden aankomen. Er was pas nog veel sneeuw gevallen, de pistes lagen er perfect bij. Bovendien werd een week lang zon voorspeld – op de donderdag na. Dan zou het nog een beetje gaan sneeuwen. Alles leek in kannen en kruiken voor een weekje ontspannen, fijn skiën, lekker eten. De 23ste rond de middag belde ik vanuit de auto om te horen of de chalet meeviel. Ik hoorde al aan de stem van mijn vader dat er iets scheelde. Hij zei iets van “wel oké, en jaja, en dat uw zus zich maar haast, dat ze niet in het donker moet arriveren”. Hij zei het ook nogal stil, volgens mij zodat mijn mama het niet zou horen.
Maar in minder dan 8 uur tijd waren we bijna ter plaatse. Het adres was wel wat vreemd. Gattererberg en dan een huisnummer. Geen straatnaam, zo leek het wel. Al gauw moesten we een smal straatje in, dat de voet van de Gattererberg en meteen de naam van de straat bleek te zijn. Het had pas nog gesneeuwd, maar kom, ver kon het niet zijn. Wat volgde, waren inderdaad maar een paar kilometer, maar wel de akeligste die ik ooit heb meegemaakt. Heel smalle wegen, haarspeldbochten, diepe afgronden en geen relingen waar je ze zou willen – gewoon omdat daar geen plek meer voor was. Waar ik het tevoren heel eng vond om langs zo’n ravijn met bomen te rijden, vind ik het vanaf toen vooral eng om langs een ravijn zónder bomen te rijden. Ik zag onze auto al zijdelings rollen en blijven rollen. Godweet wat onze buiteling zou afremmen. Er was blijkbaar wel gestrooid, maar toch slipten we hier en daar. Vanaf dan was het vooral bidden om geen tegenliggers tegen te komen.

Boven op de berg was het uitzicht – dat moet wel gezegd – prachtig.  De mist hing in het dal (in het Duits is dat dus Nebel, he, niet Mist). En al gauw begon het te schemeren. Ik spoorde mijn zus met een sms aan om maar niet te treuzelen en door te rijden. “Toch geen sneeuwkettingen nodig?” antwoordde ze. Ik: “nu nog niet, straks misschien wel”. Zij: “dan bellen we wel voor een lift”. Mijn frank was nog niet gevallen, maar achteraf bleek dat ze de bestelde sneeuwkettingen voor hun nieuwe auto maar hadden geannuleerd. Gezien al die zonnetjes op onze App. En zo hoog kon het toch niet zijn?
Maar goed, tegen de avond waren we met zijn allen in de chalet. Mijn moeder zwoer dat ze NOOIT meer die berg af zou gaan. Niemand durfde haar tegenspreken, en mijn vader al helemaal niet. Hij had die locatie uitgekozen. Ze zouden voor altijd op die berg moeten blijven, daarover waren we het eens. Maar gelukkig waren de boodschappen al beneden in het dorp gedaan en konden we met zijn allen genieten van een heerlijke, verse goulashsoep. Wij zouden ’s anderendaags (24/12) gaan skiën en daarvoor moesten we naar het dorp afdalen. Na het skiën zouden we de inkopen gaan doen voor het kerstavonddiner. Er stond fondue op het menu. Het vlees hadden mijn ouders al meegebracht. Wij moesten nog voor groenten zorgen en wat bijgerechten, een aperitiefje voor de kinderen en wat hapjes voor vooraf.

