Wan Toe Frie

persoonlijke blog van Frieda Gijbels

Goed. Ik zal het toegeven. Ik heb de jaarwisseling niet echt meegemaakt. Ik was in slaap gevallen en werd wakker toen mijn oudste zoon om tien over middernacht belde om me een gelukkig nieuwjaar te wensen. Is niet de eerste keer hoor. Toen we vroeger gingen skiën met oudjaar, haalde ik middernacht nooit. Maar nu was ik niet gaan skiën. En was het dus ook niet gelukt.

Maar goed. Ondanks alles is het er wel, 2026. Een bijzonder jaar. Bijvoorbeeld omdat ik mijn praktijk voor parodontologie vaarwel heb gezegd.

Een beslissing die ik moest nemen omdat er verdorie te weinig uren blijken te zitten in een dag. En te weinig dagen in die belachelijk korte weken.

Met spijt in het hart. Want ik ga ze missen, mijn patiënten. Ze waren natuurlijk niet allemaal even tof (ik heb er maar eentje ooit buitengezet). Maar ik had er toch heel veel leuke. En als je mensen jarenlang één of twee keer per jaar terugziet voor een controle, dan gaat het om veel meer dan alleen die tanden en dat tandvlees checken.

Je bouwt echt een vertrouwensrelatie op, die gebaseerd is op wederzijds respect.

Als je me vraagt waar ik het meest trots op ben in mijn loopbaan als parodontoloog, dan is dat niet één of andere gespecialiseerde chirurgische ingreep met een spectaculair resultaat. Dan is dat wel dat ik de meeste mensen gerust kon stellen. Soms vroeg dat al wat meer inspanning dan anders. Meer dan eens heb ik ademhalingsoefeningen gedaan met mijn patiënten voor ik ze een prik moest geven. Het waren dan ook soms venijnige prikken, dat geef ik toe. En in – en twee – en uit – en twee – en in – en twee – en uit – en twee – en hop – de spuit erin. Blijven ademen – goed uitademen, mijnheer – blijven ademen.

Goed uitleggen wat een ingreep precies inhoudt, helpt natuurlijk ook. Bladzijden vol heb ik getekend. En – een gouden tip – zeggen dat ze altijd hun hand mogen opsteken als ze even pauze willen of iets willen melden. Dat werd ons verteld in een les psychologie en heb ik altijd goed in mijn oren geknoopt. Zorg ervoor dat patiënten – die daar hulpeloos in die zetel liggen – controle hebben over de situatie. En stop ook meteen als ze hun hand opsteken, zodat ze je kunnen vertrouwen. Wat ook helpt, is dat ik zelf helemaal niet graag in zo’n tandartsstoel lig en wel wat aanleg heb voor empathie 😉 (Ik vraag altijd een dubbele dosis verdoving trouwens, gewoon, voor de zekerheid). En beseffen dat mensen met angst voor de tandarts daar soms goede redenen voor hebben omwille van traumatische ervaringen tijdens hun kindertijd.

Meermaals heb ik gehoord dat ik rust uitstraalde. Geen idee hoe dat komt, want ik ben innerlijk nu niet bepaald de meest rustige persoon. Maar ik ben er wel fier op dat ik mensen die eerst zo goed als niet behandelbaar waren, uiteindelijk ontspannen in mijn stoel kreeg. Zo goed als zonder zweethandjes.

Voor een stuk vond ik het ook missionariswerk. Zeker toen ik de praktijk pas startte, in 2003. Parodontologie was toen nog terra incognita, zo leek het wel. “Hic sunt dragones”. Ik moest sommige tandartsen nog overtuigen van het nut van parodontologie. Dat het niet onvermijdelijk was dat de tanden van hun patiënten zouden uitvallen door parodontitis. Dat daar echt wel iets aan kon worden gedaan. Maar dat ze dan op tijd moesten verwijzen. Ik kon het ze niet kwalijk nemen, want velen van hen hadden in hun opleiding nooit van parodontologie gehoord.

Ik had in die beginjaren ook het gevoel dat ik moest vechten tegen het beeld van “kwakzalver”. Want de behandelingen werden toen helemaal niet terugbetaald. Ik moest patiënten dus in eerste instantie overtuigen van het nut van een behandeling (met tekeningen en alles dus). Het was niet mijn uitleg die dan twijfel zaaide, maar wel de mededeling dat er niets van de behandeling zou worden terugbetaald. What the hell, zag je ze dan denken. Ik heb hier dus zogenaamd een ernstige bacteriële infectie van mijn tandvlees, die absoluut niet gezond zou zijn. Niet alleen is er een verband met hart- en vaatziekten en suikerziekte, maar ik ga volgens die parodontoloog ook nog eens mijn tanden verliezen als ik er niks aan doe. Maar die behandeling is niet terugbetaald, terwijl ze wel zou werken? Maak dat de kat wijs.

Het was meteen de reden dat ik ooit besloten heb om me politiek te gaan moeien. Eerst achter de schermen, vanuit de beroepsvereniging en via contacten met parlementsleden. Later meer voor de schermen. Ik vond het ontzettend oneerlijk dat ik me moest verantwoorden voor de prijs van een wetenschappelijk onderbouwde behandeling en natuurlijk vooral dat het voor sommige patiënten financieel niet zo evident was om zich zo’n behandeling te kunnen permitteren.

Ondertussen zijn de tijden gelukkig veranderd. Het is nog verre van perfect, maar er is toch al een beetje meer erkenning van parodontologische behandelingen en er is ook al wat meer terugbetaling. Nog steeds is er een ongelijke toegang. Want bepaalde behandelingen zijn niet terugbetaald, of veel te weinig in verhouding tot hun werkelijke kostprijs. Waardoor sommige patiënten het zich wel en sommige het zich niet kunnen permitteren. Er blijft dus nog werk aan de winkel.

En hoe graag ik mijn patiënten ook zag, of misschien: omdat ik mijn patiënten graag zag, moest ik besluiten om de deur achter mij dicht te doen. Het is niet evident om mijn rol in de politiek te combineren met een praktijk. Omdat je er eigenlijk moet kunnen zijn voor je patiënten als dat nodig is. Omdat je niet in Brussel wil zijn als je gebeld wordt voor een complicatie.

De ervaring uit de praktijk, die neem ik mijn leven lang mee. Hoe lang die politiek gaat duren, dat weet niemand. Maar alles is natuurlijk eindig, dus daar ga ik me voorlopig geen zorgen over maken.

Door te stoppen met de praktijk, heb ik de lat voor mezelf wel wat hoger gelegd. Mijn verantwoordelijkheidsgevoel is er alleszins niet minder op geworden. Ik zal blijven zorgen voor mijn patiënten, maar dan op een andere manier. Ik zal blijven ijveren voor een betere gezondheidszorg voor iedereen. En iets breder dan dat: voor eerlijkheid, rechtvaardigheid, duidelijkheid en samenhorigheid.