Ik ga nu niet elke afdaling en beklimming van de Gattererberg beschrijven, maar telkens werd het zweten en het tandenknarsen iets minder, zodat het naar het einde van de vakantie toe bijna te doen werd. Het hielp ook dat ik ’s avonds in bed had gegoogled “Unfall Gattererberg”. Het laatste dateerde al van januari 2017, dus bijna een jaar geleden. Iemand was de ravijn ingesukkeld door op die berg rechtsomkeert te willen maken. Maar hij leefde nog. Geruststellend, vond ik.
Wij dus skiën. De kleinsten in de skiles, de pubers met de volwassenen mee. En na het skiën (de sneeuw was super, het zonnetje scheen, wij hadden het getroffen) naar de winkel om de inkopen te doen voor kerstavond. Het zou een wat eenvoudiger menu worden dan anders, maar dat gaf niet, het is tenslotte het gezelschap dat telt. We hadden op onze heenweg al een paar supermarkten gezien en kozen er de eerste de beste uit. Geen goede keuze, zo bleek: dicht omwille van kerstavond en ’s anderendaags ook. Alleen de 26ste geopend van 16u-18u. Goed, dan naar de volgende winkel. Dicht. Mijn zus en schoonbroer besloten het dan maar in het naburige dorpje te proberen. Ook dicht. Er zat niets anders op dan met lege handen die verdomde berg op te rijden.

Het werd een diner met vooral vlees, ketchup, een krop sla en wat brood. En we vonden het allemaal bijzonder lekker en helemaal niet erg. Gelukkig hadden we nog champagne en wijn in de koffer gegooid, net voor we thuis vertrokken, dus dat zat wel goed. De kinderen kregen appelsap met water als aperitief. Maar wat zouden we ’s anderendaags dan doen? We waren bijna door onze voorraad brood en sla heen en met Kerstmis zouden we toch ook wel iets lekkers willen eten? En mama wilde die berg dus niet meer af, waardoor de optie om in een restaurant te gaan eten ook wegviel.
Het kwam erop neer dat we met kerstdag pizza’s zijn gaan halen. We hadden niet eens een bord nodig. Iedereen kreeg een hele doos voor zijn neus – het was tenslotte Kerstmis – en veel meer dan een glas en een mes werd er niet vuil gemaakt.

We hebben het dan maar wat zuinig aan gedaan en we waren het er roerend over eens dat meer mensen zouden moeten consuminderen. We haalden de avond van de 26ste op ons ene been. En kijk, mama overwon zelfs haar schrik en besloot om toch maar de berg af te dalen en inkopen te doen.
Het enige dat ons toen nog enige zorg baarde, was de voorspelde sneeuw op donderdag. Want nu we de hellingsgraad van de berg kenden, leken sneeuwkettingen geen overbodige luxe. De plaatselijke boer en eigenaar van de chalet hield de weg wel zuiver, maar er werden dikke pakken sneeuw voorspeld. Men verzekerde ons dat er nog nooit mensen van de buitenwereld afgesneden waren geweest op de Gattererberg, maar voor alles is er natuurlijk een eerste keer.
We kregen in de gaten dat er ook een “taxibus” reed naar het skistation en terug en dat die voor onze deur passeerde. Die werd dan maar voor de donderdag gereserveerd. Het was gezellig op die taxibus, een paar Nederlanders hielden ons gezelschap. Alleen de terugweg viel danig tegen. De bus deed blijkbaar een vaste route en reed eerst die hele berg omhoog, draaide dan terug en reed dan terug tot aan onze chalet. En toen bleek dat er nog véél engere wegen zijn dan de weg naar onze chalet. De ravijnen waren nog steiler, de relingen waren nog schaarser. Het kwam zelfs zo ver dat mijn zus nog banger  was dan ik. Iemand die geen schrik had, zou gezegd hebben dat de panorama’s wel fenomenaal waren, onderweg.