Op een fantastisch 2026!

Gingivitis en parodontitis

Om één of andere reden is cariës (of de zogenaamde “gaatjes” in je tanden) veel beter gekend dan tandvleesproblemen als “gingivitis” en “parodontitis”. Tijd om daar verandering in te brengen. Al is het maar omdat het mijn specialiteit is.

Bij voorbaat excuses dus als dit hoofdstuk wat meer toeters en bellen gaat hebben. Zet het maar weg als puur enthousiasme. Of als sensibiliseringsdrang. Ik zou het namelijk toejuichen als veel meer mensen weten hoe tandvleesproblemen ontstaan. Want als je begrijpt hoe iets ontstaat, ben je ook veel beter in staat om het tijdig te herkennen of zelfs te voorkomen. En daar gaat het tenslotte toch om.

Want best veel mensen krijgen te maken met tandvleesproblematiek.  Als we kijken naar de min of meer gevorderde aandoeningen, dan blijkt dat ongeveer één op drie daar vatbaar voor is. Als je twee buren er geen last van hebben, dan jij misschien dus wel!

En de oorzaak is opnieuw die bacteriële tandplaque. Want bacteriën kunnen dus niet alleen gaatjes veroorzaken, ze kunnen ook het tandvlees doen ontsteken.

Als bacteriën de tandvleesrand doen ontsteken, dan noemen we dat “gingivitis” (“-itis” voor ontsteking en “gingiva” betekent tandvlees). Pijn doet dat meestal niet. Maar wat je wel kan merken, is dat je tandvlees makkelijker bloedt bij poetsen  (soms zelfs spontaan). Het tandvlees wordt meestal ook roder en kan wat opzwellen. Gezond tandvlees, daarentegen, zou lichtroze moeten zijn en mag niet bloeden bij poetsen.

Opgelet: als je rookt, zul je niet zo snel merken dat je tandvleesproblemen hebt. De bloedvaten in je tandvlees reageren immers minder goed op een ontsteking. Zwelling, roodheid en bloeding blijven uit. Roken is eigenlijk driedubbel problematisch voor je tandvlees: je bent gevoeliger voor tandvleesontsteking, maar merkt het minder snel op. En je reageert ook nog eens minder goed op een behandeling.  Stoppen met roken dus, zou ik zeggen. Niet voor mij. Niet voor je tandarts. Maar voor je tandvlees (en voor nog wel wat andere belangrijke organen). Voor jezelf dus.

Is gingivitis erg? Goh. Het is natuurlijk nooit een goed idee om met een ontsteking te blijven lopen. Maar die gingivitis kan ook evolueren naar een diepere ontsteking: “parodontitis”. En dan zijn de poppen al wat meer aan het dansen. Parodontitis wil zeggen dat het “parodontium” (of het steunweefsel van de tanden) ontstoken is. En dat is dan niet meer alleen het tandvlees, maar ook het kaakbot dat de tanden moet vasthouden. Door de ontsteking wordt dat kaakbot afgebroken en kunnen je tanden losser komen te zitten.

Hoe dat precies gebeurt? Wanneer gingivitis een tijdje blijft duren, verzwakt de rand van het tandvlees en begint de “afdichting” los te laten. En dan krijg je “tandvleeszakjes” of “pockets”. Dat zijn ruimtes die ontstaan tussen het tandvlees en de tand en waarin bacteriën de tijd van hun leven hebben. Ze kunnen daar ongestoord vermenigvuldigen, de omringende weefsels aantasten, steeds meer bot weghalen en steeds diepere pockets vormen. En dan kan je nog poetsen en flossen als een halve gare. Je geraakt er niet meer bij.  

Stilaan kunnen bacteriën zo een dikke laag plaque en tandsteen vormen onder het tandvlees, op de oppervlakken van de tandwortels. En terwijl het kaakbot steeds verder aangetast wordt, komen je tanden alsmaar losser te zitten. En nog steeds hoeft dat hele proces geen pijn te doen.

Het botverlies dat ontstaat door de bacteriële aantasting is spijtig genoeg onomkeerbaar. Maar gelukkig gaat die botafbraak meestal vrij traag en kan het in vele gevallen wel worden gestopt.

De behandeling van tandvleesproblemen is redelijk rechtdoorzee. Om het afbraakproces te stoppen, is het gewoon kwestie van die bacteriële plaque en het tandsteen van elke tand af te schrapen. Zo volledig mogelijk. Als de ontsteking nog niet te diep zit, dan kan dat zonder verdoving. Maar als de pockets dieper zijn, dan zal er toch wat verdoving nodig zijn. Beter voor jou en beter voor je tandarts, geloof me. De tandarts of de parodontoloog gebruikt dan hele smalle schrapertjes, waarmee hij of zij onder het tandvlees in kan gaan. Het tandvlees hoeft in eerste instantie dus meestal niet te worden opengemaakt om de tanden en de wortels te kunnen reinigen.

De tandarts of de parodontoloog zal je na de behandeling met een hoop goede raad en professionele instructies naar huis sturen. Want het is de bedoeling dat je nadien je tanden supergoed poetst, om te voorkomen dat er zich opnieuw plaque vormt en de aantasting verder kan gaan. Het tandvlees kan na zo’n behandeling redelijk spectaculair reageren, door te ontzwellen en beter rond de tanden te gaan aansluiten.

En dat is een goede zaak, al denken sommige mensen dat de problemen pas dan ontstaan. Want na een behandeling kunnen je tanden plots “langer” lijken. Dat komt omdat het tandvlees na een behandeling krimpt (door de ontzwelling). Maar hé. Beter langere tanden dan niet langer tanden. (Ik moet toegeven: in het Engels klinkt dat beter).

Na een behandeling heb je verder niet al te veel last, al zou het kunnen dat je tanden tijdelijk wat gevoeliger zijn voor koude of voor aanraking. Gaat voorbij. Eventueel kan je een tijdje een tandpasta gebruiken voor gevoelige tandhalzen.

Na een paar weken tot maanden ziet je tandarts of je parodontoloog je graag even terug. Om te checken of de pockets kleiner zijn geworden. En om te checken of je erin slaagt die plaque elke dag goed weg te poetsen. In veel gevallen is de behandeling dan eigenlijk al achter de rug. Afhankelijk van hoe stabiel het tandvlees is, krijg je de raad om af en toe nog eens te laten checken en eventueel plaatselijk te laten bijwerken.

Soms moet er een bijkomende ingreep gebeuren. Als bepaalde pockets te diep blijven, bijvoorbeeld. Onder plaatselijke verdoving kan de parodontoloog het tandvlees dan openmaken om het bot rechtstreeks te kunnen bekijken, nog beter te kunnen reinigen en om het bot eventueel wat gladder te maken, zodat het tandvlees er beter tegenaan kan sluiten. Of om wat kunstbot bij te plaatsen (dat lukt helaas alleen maar in hele specifieke situaties).

Als er te veel bot is aangetast, zou het kunnen dat een behandeling niet meer zinvol is en dat bepaalde tanden moeten worden verwijderd.

Misschien denk je nu wel: pfoe. Wat een behandeling. Daar ga ik voor passen. Die parodontitis doet toch geen pijn. Het zal allemaal wel. En ik zal wel zien of en wanneer ik mijn tanden dan ga verliezen.

Mja. Ik wil je niet ongerust maken, maar ik wil je natuurlijk wel goed informeren. Zo’n chronische infectie, die parodontitis uiteindelijk is, kan ook effecten hebben op de rest van je lichaam. Zo wordt parodontitis in verband gebracht met hart- en vaatziekten, diabetes (suikerziekte), longinfecties en de ziekte van Alzheimer. Dat is ook niet zo onlogisch. Want een fikse parodontitis betekent dat een oppervlakte ter grootte van je onderarm voortdurend ontstoken is. En geef toe, daar zou je toch snel mee naar de dokter lopen, niet?

Trouwens. Niet iedereen krijgt dus parodontitis. Voor een stuk is dat erfelijk bepaald. Maar er zijn ook andere factoren die ervoor kunnen zorgen dat je er gevoeliger voor wordt. Roken, dat zei ik al. Maar ook stress bijvoorbeeld. Een heel typisch voorbeeld van stressgerelateerde tandvleesproblemen is de zogenaamde “trench mouth” (of loopgravenmond). Dat is wél pijnlijk. Vroeger zag je dat bij soldaten in de loopgraven: tandvlees dat gewoon regelrecht afsterft. Maar je ziet het ook soms bij studenten in de blok. Of bij mensen die om andere reden onder zware stress staan. Vaak in combinatie met roken, weinig gevarieerde voeding, slecht slapen en eventueel immuniteitsproblemen.

Hormonale schommelingen zijn nog zo’n trigger. Zo kan je tijdens een zwangerschap een plaatselijke zwelling krijgen van het tandvlees (epulis gravidarum).

Zo. Waarschijnlijk heb ik nog altijd niet alles verteld, maar zo kan je toch al even verder. Zeg het dus zeker aan je tandarts als je tandvlees regelmatig bloedt bij poetsen. Je kan altijd eerst eens proberen om beter te poetsen. Zeker tussen de tanden zit er meestal veel plaque en tandsteen, dus vergeet niet goed te flossen of te rageren. Als het een hele oppervlakkige gingivitis is, kan dat al voldoende zijn.

Verder hoef je ook niet te panikeren. Gelukkig gaat zo’n tandvleesontsteking meestal vrij traag. Als je denkt dat je er last van hebt, vraag dan bij je volgende tandartsbezoek eens of je tandarts je pockets even kan checken. Dat doet ‘ie met een sonde waar streepjes op staan (een streepje per millimeter). Als zo’n pocketsonde meer dan 3 of 4 mm onder je tandvlees verdwijnt, dan zal er misschien wel een behandeling nodig zijn.

Soms worden er dan ook röntgenfoto’s gemaakt, om te zien of er al veel kaakbot is aangetast.

(Je moet niet overdrijven met röntgenfoto’s, maar soms zijn ze nodig om een goede diagnose te kunnen stellen. Is trouwens een ander stokpaardje van mij. Heb er mijn doctoraatsthesis over gemaakt. Maar daar ga ik je niet mee vervelen, wees gerust.)

Cariës. Of gaatjes in je tanden. Vroeger noemden ze het blijkbaar tandwolf. Nog vroeger dachten ze trouwens dat de gaatjes door de tandworm werd veroorzaakt. Brrr. Maar de officiële naam is dus “cariës”. Komt van het Latijn en zou iets van “verval” betekenen. Het is een misverstand dat gaatjes rechtstreeks ontstaan door suiker die inwerkt op je tanden. Maar voeding heeft er wel degelijk iets mee te maken.

Alleen zijn er bacteriën nodig om de suikers uit voeding om te zetten in zuren. En het zijn die zuren die je glazuur en je dentine aantasten (demineraliseren) en zo “gaatjes” maken in je tanden. En die bacteriën zitten in de tandplaque. Vandaar het belang om die plaque goed weg te poetsen dus. Overal. Ook daar waar niemand kijkt.

Telkens wanneer je iets eet, demineraliseert het glazuur een beetje wanneer de zuurtegraad in de biofilm (bacteriële plaque) op je tanden daalt. Het glazuur wordt bij wijze van spreken zachter. Speeksel kan de zuurtegraad weer neutraliseren en ook de aantasting van het glazuur herstellen. Vandaar dat je best niet heel snel na het eten poetst, omdat je dan de losgekomen glazuurdeeltjes meteen wegpoetst. Als je het even de tijd geeft, kan het zich weer herpakken.

Moeilijk hè. Want wanneer moet je dan best poetsen? ’s Avonds is het niet zo’n probleem. Gewoon vlak voor het slapengaan. Niks meer eten en drinken daarna. Ook geen melk. Ook geen fruitsap. Maar dat zei ik eerder al.

Maar over het perfecte tijdstip ’s ochtends debatteren tandartsen nog elke dag. Voor of na het ontbijt? En hoe lang dan na het ontbijt? Mja. Waarschijnlijk is het het beste om voor het ontbijt te poetsen. Alleen smaakt je fruitsap dan verschrikkelijk slecht. Ofwel dus erna. Maar dan zou je een half uur moeten wachten. En dat is dan misschien weer een praktisch probleem. Het is zowaar een dagelijks dilemma.

Ik zou zeggen: poets vooral ’s avonds lang en grondig. En ’s ochtends liefst ook. Dat is leuker voor je omgeving. En maak je verder maar niet te druk over het theoretisch ideale moment. Poetsen is sowieso beter dan niet poetsen.

Een gaatje begint vaak met een wit vlekje op je tand. Je ziet dat nogal eens bij jongeren die een vaste beugel (“brackets” of “blokjes”) dragen. Rond die brackets kunnen witte vlekjes ontstaan wanneer er niet zorgvuldig genoeg wordt gepoetst. De orthodontist zal dan sakkeren en vloeken en ermee dreigen de beugel weg te halen als er niet beter wordt gepoetst. En dat is te begrijpen, want het zou zonde zijn als je tanden straks recht staan, maar wel vol gaatjes zitten.

De meeste mensen hebben wel eens te maken gehad met cariës. Hoewel steeds meer mensen erin slagen om cariësvrij te blijven tot op hoge leeftijd. Maar goed. Stel: je hebt cariës. Daar moet dan iets aan worden gedaan.