De eigenares van de chalet (en dus de boerin) vertelde ons dat er een restaurant lag aan de voet van de berg, en dat men ons kon komen halen en terugbrengen met een busje, zodat we ook een glas wijn konden drinken bij het eten. Dat leek ons een perfecte oplossing voor de laatste avond! We reserveerden een tafel in het restaurant en het bijhorende busje. Het busje was eigenlijk voor 10 personen, vertelde de boerin, maar we hadden drie kleine kinderen bij, dus dat ging wel lukken om ons 11-koppig gezelschap te vervoeren.
Het was me al opgevallen dat de chauffeurs van de taxibusjes mensen op leeftijd waren (was het onverantwoord om jonge mensen met zo’n busje de bergwegen op te sturen?), maar de man van het restaurant die ons kwam halen was de 80 wellicht al voorbij. Het was zo’n busje met een schuifdeur en ik vond het er niet groot uit zien, voor 10 personen. Ik stak mijn hoofd in het busje en begon de zitplaatsen te tellen. Eentje vooraan, twee op de tweede rij, drie op de laatste rij. Dat waren er dan… 6? “Aber, wir sind 11 Personen?” Volgens de man kon er best iemand op de tweede rij tussen de twee stoelen in gaan zweven, elke bil op één stoel (dat werd dan 7 personen). Eén kind kon op de schoot van een ander kind (8). Dan nog een kind op een andere schoot (9) en de schoonzonen, die moesten maar de koffer in (11, inderdaad!). Er bleken zelfs kussentjes in de koffer te liggen, dus wellicht was het niet zo uitzonderlijk dat er personen met hun hoofd tussen hun opgetrokken knieën van en naar het restaurant werden getransporteerd. Mijn vader begon onderweg hele slechte grappen te maken en was de hele tijd aan het giechelen. Achteraf bleek dat van pure stress geweest te zijn. Blijkbaar heeft hij als kind een ongeval meegemaakt met een bus vol familie. Ze gingen op bedevaart, zijn omgekanteld en hij kwam onder tante Jeanne terecht. Die niet van de magersten was. Er waren enkel lichtgewonden, maar toch. Tot zover de bedevaarten.

In het restaurant aangekomen, hadden we hoofdzakelijk keuze tussen verschillende soorten Schnitzels en werden we getrakteerd op een muzikaal optreden. We hadden de accordeons en de harp al zien staan. En wie klom er het podium op gaf zijn mooiste jodelliederen ten beste? Jawel, onze bejaarde chauffeur. We hielden hem de hele avond nauwlettend in het oog. Hij moest ons namelijk ook nog heelhuids die berg terug op rijden. En we waren bang dat hij in de Schnapps ging vliegen. Met enige ongerustheid zagen we hem bier bestellen. Gelukkig ein kleines.

Toen onze buikjes rond waren, en het jodelconcert ten einde, zochten we onze chauffeur op om ons terug naar “huis” te brengen. Plots bleek toen zijn kleinzoon als chauffeur dienst te doen. Een snotneus. Had die al een rijbewijs? Hij stond net nog op het podium, naast zijn opa, ook met een accordeon, maar in training en sportschoenen. Maar niemand had in de gaten gehouden of hij iets gedronken had.
Uiteindelijk is het allemaal goed afgelopen. We zijn ongedeerd de berg terug op geraakt, en er ’s anderendaags ook weer af. Het was een fijne vakantie. Ik vind het altijd leuk om te eindigen met een bepaalde clou, maar ik zou niet weten wat die in dit verhaal is. Misschien toch dit: de leukste avonturen beleef je naast de platgetreden paden en door het contact met de plaatselijke bevolking. En: het is het gezelschap dat telt, dus voortaan geen stress meer voor het kerstavonddiner!

 

Vanmorgen haalde het de kranten, zelfs hier en daar een voorpagina. CM Limburg was namelijk zo onvoorzichtig geweest om het deze keer gewoon zwart op wit te drukken. Het was hun medewerkers verboden om voor een andere partij op te komen dan voor de CD&V. De zuil vond het blijkbaar nodig om haar werknemers nog eens te wijzen op haar bestaan en de onderlinge verbondenheid, die blijkbaar wat te wensen begon over te laten.
Het moet inderdaad wat ongemakkelijk aanvoelen. Een andere partij lijkt de nieuwe volkspartij te worden, Groen blijft groeien, de CD&V krimpt ineen. En dat dus ook in Limburg, de provincie waar de christelijke zuil toch heer en meester dacht te zijn, en waar de aansluitingsgraad bij de CM traditioneel erg hoog ligt. Een beetje rekenwerk volstaat om te concluderen dat er ook CM-leden moeten zijn die hun voorkeur voor een andere partij durven uit te drukken dan voor wat ooit de “Christene VolksPartij” was.
En dat was toch nooit de bedoeling van die zuilen? Wie zich aansloot bij de CM, werd verondersteld om zich ook bij de visie van de katholieke partij aan te sluiten. En al zeker wie voor de CM werkte. Dat moest toch niet met zoveel woorden duidelijk gemaakt worden, zeker? Tot nu. Het moet toch een beetje paniek zijn geweest, dat heeft geleid tot de onvoorzichtige nota in kwestie. Wellicht werd de nota gelekt door een werknemer die – terecht – vond dat hij zelf wel kon beslissen welke partij zijn voorkeur wegdroeg.

Dat de bewuste partij het niet altijd even nauw neemt met ethiek, blijkt ook af en toe in onze gemeente.

Zo vertrok er verleden maand een e-mail naar jongeren uit Oudsbergen. Toevallig tikten we er eentje op de kop. De mail ging uit van “Jongeren 2030”. Er werd in gesteld dat het schepencollege de betreffende persoon ideaal vond om mee te komen brainstormen met andere jongeren, in “het Orshof”, over een aantal thema’s, zoals wonen, werken, vrije tijd… Het feit dat de jongere in kwestie aanbevolen was door het schepencollege, zou moeten wijzen op een gemeentelijk initiatief. Dat was buiten “Google” gerekend. Al snel werd duidelijk dat “Jongeren 2030” een initiatief van “Jong CD&V” was (de jongerenafdeling van de partij), dat in verschillende Vlaamse gemeenten plaatsvond. Nergens werd in de e-mail echter melding gemaakt van een bepaalde partij, waardoor jongeren wellicht nietsvermoedend naar een CD&V event werden “gelokt”.

Het ging zelfs zo ver dat de vermelding “Jong CD&V” uit het logo (een oranje bol) van “Jongeren 2030 Noord-Limburg” werd gefotoshopt. Voor dezelfde activiteit in andere Vlaamse gemeenten, werd er wel netjes vermeld wie de initiatiefnemer was. Je zou bijna denken dat de burgemeesters, die beiden – dat spreekt vanzelf – aanwezig waren, eraan twijfelden of het merk CD&V wel zo uitnodigend was naar jongeren toe.

Dat het schepencollege zich uiteraard niet in die hoedanigheid mag engageren voor een partijpolitiek evenement, werd blijkbaar gemakshalve vergeten.

Een ander ding is het lokale infoblad. Ik weet niet of het u ook is opgevallen, maar soms vraag ik mij af of het de bedoeling is de bevolking te informeren, dan wel of het een fotoboek is van de gemeentelijke avonturen van het college van burgemeester en schepenen.

Ook treffend is het aantal hoorzittingen dat de laatste weken weer begint toe te nemen. Pas maar op. Podia zijn er om zelf te creëren, zullen ze denken. Hoorzittingen komen goed over. Zeker wanneer we daar geen andere partij voor hoeven uit te nodigen.
Op de vraag hoe het kwam dat de oppositie soms pas de dag zelf van zo’n hoorzitting op de hoogte werd gesteld, moet de burgemeester op de gemeenteraad (november, Meeuwen-Gruitrode) iets hebben gemompeld van “bepaalde problemen”, al kon hij niet verklaren welke problemen dat dan juist waren.

En dan zijn er natuurlijk de verhalen van mensen die te horen kregen dat ze niet zouden geholpen worden, “omdat ze met de oppositie hadden gepraat”. Mensen die beloftes kregen, als ze zich maar voor hun partij willen engageren, of alleszins niet voor een andere partij. Bedreigingen zelfs om bouwvergunningen te zullen herbekijken.
Natuurlijk nooit zo zwart op wit, zoals ze nu per ongeluk bij CM Limburg hebben gedaan.