De tandarts boort het aangetaste weefsel weg en plaatst dan een vulling in de tand. Tegenwoordig zijn vullingen meestal wit (enfin – een schakering van wit) en van composiet gemaakt. Vroeger waren die vullingen vaak zilverig grijs van kleur (amalgaam, een mengeling van zilver, kwik, tin, koper en zink). Ik heb zelf nog van die vullingen. Hoewel er nog steeds weinig duidelijk is over de mogelijk schadelijke effecten van dit vullingsmateriaal (de hoeveelheden zijn immers maar heel klein), worden ze sinds begin dit jaar in principe niet meer geplaatst. Er is zelfs een Europese verordening voor uitgevaardigd.

Soms wordt beweerd dat je die amalgaamvullingen best laat verwijderen, omdat ze allerlei gezondheidseffecten zouden uitlokken. Nu. De eventueel schadelijke stoffen komen vooral vrij bij het plaatsen van zo’n vulling én bij het weghalen ervan. Dus ik zou ze mooi laten zitten als ze nog heel zijn en doen wat ze moeten doen. Ze zijn vaak ook een stuk steviger dan de composietvullingen. Je tandarts zal je daarin wel goed adviseren.

Als je cariës hebt, kan je dat voelen. Typisch is dat je tand dan gevoelig wordt bij het eten van iets zoets.  Als de cariës doorheen het glazuur en doorheen het dentine gaat, kan op den duur ook de pulpa van de tand (zie eerder) worden aangetast. Als bacteriën in de pulpa geraken, geraakt die geïnfecteerd en sterft de inhoud van de pulpa af. Je krijgt dan een proces waarbij zich ontstekingsvocht opstapelt aan de punt van de wortel en dat kan erg veel pijn gaan doen. Dat vocht duwt namelijk tegen de omringende weefsels (het bot, je tand) en kan zich een weg banen doorheen het bot. Als dat ontstekingsvocht een weg naar buiten vindt, kan je een abces krijgen, een zwelling van het tandvlees. Soms baant dat ontstekingsvocht zich door de druk een weg naar buiten via een “fistel”. Het zou dan kunnen dat je dat ontstekingsvocht (pus of etter) ook proeft. Als de pulpa van de tand is aangetast, moet het wortelkanaal worden schoongemaakt en afgedicht. Dat noemt men een endodontische behandeling of een “ontzenuwing”. Later meer daarover. Als de tandzenuw ontstoken geraakt, dan is het typisch dat je ’s nachts wakker wordt van de tandpijn.  De tand is niet meer gevoelig voor koude of warmte, maar doet wel pijn bij tikken tegen de tand. Ah ja, want dan tik je de tand tegen dat opgestapelde vocht.

We gaan later nog wel dieper in op de manier waarop gaatjes in de tanden ontstaan of hoe een tandvleesontsteking zich ontwikkelt. Maar dat die bacteriën er meestal iets mee te maken hebben, dat had je denk ik wel al door.

We gaan het dus toch al even hebben over de juiste poetstechniek, kwestie dat je er vandaag al mee kan beginnen. Want hoe sneller die plaque wordt weggepoetst, hoe minder gedoe die bacteriën kunnen veroorzaken.

Het is zelfs DE GOUDEN TIP om je tandarts werk uit handen te nemen, hem (of haar) apetrots te maken en ineens de gemiddelde landelijke mondgezondheid op te krikken.

Nu, er wordt veel over gezegd en geschreven en er worden oogverblindende commercials rond gemaakt. Maar het blijft helaas gewoon een kwestie van grondig en lang genoeg wrijven. Die plaquelaag moet er gewoon op ambachtelijke wijze worden afgepoetst. Er bestaan geen wondermiddeltjes voor, wat de reclame voor tandpasta’s en mondspoelmiddelen ons ook wil doen geloven.

Tandenborstel, interdentale borsteltjes en floss

Omdat tandplaque echt verkleefd is met je tanden, is het van belang om lang genoeg op dezelfde plek te poetsen om de plaque ook van het tandoppervlak af te halen. Je maakt daarvoor kleine ronddraaiende bewegingen met je tandenborstel, waarbij je zo goed mogelijk tot tegen je tandvlees aan poetst. Het is kwestie van niet te nonchalant te poetsen en je hoofd erbij te houden. Begin met de binnenkanten van de tanden en poets elke tand apart en aandachtig. Zelf tel ik altijd tot vijf voor ik naar de volgende ga. Noem het mindfulness als je wil en trek desnoods een yogapak aan om in de stemming te komen. Want als je even snel wil poetsen, dan kan je het net zo goed niet doen.

Je gebruikt best een tandenborstel die niet te groot is en niet te zacht, zodat je grondig en precies kan poetsen.

Je tandenborstel alleen haalt echter maar ongeveer 60% van de tandplaque weg. Om de ruimtes tussen je tanden te reinigen, heb je floss nodig of interdentale borsteltjes. Daar begin je je poetsbeurt best mee.  Je poetst je tanden best ’s ochtends en ’s avonds. Maar de poetsbeurt ’s avonds is de belangrijkste. Eet of drink ‘s avonds trouwens NIETS meer na het poetsen (behalve water). Geen chips mee naar bed, geen cola (je moeder moest het weten!). Ook geen melk.

Een goede poetsbeurt duurt ongeveer 2 minuten. Time dat maar even, want het is langer dan je denkt. Natuurlijk poets je je tanden aan de buitenkant, maar je moet ze ook even lang aan de binnenkant poetsen. Best éérst die binnenkant zelfs, want dat is het moeilijkste. En het is niet omdat toch niemand daar kijkt, dat je er sneller overheen moet gaan!

Als je elektrisch poetst, zet je de borstel gedurende ongeveer 5 tellen op je tand, goed tegen het tandvlees aan. Niet heen en weer bewegen met die elektrische borstel! Die poetst veel beter dan dat jij dat zelf kan, dus laat het los en laat ‘m rustig het werk doen voor jou. Ook hier: binnenkanten, buitenkanten en dan als laatste de kauwvlakken van de molaren en de premolaren.

De ruimtes tussen je tanden kan je reinigen met kleine interdentale borsteltjes. Die moeten goed aangepast zijn aan de ruimte tussen je tanden (dikker als er meer ruimte is). Je gaat 10x in en uit met zo’n borsteltje en je maakt contact met je tandvlees. Flossen kan ook, maar dat vraagt een redelijk complexe techniek. Je zorgt er daarbij voor dat de floss altijd aangespannen wordt rondom je tandvlak, zodat de plaque er echt afgeschraapt wordt. Je gaat daarbij een keer of vijf op en af, zodat de hele zijkant goed wordt gereinigd.

Dus:

  1. De ruimtes tussen de tanden
  2. De binnenkanten (5 tellen per tand)
  3. De buitenkanten (5 tellen per tand)
  4. De kauwvlakken

Je gebruikt best een tandpasta mét fluoride, want die fluoride maakt je glazuur sterker en beschermt je tegen cariës.

Je hoeft overigens niet meer tandpasta te gebruiken dan ongeveer een cm. Voor kinderen onder de 6 jaar gebruikt je best kindertandpasta, met een aangepaste hoeveelheid fluoride. Voor hen is de grootte van een erwtje genoeg.

(Er doen geruchten de ronde doen dat fluoride niet veilig is. Iemand vertelde me zelfs dat ze geen fluoridehoudende tandpasta gebruikte omdat Hitler fluoride gebruikte om mensen gedwee te maken. Hm. Maak je geen zorgen. De hoeveelheid fluoride in tandpasta is perfect veilig bij normaal gebruik. Je moet al een paar tubes achter elkaar opeten om in de problemen te komen.)

Welk merk van tandpasta maakt de tanden best schoon? Wel, de ene tandpasta poetst niet beter dan de andere. In sommige tandpasta’s zitten wel ingrediënten die de gevoeligheid van tanden voor koude of aanraking verminderen. Dus als je last hebt van gevoelige tanden, dan kan je die eens proberen. (Hoe gevoelige tanden ontstaan, dat komt later nog, tenminste als ik ooit zover geraak).

En vanaf welke leeftijd moeten tandjes worden gepoetst? Simpel: zodra er een tandje te zien is. In het begin kan dat ook met een gaasje of iets dergelijks. Zelf heb ik drie kinderen en ervaren dat tandenpoetsen bij die tegenspartelende en vaak oververmoeide koters vaak gemakkelijker gezegd is dan gedaan. Na talloze frustrerende worstelpartijen vond ik een truc die ik gratis met je deel: ik legde ze op hun rug op de badkamermat. Wat een verschil! Bedank me later maar eens.

Andere zaken van belang

Naast je tanden zitten er nog wel wat andere zaken in je mond, zoals een tong, tandvlees, slijmvlies of mucosa, amandelen, speeksel…

Ik ga nu geen hele cursus neerpennen, maar misschien toch een paar zaken aanhalen die van belang zijn om de rest van het verhaal beter te kunnen begrijpen. En misschien kunnen we hier of daar ook wel wat misverstanden de wereld uit helpen. Want dat is uiteindelijk de bedoeling van deze stukjes. Misverstanden rechtzetten en tips geven die je beter doen begrijpen hoe je je tanden kan verzorgen.

Speeksel

Ken je wel hè. En je weet pas hoe belangrijk het is als je er te weinig van hebt.

Speeksel zorgt ervoor dat de slijmvliezen goed langs elkaar door glijden en dat je je eten makkelijker kan doorslikken. Als je te weinig speeksel hebt, dan voel je elk ribbeltje van je tandvlees en elke oneffenheid van je gehemelte en je tong voelt dan aan als karton.

Speeksel wordt geproduceerd door een paar grote speekselklieren (er zitten er voor je oren, onder je tong en langs je onderkaak) en dan zitten er nog een heleboel kleintjes in je gehemelte, lippen, tong en wangen. En dat doen ze aan een tempo van een liter of meer per dag.

Er zit vooral water in speeksel, maar ook een stofje dat je voedsel al een klein beetje bewerkt, zodat het beter verteerd kan worden.

En speeksel beschermt tegen aanvallen door bacteriën, virussen en schimmels.

Iemand die te weinig speeksel heeft, zal daardoor niet alleen een heel vervelende droge mond hebben, maar is ook gevoeliger voor gaatjes in de tanden (cariës).

Een droge mond kan verschillende oorzaken hebben. Hormonale schommelingen (zoals in de (peri)menopauze), medicatie (bv. antidepressiva, vochtafdrijvers of medicatie tegen kanker), bestraling van de speekselklieren, een verstopte speekselklier door een speekselsteentje,… Meld het zeker aan je tandarts of je huisarts als je er last van hebt, zodat de oorzaak kan worden gezocht. Er bestaan middeltjes om de slijmvliezen beter te smeren (kunstspeeksel). Maar genoeg water drinken (en niet teveel koffie) kan ook al helpen, net als (suikervrije) zuurtjes eten of suikervrije kauwgom.

Tong

Je tong is eigenlijk een grote spier en is bekleed met ‘papillen’. Sommige van die papillen zorgen ervoor dat je kan proeven. Achteraan op de tong zijn de papillen grover. Het is perfect normaal dat er groeven of lijnen lopen over de tong of dat er een soort patroontje op staat (dat bij sommige mensen ook nog eens kan veranderen).

Als je last hebt van een slechte adem, dan zou het kunnen dat bacteriën zich hebben opgestapeld op je tong, vooral waar die ruwer is. Je kan die bacteriën proberen weg te halen door je tong te schrapen met een tongschraper. Om goed tot aan de achterkant van je tong te geraken (waar de meeste bacteriële aanslag zit), pak je best je tong vast met een droog washandje of een tissue (zodat ze niet wegglibbert) en trek je je tong zoveel mogelijk naar buiten. Dan ga je merken dat je verder naar achter kan schrapen zonder dat je daarom je huisgenoten afschrikt met kokhalsgeluiden.

Als je trouwens ook bij het tandenpoetsen last hebt van een braakreflex, probeer er dan op te letten dat je niet de bovenkant van je tong aanraakt met je tandenborstel. Wedden dat dat beter gaat?

Tandvlees

Ha! Dat is dus de dada van parodontologen (zoals ik er één ben). Een parodontoloog is namelijk gespecialiseerd in het gezond maken en houden van je tandvlees (en van het bot rondom de tanden). Maar hoe weet je of je tandvlees gezond is?

Tandvlees zou eigenlijk heel strak rond je tanden moeten zitten. Het is lichtroze. En als het in topconditie is, bloedt het niet bij poetsen. Ook niet bij flossen. Het tandvlees vormt een soort van afdichtingsring rondom je tand. Een barrière tussen de buitenwereld (je mond met vele soorten bacteriën) en het bot, dat gezond moet blijven om je tand stevig vast te houden.

Je tandarts kan checken of de afdichting nog goed werkt door met een sonde te prikken tussen de tand en het tandvlees. Als alles goed is, kan die sonde max. 3 mm achter je tandvlees in. Als dat meer is, betekent dat dat de afdichting niet meer goed werkt. Later meer daarover.

Micro-organismen

En verder zitten er hele scholen bacteriën, virussen en schimmels in je mond. Goeie en slechte, zoals in elke samenleving. En het zijn de slechte bacteriën die aan de oorzaak liggen van de meeste ellende. Sommige bacteriën veroorzaken gaatjes of cariës. Andere hebben dan weer tandvleesproblemen op hun geweten.