We durven te geloven dat mensen dit soort politiek niet meer pikken en dat ze zelf wel zullen beslissen voor welke partij ze zullen uitkomen. Binnen de CM, en binnen soortgelijke zuilgebonden organisaties, zal het altijd moeilijk blijven. Want al wordt men teruggefloten door CM nationaal, de toon is gezet en het kader is duidelijk. Die bovenste schuif zal er niet in zitten voor wie het waagt voor een andere partij op de lijst te gaan staan.

Al lijkt de keuze voor een politieke partij op lokaal vlak van minder belang, en wordt er traditioneel meer voor “mensen” dan voor “partijen” gestemd, toch is dat belang er wel degelijk en zal het in de toekomst nog toenemen. Gemeenten krijgen meer bevoegdheden, de uitdagingen worden groter en schaalvergroting is onvermijdelijk om ook een efficiënt en sociaal beleid te kunnen voeren voor de inwoners. Een duidelijke visie, met een strategisch langetermijn plan zal dan ook steeds belangrijker worden.

Ook op lokaal vlak denk ik dat de – zuilloze – N-VA daar het verschil kan maken. Een duidelijke lokale visie voor de lange termijn, effectieve inspraak van burgers voor specifieke projecten, een transparant beleid zonder belangenvermenging zijn de toekomst, van het Europese niveau tot het gemeentelijke. Die zuilen zijn niet altijd de weg naar goed beleid en gezond verstand, zeker niet als ze misbruikt worden.

Ja, wat een goed nieuws show, zeg.  Er lijkt geen einde aan te komen.

Zo goed als elke week lachen ze je toe vanuit de krant, de burgemeesters en hun gevolg.  Al dan niet met hun duimpje omhoog.  Om hun volgende exploot in het fusieverhaal aan te kondigen. Is natuurlijk ideaal in deze tijden.  Kwestie van de kosten van de verkiezingscampagne wat te drukken.

Nu was het dus de belastingverlaging die in het nieuws kwam.  En natuurlijk kunnen we daar niet tegen zijn.  Wie wel?  Wij zijn trouwens nooit zomaar tegen.  Wij zijn voornamelijk vóór dergelijke initiatieven.

Het is nog straffer, in Meeuwen-Gruitrode pleit onze fractie al van in het begin van de legislatuur (2013) voor een verlaging van de personenbelasting tot minstens het Vlaams gemiddelde.  Dat stond zelfs in ons verkiezingsprogramma (2012). De reden om hierop aan te dringen was duidelijk: het gemeentebestuur van Meeuwen-Gruitrode zette jaarlijks zo’n miljoen euro van uw belastinggeld aan de kant.  Dat leek ons compleet onnodig.  Een gemeente moet toch geen winst maken op kap van de inwoners?

Maar het college van burgemeester en schepenen gaf telkens aan dat ze daar geen verandering in wilden brengen.  Zo goed dat ze bezig waren!  Ja, dat zal wel, als u en ik elk jaar opnieuw meer afdragen dan in Vlaanderen gemiddeld genomen gebruikelijk is.

Want zo zijn ze wel, hoor, over het algemeen.  Een beetje vies van input.  Dat is ook fysiek aan hen te merken tijdens de gemeenteraden. De ene keer proberen ze voorstellen zo snel mogelijk af te wimpelen door de oppositie af te blaffen.  De andere keer wordt er achterovergeleund in de schepenstoel en scheef gelachen.  In het beste geval wordt een voorstel “meegenomen”. 

Ondertussen weten we dat dat niet noodzakelijk positief is, als ze iets “meenemen”. Want die voorstellen zien we dus nooit meer terug. 

De voorstellen die werden afgeblaft daarentegen, dat waren de echte goeie. Die worden dus wel meegenomen.  Om zeker niet verdacht te worden van ideeënpikkerij, wordt er een tijdje gewacht, dan wordt de pers ingeschakeld en dan gaat het idee de krant in, met een goede foto en een brede glimlach.  Om uit te stralen dat het zéker wel van hen kwam, dat voorstel.