Nu, zolang die bacteriën ongeorganiseerd in het speeksel zwemmen, is er geen probleem voor je tanden of je tandvlees. Het is pas als ze zich organiseren en zich in grote getale gaan hechten op je tandoppervlak, dat ze problematisch kunnen worden. Bacteriën hebben namelijk de neiging om een biofilm te vormen op je tandoppervlak. Dat is een kleverig wittig laagje dat je van je tanden kunt schrapen als je even niet meer hebt gepoetst. We kennen dat laagje ook als tandplaque. Zit bomvol bacteriën en is de reden dat je dagelijks je tanden moet poetsen. Niet zozeer om voedselresten van je tanden te halen dus, maar om dat kleverig laagje met die potentieel schadelijke bacteriën ervan af te krijgen. Daarom is het ook superbelangrijk om niet alleen de oppervlakken van je tanden te reinigen, maar ook ertussenin te gaan. En om goed tot tegen je tandvlees aan te poetsen.

Je tandvlees hoef je overigens NIET te poetsen. Je hoeft het ook niet te masseren. Tandvlees schilfert sowieso meerdere malen per dag af en reinigt dus zichzelf. Door je tandvlees te poetsen, kan je erg gevoelig tandvlees krijgen en het zelfs wegpoetsen. Niet meer doen dus. Maar ook weer niet bang zijn om tot tegen je tandvlees aan te poetsen. Want het zijn net de bacteriën die zich tegen je tandvlees aan hebben genesteld die je goed weg wil krijgen.

Anatomie – oftewel de bouwtekening van een tand

Een tand is welbeschouwd een ingenieus stukje van ons lichaam en bestaat uit verschillende materialen. Wat ook apart is, is dat zo’n tand voor een stuk in je bot steekt en voor een stuk naar buiten piept. Het is dat stuk dat je ziet dat je natuurlijk het beste kent en dat ook het belangrijkste lijkt. Maar is dat wel zo?

Alleszins bestaat een tand dus uit een kroon (het stukje dat je ziet) en een wortel (het stuk dat in je bot zit). Binnenin de tand bevindt zich de ‘pulpa’. Dat is een streng met zenuwen en bloedvaten die zorgt voor de doorbloeding van je tand en de pijngewaarwording. De pulpa zit voor een stuk in de kroon en loopt door in de wortels van de tand (in de wortelkanalen). Langs openingen in de punt van de tandwortel(s) komen de zenuwen en bloedvaten naar buiten en daar takken ze aan op andere zenuwen en bloedvaten in het kaakbot. Wanneer de pulpa om een of andere reden geïrriteerd geraakt, dan krijg je tandpijn. Bij een ontzenuwing (of een ‘endodontische behandeling of wortelkanaalbehandeling’) wordt het pulpakanaal leeggemaakt. Maar daarover later meer.

De tand is grotendeels opgebouwd uit ‘dentine’ of tandbeen. In het dentine zitten hele kleine kanaaltjes (‘tubuli’), die eigenlijk een doorgang vormen van de pulpa naar de buitenkant van de tand. Langs de buitenkant bekeken lijkt dentine wel een zeef, met allemaal gaatjes in. In die tubuli zitten trouwens cellen (odontoblasten) die nieuw dentine kunnen aanmaken. Als dentine bloot komt te liggen, kan dat pijn doen bij aanraken of bij koude. Dat komt omdat die prikkels rechtstreeks naar de tandzenuw worden doorgegeven.

Over het dentine zit er nog een laagje: het glazuur bij de kroon van de tand en het cement bij de wortels. Glazuur is het hardste materiaal van het menselijk lichaam. En toch slagen we erin het kapot te krijgen. Glazuur is ook lichter van kleur dan dentine. Als de wortel van een tand bloot komt te liggen, dan zie je het kleurverschil.

De wortels van elke tand zitten in een tandkas in het bot en hangen in een soort hangmatje van vezels (het “parodontale ligament”) vast aan het omringende bot. Meestal is de wortel van een tand langer dan de kroon. Het is van belang dat het bot rondom een tandwortel in goede gezondheid blijft, want bij aantasting van het bot, kan een tand loskomen (dat noemen we ‘parodontitis’, maar ook daar komen we later op terug!).

Snijtanden en hoektanden hebben (meestal) één wortel. Ook premolaren in de onderkaak hebben er meestal één. Premolaren van de bovenkaak hebben er één of twee, net als molaren in de onderkaak. Molaren in de bovenkaak hebben (meestal) drie wortels. Veel ‘meestallen’ in deze paragraaf. Want moeder natuur durft al eens creatief te zijn.

Dus als je mag kiezen welke tand ontzenuwd wordt, kies er dan eentje vooraan, fijn bereikbaar en met maar één wortel. (Nu, sommige tandartsen vinden het een prachtige uitdaging hoor, zo’n kies ontzenuwen met meerdere wortels en soms ook nog meerdere pulpakanalen per wortel).

Goed. Ik heb het misschien wat ingewikkeld gemaakt. Odontoblasten, parodontaal ligament. Veel te veel informatie. Maar onthou: de kroon en de wortel. Dentine, glazuur, cement en vanbinnen de pulpa.

En wat daar allemaal mis mee kan gaan, dat gaan we later wel zien. Nog even geduld.

Beetje luguber misschien, maar wist je dat tanden uitstekend dienst kunnen doen bij forensisch onderzoek?

Doordat tandmateriaal zo hard is en moeilijk verwoest kan worden en doordat tanden uniek zijn voor elke persoon, is het een ideale methode om snel slachtoffers te identificeren bij natuurrampen, terroristische aanslagen of wanneer er bijvoorbeeld een onbekende drenkeling wordt gevonden. Daarvoor vergelijken gespecialiseerde forensisch tandartsen de resten met röntgenfoto’s, klinische foto’s of beschrijvingen uit het tandheelkundig dossier van vermoedelijke slachtoffers. Naast DNA onderzoek en vingerafdrukken is de gebitsstatus één van de primaire identificatiemethodes.

Geen idee of de gedachte dat je tanden als laatste zullen vergaan je gaat aansporen om ze goed te poetsen, maar het kan alleszins geen kwaad.

Als je wil weten hoe je je mond gezond moet houden, is het belangrijk dat je weet hoe één en ander in elkaar zit. Hoe je tanden opgebouwd zijn en wat er nog allemaal te vinden is, daar in je mond.

Tanden

Tandnummers

Je hebt waarschijnlijk al eens gezien dat je verschillende soorten tanden hebt. Je bent niet alleen.

Als je een volwassen gebit hebt en nog over de hele set tanden beschikt, dan zou het er moeten uitzien als volgt (al zijn er vele variaties op het thema): vooraan in je mond heb je snijtanden (4 boven en 4 beneden) en aan weerszijden van die snijtanden staan je hoektanden (1 aan elke kant, dus 4 in totaal). Achter je hoektanden staan telkens twee “premolaren”. En daarachter staan een paar “molaren” of kiezen (of maaltanden of boktanden of baktanden…). In principe 3 per kant en per kaak (dus 12 in totaal). Dat allemaal bij elkaar geteld maakt 32 tanden. 16 in de bovenkaak, 16 in de onderkaak. En in elke kaak 8 aan de linkerkant en 8 aan de rechterkant.

De tandarts deelt je mond op in kwarten om het zichzelf gemakkelijk te maken en die kwarten noemt hij kwadranten. Niemand weet waarom. Waarschijnlijk omdat dat slimmer klinkt. Het eerste kwadrant is rechts boven, het tweede links boven, het derde links onder en het vierde rechts onder. En die kwadranten die bepalen ook de tandnummers. Want elke tand heeft een nummer van twee cijfers. Het eerste cijfer wordt bepaald door het kwadrant en het tweede cijfer is de volgorde van de tand van de middellijn te beginnen. Dus. Je rechterbovensnijtand (die grote)? Dat is de 1.1 of 11. Zijn buur, de linkerbovensnijtand (de grote ook) is de 2.1 of 21. Je wijsheidstand links onder is de 3.8 of 38. Zo. Een eerste groot mysterie opgehelderd.

Voor de melktanden tellen ze dan door. Rechts boven is dan het vijfde kwadrant, links boven het zesde, links onder het zevende, rechts onder het achtste. Compleet onlogisch. Want je melkgebit komt voor je volwassen gebit. Maar goed. Zo doen die tandartsen dat dus. Die codetaal kan je nu dus doorprikken.

(En o ja. Als jij zegt dat je rechts pijn hebt, dan is dat ook voor de tandarts jouw rechts. Ook al staat die tegenover je. Zo flexibel is dat tandartsenbrein wel. Maar als je je daar geruster door voelt: wijs de boosdoener anders gewoon nog eens aan voor de zekerheid…).

Wat als ik nu eens stukjes zou schrijven over tanden?

Want hoe meer je erover weet, hoe beter. Op alle gebied…

Frieda Gijbels

EVEN OVER MIJ

“Humaniora” kon je nog gewoon letterlijk nemen.

In mijn tijd hoefde je op je 16de nog niet na te denken over wat je op je 23ste wou zijn. Ik mocht op mijn dooie gemak “humanior” worden. “Meer mens”, zogenaamd. Op het gemak verbreden en verdiepen, zonder dat er een duidelijk doel was. En welke richting leende zich daar beter toe dan de Latijn-Griekse. Volgens het oude systeem dan nog, dus elke week 8 uur klassieke talen. Een minimum aan wiskunde en wetenschappen, maar veel verhalen, mythologie, teksten scanderen, vertalen, ontdekken, ontrafelen. Zonder dat ik daarom dus ambitie had om iets met talen te gaan doen. Moest je het mij toen gevraagd hebben: zelfs in de verste verte niet.

Een zalige tijd.

En als je het mij dan toch zou hebben gevraagd, wat ik wou worden, dan zou ik “architect” gezegd hebben. Of “archeoloog”. Of “chirurg”. En als ik écht eerlijk was, als ik écht mijn diepste zielenroerselen naar boven zou durven brengen, dan had ik gezegd: “kunstenaar”. Niets dat mij gelukkiger maakte dan knutselen, schilderen, tekenen, breien, haken, macramé. Noem het. Ik deed het.

Het werd tandheelkunde. Waarschijnlijk leek het de perfecte mix tussen al die opties. Er was nog geen sprake van een toelatingsproef, dus het gebrek aan wiskunde en wetenschappen loste ik handig op door een lief aan de haak te slaan dat 8 uur wiskunde had gevolgd en wiens boeken ik in “eerste kan(didatuur)” (nu eerste bachelor) mocht lenen. Ik heb hem beloond met een huwelijk dat nu al 25 jaar duurt en drie schitterende kinderen.

Het eerste jaar was geweldig, vooral die fysica en wiskunde dan en daar slaagde ik voor met glans. De medische vakken boeiden me ook enorm. Maar het technisch-tandheelkundige vond ik veel en veel minder aangenaam. Het was niet creatief. Niet artistiek. Het was schools.

 Schools is het juiste woord. Een beetje bekrompen. Erg belastend ook, met vele verplichte practica in een ondergronds laboratorium zonder daglicht. Op een onchristelijk uur voor wie ’s avonds ook nog wel eens de wereld wilde verkennen.

Ik voelde mijn wereldbeeld verkleinen. Mijn algemene kennis slonk zienderogen. Minder mens werd ik (met enige overdrijving). Wat is het tegenovergestelde van humanior? Mijn brede blik leek wel te verengen tot tanden-tanden-tanden waar elke fractie van een millimeter zogenaamd belangrijk was. En – oké – tanden zijn belangrijk. Ik ga er stukken over schrijven. Dus ja.

Maar toch. Het is maar een fragmentje van een lijf en een tand missen is zelden dodelijk.

Ik had het er dus moeilijk mee, met die opleiding.  Maar ik ben erdoor geploeterd.  En ik had het geluk dat ik daarna aan een doctoraat mocht werken over medische beeldvorming en dat ik aan een opleiding parodontologie mocht beginnen. Mijn wereld vergrootte weer. Letterlijk, want ik mocht vele wetenschappelijke congressen bijwonen en presentaties geven over de hele aardbol. Ik vond weer aansluiting met fysica, met taal, met wiskunde, statistiek, maar ook met creativiteit en het algemeen medische.

Ondertussen ben ik 27 jaar tandarts en 22 jaar parodontoloog. Ik heb duizenden patiënten gezien en behandeld. En nu kijk ik er helemaal anders naar. Nu ben ik ervan overtuigd dat mondgezondheid belangrijk is. Misschien belangrijker dan jij denkt. Al weet ik niet wat jij denkt. Alleszins belangrijker dan de meeste mensen denken.

De meeste mensen gaan minstens een keer per jaar naar de tandarts en dat al van jongs af aan, waardoor je zou denken dat tandartsen vertrouwd zijn. Een deel van de familie als het ware.

Maar de meeste mensen gaan liever niet dan wel. Hebben schrik voor de kosten. Schrik voor wat er gaat gebeuren. Bang voor de boor. Bang voor het verdict.

Terwijl er zoveel manieren bestaan om je tandarts te slim af te zijn.

Om geld te besparen. Als burger en als samenleving.

En om je mond gezond te houden. Want dat is natuurlijk het allerbelangrijkste.

Je moet alleen weten hoe. En dat leg ik je graag uit.

(Binnenkort meer :-))

Dat ik van buiten naar binnen keek door het raam van de kleuterklas. Dat ze mij vertelden dat ik daar binnenkort naartoe zou mogen. Dat is denk ik mijn vroegste herinnering. Ik weet niet meer wat ik daar toen bij dacht. Ik denk dat ik het wel spannend vond. Of fascinerend. Al kende ik dat woord toen allicht nog niet.

Typisch dat die vroegste herinnering samenhangt met school. Ik zou liegen als ik zei dat ik altijd graag naar school ben geweest. In – ik denk het derde – van de lagere school was ik altijd “ziek” en wilde ik liever naar huis. En ook aan de universiteit heb ik heel veel lessen gebrost. Omdat ik het onmogelijk vond om uren achter elkaar in die banken te zitten. Maar het is toch wel tekenend voor wie ik ben.

Het is altijd dubbel geweest. Van de ene kant de niet aflatende honger om altijd maar meer dingen te leren, nieuwe inzichten te verwerven, vakken te beheersen, vraagstukken op te lossen. Van de andere kant rebellerend tegen het keurslijf, het schoolse, het afgebakende, het controlerende, het autoritaire, het weinig creatieve.

Want ook dat is typisch ik. Af en toe uit de band springen. Niet doen wat er wordt verwacht. Met opzet. Omdat het leven niet altijd serieus moet zijn. Omdat ik vind dat veel mensen zichzelf veel te ernstig nemen en ik soms de aandrang heb om hen van de wijs te brengen. Omdat ik mezelf ook onmogelijk ernstig kan nemen.

In het middelbaar bracht ik bij het medisch schooltoezicht een potje appelsap binnen in plaats van urine. Goeie grap, dacht ik. En ik dacht ook echt dat die volwassenen een kind wel door zouden hebben. Niet dus. Doodongerust kwamen ze mij uit de wachtzaal halen en namen ze me mee voor een ernstig gesprek. Er was heel veel suiker in mijn urine gevonden. Waarop ik hartelijk begon te lachen en hen de grap uitlegde. Achteraf heb ik netjes geplast. Maar zij konden er niet mee lachen. Tant pis.

In de klas weigerde ik steevast om mijn vinger op te steken als ik het wist. Het volstond wel dat ik zelf wist dat ik het wist. Ik hoefde dat echt niet aan de hele klas te laten zien. Ik lette ook niet altijd op, maar als ik dan straf moest schrijven, dan vond ik dat schitterend. Zeker als ik een opdracht kreeg en ik tegen de dag nadien een opstel moest schrijven over de één of andere absurde woordcombinatie. Ik heb altijd graag geschreven. Ben altijd graag creatief geweest en maakte de gekste dingen. Heerlijk was dat, om hele dagen bezig te zijn met dingen te maken. Opperste concentratie was er dan. Weg van de wereld. Net zoals er opperste concentratie was als ik las als kind. Of als ik een examen maakte.

Dat ben ik precies wat kwijtgeraakt.

Mijn slordigheid is er echter nog steeds. Administratie is aan mij niet besteed. Ik vind het erg voor mijn boekhouder. Die ergert zich wellicht dood. Ik vergat ook telkens opnieuw mijn rapporten af te leveren op school, waardoor ik uiteindelijk afstudeerde zonder rapport. De klastitularis was het zo beu dat hij mij en mijn ouders opwachtte zonder enig document. Hij had geweigerd een nieuw rapport op te maken en dacht dat ik daarvan onder de indruk zou zijn. Niet dus. En mijn ouders moesten er hartelijk mee lachen. Ik heb het van geen vreemden.

Aan de universiteit vond ik het allemaal goed en wel als ik zelf mijn tempo kon bepalen. Ik zou zelf wel zorgen dat ik op tijd begon te blokken. Daar hoefde verder niemand zich mee te moeien. Al die exacte wetenschappen vond ik dan ook geweldig. Naar de les gaan (of niet) en dan gewoon zorgen dat je het doorgrondt en kunt reproduceren.

Zo leuk als ik dat vond, zo vreselijk vond ik de verplichte labo’s. ’s Morgens vroeg je moeten aanmelden. Je werkstukken op gezette tijdstippen moeten opvragen en inleveren. Wie verzon het in ’s hemelsnaam? Geef me gewoon een deadline en ik zorg dat het lukt.

Ik vraag me af wat voor een volwassen persoon ik ondertussen geworden ben.

Uiteindelijk ben ik nog net dezelfde als die ik vroeger was. Nog altijd vind ik het heerlijk om dossiers uit te spitten en ze te doorgronden. Nog altijd kan ik raar doen op onverwachte momenten.

Maar toch betrap ik me er steeds meer op dat ik aan creativiteit aan het inboeten ben. Het zal wel komen omdat er nogal wat ballen in de lucht te houden zijn. De dagelijkse poespas, de beslommeringen, de dingen die toch wel wat serieuzer zijn geworden. Je kan het je niet veroorloven om slordig te zijn met patiënten, natuurlijk. En je moet af en toe toch ook voor je kinderen zorgen.

Maar mijn organisatorisch vermogen is nog altijd niet wat het moet zijn. Dagelijks ben ik nog bang dat ik afspraken vergeet of deadlines mis. En als ik weer eens een afslag voorbij rij of naar de verkeerde bestemming onderweg ben, dan hoef ik dat niet te wijten aan de perimenopauze of aan andere aandoeningen. Want: dat is al jaren zo.

Het maakt dat ik me nog altijd niet volwassen voel. Hoewel twee van mijn bloedeigen kinderen ondertussen meerderjarig zijn en de derde bijna. Hoewel ik vandaag vijftig jaar word.

Kan dat wel? Ik moet nog zoveel leren. Misschien heb ik me vergist in de telling.

Maar die kans is toch eerder klein. Ik zag het net toen ik nog eens goed in de spiegel keek. En er zat een brief in de brievenbus met een uitnodiging voor een mammografie. Binnenkort zal ook de brief voor de stoelgangtest wel komen zeker? Eens denken wat ik daar in ga stoppen ;-).

Beste Oudsbergenaar,

Onze ideeën voor Oudsbergen werden al even geleden aan het papier toevertrouwd, maar werden gaandeweg nog aangevuld met tips die we kregen bij onze huisbezoeken.

En ondertussen zit dat programma niet alleen goed in elkaar, het ziet er ook nog goed uit.

We hopen dat u ons programma met aandacht zal lezen. Ondertussen maken wij ons klaar om het binnenkort ook in de praktijk te kunnen omzetten.

Maar om dat te kunnen doen, hebben we eerst nog heel veel stemmen nodig. We hopen er dan ook op dat u op 13 oktober naar de stembus zal gaan. En als u denkt dat het wel eens goed zou zijn dat er een nieuwe wind door Oudsbergen zou waaien, dan kan u vol vertrouwen kiezen voor de kandidaten van de lijst N-VA – Open Oudsbergen.

We hebben de mensen, we hebben de ideeën. En we denken dat het tijd is.

Tijd voor nieuw beleid.

Veel leesplezier,

Frieda

P.S. Binnenkort vinden de Oudsbergenaren het programma ook in hun brievenbus!