Toen de gemeentelijke fusie werd aangekondigd, stelde onze fractie uiteraard opnieuw de vraag of de gemeentelijke belasting dan eindelijk kon worden verlaagd.  Want de financiële ruimte zou toch vergroten, dat beweerde het bestuur ook zelf, dus de inwoners moesten dan toch op de eerste rij staan als het ging om het verzilveren van de efficiëntieoefening.

Maar, nee, ons voorstel werd ontweken. Terwijl het principe van belastingverlaging toch een cruciale factor had moeten zijn in het overwegen van een gemeentefusie.

Wellicht was het moment nog niet gekomen.  De timing was nog niet perfect.  Het zou verdrinken in al dat andere goede nieuws dat ze nog moesten aankondigen.  De hoorzittingen bijvoorbeeld.  Ze gingen hoorzittingen organiseren. 

Die hoorzittingen zijn toch ook tekenend voor de ingesteldheid van het gemeentebestuur. Want wat ze nog niet helemaal door lijken te hebben is wie er precies gehoord moet worden.  Zij gaan ervan uit dat de zaal zich vult met toehoorders, waarna zij – de leiders van het dorp – hun betoog kunnen doen. Tot meerdere eer en glorie van zichzelf.  De schepenen mogen al blij zijn als ze ook even het woord krijgen.  En de burgemeester van Opglabbeek, die lijkt regelmatig bevestiging te zoeken bij zijn collega – die met de carrière in het Vlaams parlement (en wie weet hoever zijn ambities nog reiken). 

Het omgekeerde principe, dat van het publiek dat gehoord wil worden en dat zijn bedenkingen en bezorgdheden mag uiten, daar zijn ze blijkbaar nog niet aan toe.  Zo werden mensen die een kritische blik op één of ander durfden te werpen publiekelijk de mond gesnoerd.  Laat staan dat ze hen de mogelijkheid zouden geven om te debatteren.

Uiteindelijk zal de aanvullende personenbelasting dus dalen.  Relatief meer voor de Meeuwen-Gruitrodenaars dan voor de Opglabbekenaars.  De Meeuwen-Gruitrodenaar zal dan weer meer belast worden op zijn onroerend goed, zijn appeltje voor de dorst.  Wat houdt dat dan in voor bijvoorbeeld de gepensioneerden, die geen hoge inkomsten hebben, maar wel een eigendom? Zullen die ouderen van Meeuwen-Gruitrode wel zo blij zijn met deze hervorming?   

En dan die belasting op drijfkracht, een archaïsche heffing voor ondernemers, die in Meeuwen-Gruitrode nog steeds bestond.  Eindelijk wordt die afgeschaft, als één van de laatste gemeenten van Limburg.  Ook dat was één van de vragen die de N-VA telkens opnieuw heeft opgeworpen.  Maar, je weet wel.  Die vraag werd dus weggelachen.

Nu de belasting op drankslijterijen nog.  De horeca mag wel eens een duwtje in de rug krijgen.  Zij vormen immers voor een groot stuk de spil van het sociale weefsel en zijn niet weg te denken uit een bloeiend dorpscentrum.  Dé plek om te debatteren over de gang van zaken in onze gemeente, bijvoorbeeld.  En of dat project omtrent die Commanderij van Gruitrode wel zo visionair is en of dat niet gewoon veel te veel geld kost.  Een hele hoop opcentiemen.

 

*Enkele voorbeelden van voorstellen van de N-VA fractie, die achteraf opgepikt werden (niet exhaustief): Afbraak bouwval aan kruispunt Meeuwen-centrum, jaarlijks uithangen van de regenboogvlag, samenaankopen met andere gemeenten, masterplan voor de commanderij met budgettering (eerst was die budgettering), restauratie muur kerk Neerglabbeek, fietspaden Wijshagerkiezel, lokaal Chiro meisjes, Blue Assist systeem, “bij”vriendelijke gemeente, …

Zolang als ik weet hebben mijn ouders mijn zus en mij ingeprent om vooral “zelfstandige” te worden.  In de verste verte niet in het kader van potentieel geldgewin, maar wel om de touwtjes in eigen handen te kunnen nemen.  Om je plan te leren trekken.  De dingen aan te kunnen pakken zoals jij denkt dat ze moeten gebeuren.  Om direct resultaat te zien van de inspanningen die je doet. Om verantwoordelijkheid te nemen.

“Zie dat je vooral niet voor een baas moet gaan werken! “

Nu denk ik uiteindelijk dat werken in dienstverband ook diezelfde voldoening kan geven, tenminste met een overste die oog heeft voor zijn personeel en die mensen verantwoordelijkheid laat nemen.  Maar de verhalen die mijn vader en mijn moeder mee naar huis brachten, over die bazen waar ze dan zelf voor werkten, waren niet van die aard dat het mij erg aanlokkelijk leek.

Of je nu zelfstandige bent of niet, uiteindelijk draait veel in het leven over verantwoordelijkheid nemen, je steentje bijdragen, inzet, iets doen dat nuttig lijkt.  Wie resultaat ziet van zijn werk, heeft daar toch heel vaak voldoening van.  Werken wordt zo vaak afgeschilderd als iets dat moet, maar veel gepensioneerden kijken met heimwee terug naar de tijd dat ze werkten, de tijd met hun collega’s.  Toen ze samen gingen voor een bepaald doel, toen ze zelf iets konden betekenen voor hun bedrijf, maar uiteindelijk ook voor de maatschappij.  Heel wat gepensioneerde patiënten van mij praten nog regelmatig over hun voormalige werk, ze zijn er trots op.  Of ze zijn opnieuw aan de slag.  Ze letten op de kleinkinderen, ze doen vrijwilligerswerk, ze hebben een uit de hand gelopen hobby, ze werken halftijds… Ik heb de indruk dat veel senioren – eens ze met pensioen zijn – op zoek zijn naar iets dat hen het gevoel geeft dat hun tijd nuttig besteed wordt.

De reportage over de rusthuizen maakte één en ander wakker.  Meer dan eens hebben mijn ouders en ik het al over deze problematiek gehad.  Niet dat ze aan een rusthuis toe zijn, en niet dat ze dat ooit zullen willen overigens, dat maakt vooral mijn vader regelmatig duidelijk. 

Het beeld dat ik heb van een rusthuis, is toch vooral een zaal vol ouderen, die daar maar zitten.  Hun tijd doden.  Hun tijd verdrijven.  Klinkt allebei even erg. In veel gevallen kunnen ze misschien niet anders, zijn ze niet meer mobiel of wil hun hoofd niet meer mee.  In veel gevallen gaat het echter ook om dynamische ouderen, die best nog wel iets kunnen, en wellicht best nog wel iets willen doen.  

Natuurlijk weet ik dat de verzorgenden in de meeste rusthuizen goochelen met hun tijd en hun best doen om variatie in het dag- en weekprogramma te brengen en om het de ouderen naar hun zin te maken.  Maar moeten we niet eens goed nadenken over het concept van een rusthuis en of dat wel genoeg ruimte biedt voor individualiteit en verantwoordelijkheid?

In die zin kun je je afvragen of rusthuizen niet veel meer moeten worden gezien als “activeringshuizen”.  Laat senioren ook in “rusthuizen” verantwoordelijkheid nemen, hun steentje bijdragen. Als die senioren dat willen, natuurlijk, en als ze ertoe in staat zijn.

Laten we eens even “out of the box” denken.  Het is misschien naïef, maar het kan ook geen kwaad.  Het lijkt er alleszins op dat er dringend nagedacht moet worden over alternatieven om senioren een waardige oude dag te bezorgen.  Want het zijn er veel, die senioren, ze worden tegenwoordig oud en zo’n rusthuis kost een hoop geld… 

Om te beginnen zou de directie van een woonzorgcentrum best de nodige verpleegkundige en psychologische kennis en vorming hebben, zodat er, samen met personeel en inwoners, een concept kan worden opgesteld dat elke inwoner de plaats en de rol geeft die hem de meeste voldoening geeft. 

Een seniorenresidentie zou je kunnen bekijken als een soort “commune” (enfin, nee, laten we zeggen: “microsamenleving”), waarvan het operationele aspect grotendeels gerund wordt door de senioren zelf.  Klinkt dat gek?  Ik zou ze het zelf eens willen vragen, ik denk dat er velen het graag zouden willen proberen.

Nu we toch een eind weg aan het filosoferen zijn, kunnen we er ons even goed meteen een voorstelling van maken.  Je zou een aantal werkgroepen kunnen distilleren: een groep “keuken” voor voorbereiding maaltijden, opdienen  en afruimen, een groep “was en strijk”, een groep “administratie”, een groep “buitenonderhoud en tuin”, die onder andere instaat voor een moestuin van enkele honderden vierkante meter, een groep “kleine herstellingen”… Voor elke werkgroep heeft dan een personeelslid van de residentie de verantwoordelijkheid, om te activeren en superviseren. Ook rolstoelsenioren zijn overigens vaak nog prima in staat om nuttige activiteiten uit te voeren.

En trouwens, als we het dan bijvoorbeeld over “kleine herstellingen” hebben: laat de jeugd eens meekijken hoe je dingen ook alweer herstelt, van hun ouders zullen ze het meestal niet meekrijgen…

En om eens helemaal gek te doen: wie weet kan hierdoor de personeelskost wel worden teruggedrongen? De ene zal enkele uren per week actief zijn, de andere veel meer.  Wie weet kan hun bijdrage wel in mindering worden gebracht van hun verblijfskost?

Het resultaat zal zijn dat de senioren elkaar zullen stimuleren om actief te zijn. Ze zullen minder productief zijn dan professionals, maar de “uurkost” is bijvoorbeeld maar 10% van de professionele. Maar vooral, ze zullen zich nuttig en gelukkig voelen, en dus gezonder en zelfredzamer zijn.

Ze zullen ook zelf rechtstreeks betrokken worden bij de planning van hun activiteiten, zoals het samenstellen van de menu’s, het overleg over de planning van de moestuin, het verzorgen van kippen en andere dieren.  Wat is er trouwens leuker dan een wandeling te gaan maken in een tuin die ook een moestuin en dieren herbergt?  Toch fijner dan in zo’n standaard tuin die een minimaal onderhoud vergt…  Als de kinderen geen tijd hebben om een bezoekje te brengen, dan kunnen ze tenminste die andere ezel gaan knuffelen. 

Stel je voor dat de uitbatingskost van de instelling zou kunnen dalen door de bijdragen van de senioren, dan zouden verpleegkundigen en verzorgers intenser met de echt hulpbehoevenden bezig kunnen zijn.

En natuurlijk is het de bedoeling dat de inzet van de senioren enkel op vrijwillige basis gebeurt, maar wellicht zal een groot deel van de senioren in het systeem willen meedraaien.

Het zijn natuurlijk maar hersenspinsels, het is een hoop gefantaseer en het zal het ei van Columbus niet zijn, maar we zullen toch dringend eens moeten gaan brainstormen over de enorme problematiek rond senioren, die nog enkele decennia zal blijven duren.

De minister zal het best wel goed bedoelen, maar meer personeel, meer centen en meer goede wil zullen de situatie niet verbeteren.  Waarom niet verder denken en een hele nieuwe filosofie hanteren, met actievere en gelukkigere senioren als resultaat? 

En uiteraard is er nog heel veel mogelijk in de niet-residentiële ouderenzorg, maar dat is dan weer een ander hoofdstuk.      

             

  

%d bloggers liken dit: