Wan Toe Frie

persoonlijke blog van Frieda Gijbels

“Het was weer van dat”, zuchtte de burgemeester.

“Weer een zaal vol kleurspoelingen, mis-en-plis en kalende hoofden?” vroeg zijn medewerker. 

“Ja… de ouwe getrouwen.  Maar aan mij kan het toch niet liggen.  Ik ben toch hip.  Ik spreek toch de jongeren aan.  Wij hebben toch een vlotte ploeg schepenen?  Waarom komt de jeugd niet naar die hoorzittingen?  Stijn had gelijk, in zijn stukje in het Belangske (nvdr: zie hieronder).   Het swingde niet.  Ik leek Geert Hoste wel.”

“Maar misschien liggen jongeren niet wakker van zo’n fusieverhaal? “

“Ja maar, we moeten ook stillekesaan beginnen te denken aan de nieuwe gemeenteraadsverkiezingen.  De jeugd kiest niet meer per se voor de CD&V.  Dat ziet ge in die peilingen die ze om de haverklap doen.  Tegenwoordig is het Groen, of de N-VA begot.  Het is echt godgeklaagd, er zijn geen zekerheden meer.  De focus moet liggen op de jeugd.”

“Maar burgemeester, ze gaan toch wel voor u kiezen, zeker!”

“Ik vind dat we het zekere voor het onzekere moeten nemen en de jeugd koud pakken op hun eigen terrein.  We gaan gewoon zelf naar die jeugdhuizen toe.  Dan kunnen ze geen kant op. “

“Weet ge wat ik aan het denken ben?”

“Zeg es”.

“Die hoorzittingen, dat was wel een succes en al, allez, zo verkopen we het toch.  Maar de meeste mensen zijn natuurlijk níet gekomen.  Als we nu eens zogezegd de jeugd willen bereiken, maar we verspreiden die nieuwe uitnodigingen heel breed.  We hangen ze in de cafés, leggen ze bij de bakker, bij de slager…  Dat is opnieuw reclame voor u, hè burgemeester.  De mensen gaan daarover spreken.”

“Het moet dan wel iets worden dat in het oog springt.  Iets trendy.   Maatwerk, dat is het tegenwoordig.  Een flyer die jongeren aanspreekt.”

“We moeten daar zeker iets in ’t Engels tussengooien. De jeugd, dat spreekt Engels alsof het niks is.  Niet gelijk Crevits, met haar “white hemd” indertijd, maar vlot Engels.  En we moeten een lokkertje hebben.  Waar komt de jeugd op af? “

“Ik zou zeggen dat er een drankje wordt aangeboden na afloop, maar dat hebben we bij die hoorzittingen ook al gezegd, en dat werkte blijkbaar niet.”

“Ja maar zo zegt ge dat ook niet meer, tegenwoordig.  We zetten daar op: “free drinks”.  Daar komen ze wel op af.”

“Och, weet ge wat, zet er ineens “four  drinks” op,  of “five drinks”, voor mijn part.  We hebben nog wel ruimte in onze gemeentekas.”

“Neenee, niet “three drinks”, maar “free drinks”, gratis drank.

“Ah ja!  Zjuust.  Gelijk een gratis vat. Hahaha! Goed gedacht.  Daar komen ze wel op af!  Zij kunnen voor niks op café, en ondertussen doen Ben en ik onze parlé. Of misschien hoeft dat zelfs niet.  We zíjn daar dan gewoon, twee toffe burgemeesters die een vat geven.”

“En weet ge wat.  Ik denk juist aan iets schitterends.  Ge kent toch die sms-taal, met YOLO en LOL enzo hè, die Engelse afkortingen.  Dat is het ook het één na het ander bij die jeugd.  En moet ge nu weten.  De jeugd zegt toch de hele tijd “amagat” hè, dat is eigenlijk “Oh My God” en ze korten dat af als OMG.  O – M – G. “

“?”

“Awel, O-pglabbeek M-eeuwen G-ruitrode.”

“Dat is het! Dat is het gewoon!”

“En dan zoek ik nog een prentje met een dorp op de achtergrond, en zo’n retro Volkswagen busje, want dat is ook helemaal in.”

“Neenee, geen dorp.  Doe maar met hoogbouw.  We moeten groot denken.  Genk ligt niet ver van Opglabbeek hè… En weet ge welke minister in Genk woont?”

“Jo!”

“Awel ja – Genk wordt onze volgende acquisitie – en mijn broodje is gebakken.”

“Gij zijt toch niet te schatten.  Allez hop, de verkiezingscampagne is ingezet!”

“Gaat dat niet teveel opvallen, dat we met gemeenschapsgeld stemmen aan het ronselen zijn?”

“Maar nee, dat steken we allemaal op de fusie en het democratisch overleg.  Geen kat die argwaan krijgt.” 

Affiche jeugdhuizentoer

12828419_648902888581700_3377911848489665669_o

Mijn perceptie van de gemeenteraad van 25 februari 2016…

Het was me wat, daar op de gemeenteraad.  Ik weet niet of je al ooit een gemeenteraadszitting hebt bijgewoond, maar het is toch wel eens de moeite om te gaan kijken.  Burgemeester en schepencollege netjes op een rij.   Aan de zijkanten, tegenover elkaar, de raadsleden van de meerderheid.  Die zeggen dus de hele tijd niks.  Moeilijk te zeggen of ze niets willen zeggen, of niets mogen zeggen.  Ze lijken zich af te vragen waarom ze daar zitten.   Pas in de tweede helft van de zitting wordt de aandrang te groot en wordt er zonder schroom op smartphones getokkeld.  Een welgemeende chapeau daarvoor, ik weet niet of ik het zo lang had kunnen uithouden. 

En tegenover het college de oppositieraadsleden. Raadsleden en oppositieleden zitten dus in een “U”, en burgemeester en schepencollege lijken hun autoriteit te willen benadrukken door van die “U” geen gezellig vierkant te maken, maar door zich als een aparte rij op te stellen, aan de open zijde van die “U”.

De burgemeester is ook de voorzitter van de raad, iets wat tegenwoordig toch eerder een rariteit is.  In veel gemeenten wordt de functie van voorzitter aan een andere verkozene toebedeeld, zelfs van een andere partij (om de kans op een eerlijk debat te verhogen, om meer mensen actief te betrekken, ik noem maar wat).  En ik bedoel, komaan, die raad bestaat uit 23 man – daar kunnen toch wel enkele taken verdeeld worden…

Het eerste punt op de agenda luidde: “bestuurskrachtmonitor: kennisgeving beslissing ABB omtrent kandidatuur en bespreking ondersteuningsaanbod“.  Cryptischer kan je niet zijn.  Al wie weet wat er met deze omschrijving bedoeld wordt, heeft iets met politiek te maken, dat kan niet anders.  En dan nog.

De bedoeling was blijkbaar om aan te kondigen dat onze gemeente zich kandidaat had gesteld om een zelfevaluatie te laten uitvoeren door het Agentschap Binnenlands Bestuur (ABB).  Grotendeels gefinancierd door dat ABB.  Bij deze zelfevaluatie wordt de “bestuurskracht” gemeten door een analyse van 7 thema’s.  Uiteindelijk ging het er gewoon om dat er werd bekeken of een gemeente geschikt is om samen te smelten met een andere gemeente.

Maar goed, de burgemeester maakte even een achtergrondschets van de veranderende tijden, waarbij er meer taken worden verschoven naar Vlaanderen, of de gemeenten, met de bedoeling het provinciale bestuursniveau af te bouwen.  Omdat de middelen om als gemeente meer te doen niet meekwamen met de bevoegdheden, moesten er manieren gezocht worden om meer te doen met hetzelfde.  En al gauw kwam Opglabbeek in het jagersvizier van burgemeester Licious (voor duiding hieromtrent, zie mijn eerdere blog “Verengelsing ten top”).

Maar, en daar deed hij nogal omstandig over, “hij wou niet de jager zijn die met de fanfare op kop het bos in trok”.  “Want dan zou hij weinig konijnen schieten”.  Wij hadden op dat moment nog niks gezegd – het moest zijn dat hij toch al hier en daar had horen waaien dat de mensen vonden dat één en ander zich boven hun hoofden had afgespeeld.  Dat hun mooie burgemeester verdorie zo goed kon zwijgen over dingen waar ze persoonlijk bij betrokken waren.    Maar hij legde uit dat hij achter de coulissen, met een select groepje, alles had voorbereid.  Alleen degenen die daar op dat rijtje zaten, afgescheiden van de rest, zij waren ingelicht.  Stel je voor dat het de bevolking ter ore zou zijn gekomen dat hun burgemeester, die echte Meeuwenaar, die iedereen bij naam kende, die enkel en alleen voor de belangen van Meeuwen-Gruitrode (hij zei wel Limburg, maar we wisten wel beter) in Brussel zat, dat net hij ook de Opglabbekenaren een warm hart toedroeg. 

Want dat verwachtte hij dus.  Een volksopstand.  Een explosie van emoties.  Liefdesverdriet.  Gebroken harten.  Er zou een sfeer ontstaan die rationeel handelen belette.  Vandaar dat hij snel en alleen had moeten handelen.  Dat overleg of een voorafgaande informatieronde uitgesloten was.  En dat alles in ons aller belang, dat zagen we toch wel in?

En oei – vergeleek hij de Opglabbekenaren nu met konijnen?

Goed, uiteindelijk mocht de oppositie reageren.  Eerst onze fractie, want wij hadden tenslotte de vraag op de agenda laten zetten “of we nu eens mochten weten met welke gemeente hij aan het praten was, want er waren hardnekkige geruchten, en wanneer hij de bevolking wou laten weten dat een fusie een mogelijke piste was”. 

Ja, daar ging onze vraag dus.  Het antwoord was er rapper dan de vraag was gesteld.  Nu, de burgemeester had onze vraag vrijdag al kunnen lezen.  En moet je nu weten – donderdag – dus net één dag eerder – was hij op het idee gekomen om alvast brochuurtjes te drukken.  Dat vertelde hij nu.  Het had dus niks te maken met onze vraagstelling, dat alles zo halsoverkop in de media was gegooid.  Dat we die pretentie hadden, zeg.

Maar goed, voor alle duidelijkheid: onze fractie is voor schaalvergroting van gemeentes.  Alleen vroegen wij ons af of we dan niet ambitieuzer moeten zijn?  Maaseik heeft al laten weten dat zij Opglabbeek ook wel zagen zitten, en Kinrooi en Maaseik waren onderling aan het praten.  Moeilijk moest dat dus niet zijn. Dan vermijden we tenminste dat er later nog eens een fusieronde moet komen, met nog eens alle kosten en rompslomp van dien.  Want met een fusiegemeente van 23.000 inwoners zitten we nog steeds maar ergens midden in het peloton, en dat is nog zonder eventuele toekomstige fusies gerekend. In dit digitale tijdperk zouden gemeenten toch véél groter kunnen zijn.  Stel je voor dat na een aantal jaar zou blijken dat “Oudsbergen” (zoals ik het voor het gemak maar even noem, “Duinbergen” is al bezet) toch nog te klein is om optimaal te functioneren, zullen er dan gedwongen fusies volgen?  Worden we dan, samen met Opglabbeek, opgeslokt door Genk?

Maar misschien was het bespreken van een fusie met Opglabbeek helemaal niet zo’n heksentoer of een heldendaad en was het gewoon een mooie oplossing voor beide burgemeesters?  Dat de ene er stilletjesaan mee wou stoppen, dat gerucht deed al langer de ronde.  Dat beide burgemeesters stevig in het zadel zaten aan het hoofd van hun volstrekte meerderheid zal ook wel geholpen hebben.   Dat de andere burgemeester graag een iets grotere gemeente wou hebben, dat kunnen we begrijpen.  Want ambitie is niet vies, het willen veiligstellen van de macht is des mensen.  Een fusie met een gemeente die daarentegen door verschillende partijen wordt bestuurd, vormt natuurlijk een grotere bedreiging van de macht.  Want dan wordt het al een stuk riskanter wie de volgende burgemeester wordt. 

Er was wat geroezemoes toen onze fractie zulks “durfde” te poneren, maar ik denk (pure perceptie) dat vele aanwezigen deze denkoefening al lang zelf hadden gemaakt.

Op concretere vragen over een verlaging van belastingen, lokatie van het gemeentehuis, de problematiek omtrent hulpverleningszones of dubbele straatnamen kon hij niet antwoorden.  Ha nee, want als hij daar op zou kunnen antwoorden, dan zouden we ons inderdaad ongerust moeten maken, want in dat geval was hij er inderdaad al langer mee bezig geweest. 

Samengevat: geen verrassingen, geen bijzonderheden. 

Hij probeerde nog even te doen uitschijnen dat we wel erg negatief waren over een fusie, terwijl onze eigen minister Homans de loftrompet over hem had afgestoken. 

We legden uit dat hij ons dan toch niet goed had begrepen.  Uiteraard zijn wij voor schaalvergroting, alleen mocht die wat verder gaan.  N-VA Meeuwen-Gruitrode is dus veel meer voorstander dan welke andere partij ook

De  meeste inwoners zullen wel inzien dat het uiteindelijk niet anders kan, maar waarom de burgers niet veel eerder betrekken in een aftoetsingsproces ?  Niet om te laten beslissen of een fusie al dan niet zal doorgaan, zoals het nu wordt voorgesteld.  Wel om te voelen met welke gemeenten (meervoud) de  meeste efficiëntie wordt bekomen, vooral op lange termijn, want laat ons de oefening alsjeblief doen voor onze kinderen en niet om onze eigen ambities te realiseren.  Als Meeuwen-Gruitrodense Opglabbekenaar ben ik ontzettend blij met de voorgestelde fusie, maar  voor onze kinderen wil ik iets waar zij later fier op kunnen zijn.

Om terug te komen op de gemeenteraad: even later was iedereen, meerderheid en oppositie, het er roerend over eens dat er een WC-wagen moest worden aangekocht. 

Het ging zo:

“Mama, ik was haarelastiekjes aan het zoeken in de badkamer, en toen vond ik mijn verlanglijstje.” 

Ik: “Wat zeg je?” 

Zij: “Oh, niks, laat maar.”

Ik zeg: “Welk verlanglijstje?”

Zij, beteuterd: “Ja, dat van Sinterklaas.” 

Ik dacht even na en zei toen: “En hoe denk je dat dat daar komt?” 

“Ja, ik denk dat jij de Sint bent!” 

Ik zeg: “Ja, goed gevonden!  Zo is dat!  Ben je nu boos?”

“Ja, een beetje.”

“Ja, flauw hè, dat we jou dat hebben wijsgemaakt.”

Na een tijdje: “Ja maar, bestaat er dan wel ook nog een echte Sint?” 

“Wat denk je?” 

Zij (zucht): “Nee dus…”

Ik zeg: “Elk kind moet dit wel zelf ontdekken, dus je mag het niet aan andere kinderen vertellen, hoor!” 

Zij, uiteindelijk toch lichtjes trots: “Oké dan”.

Ik had waarschijnlijk nog wel een aannemelijke uitleg kunnen verzinnen.  Maar de spiekpieten en de hulpsinten waren al eens op de proppen moeten komen.  En ergens knaagde het toch wel, als ik weer eens iets op een mouw moest spelden.  Mijn eigen mama was er indertijd al helemaal geen held in.  Bij de minste twijfel werd het “grote geheim” uit de doeken gedaan. Terwijl ik nog op de kleuterklas zat en eigenlijk het verhaal van de hulpsinten had willen horen.  Sinds toen bracht de zogenaamde Sint boekjes over seksuele voorlichting.  Want de bloemetjes en de bijtjes, daar wou ze al helemaal niet aan beginnen.  Ze vond altijd dat je aan kinderen niets mocht wijsmaken.

Nu moet ik wel zeggen, sinds Hugo Matthysen en Bart Peeters vind ik die hele sinterklaassfeer wel enorm gezellig en hartverwarmend.  Onder ons gezegd en gezwegen, ik denk dat de Sint wel degelijk bestaat.  Alleen heet hij niet Nicolaas, maar Jan.  En vanaf zeven december gaat zijn baard er weer af, verdwijnen zijn mijter en staf in de kast, en verdient hij zijn brood met acteren. 

Maar in feite ben ik toch wel blij dat mijn dochter er uiteindelijk is achtergekomen.  Want je kan als volwassene het hele verhaal nog wat uitbreiden en mooier maken en uitwegen en achterpoortjes verzinnen, maar ik vind dat je je kind ook moet belonen voor zijn kritische ingesteldheid. 

Want de wereld barst vandaag van de meningen, die razendsnel verspreid worden via sociale media.  Mensen met rare ideeën vonden elkaar nooit zo gemakkelijk als vandaag.  Zo lijkt het soms of grote groepen mensen ervan overtuigd zijn dat het misdadig is om kinderen te laten vaccineren.  Velen denken dat tandpasta met fluoride giftig is, of dat er een therapie bestaat die alle kankers geneest, maar dat die geheim gehouden wordt.  Sommigen denken dat je rechtstreeks naar een letterlijke hemel gaat, met maagden en al, als je jezelf opblaast in naam van een god.   Meer dan ooit is het van belang dat je dergelijke berichten met een flinke dosis scepsis kan benaderen.  Het belang van kritisch denken, in vele gevallen gewoon gezond boerenverstand, kan volgens mij niet worden overschat.  Ouders, leerkrachten en de openbare media zouden dit optimaal moeten stimuleren.   

Maar de grootste bezorgdheid van mijn dochter kwam er vandaag pas uit: “Mama, maar dan mogen we ons bord toch nog wel zetten, hè, met Sinterklaas?”

“Tuurlijk, mie.”

Toch prachtig, wat ze daar in Spanje van die kapel hebben gemaakt.  Het was een kapel die op instorten stond en volledig gerestaureerd werd, voorzien van schitterende muurschilderingen én een skateramp.  De middelen werden verzameld  door crowdfunding. 

Maar ook bij ons zijn er zoveel kerken en kapellen die, laten we zeggen, onderbenut zijn.

Terwijl ze wel veel geld kosten aan de gemeenschap.  Wist je dat de gemeenschap elk jaar een hoop moet bijpassen, om de rekening van de kerkfabriek te doen kloppen?  Terwijl de kerkfabriek in vele gevallen wel degelijk bezittingen en beleggingen heeft, waaruit inkomsten worden gegenereerd, en waardoor de bijdragen in principe een stuk lager kunnen zijn.  De kerkfabriek doet ook aan crowdfunding, maar dan verplichte, en volgens mij al te vanzelfsprekende.  Ze gaat ervan uit dat de rekening wel in orde zal komen.

Nu, van de andere kant is het natuurlijk wel zo dat de cultuur van de katholieke Kerk deel uitmaakt van onze geschiedenis, dat ze voor een deel heeft gevormd wie we zijn.  Al is het de afschuw voor de nonnenschool, of de herinnering aan enge pastoors.  Alleen al de architectuur biedt een mooi overzicht van onze recente geschiedenis.   De romaanse of gotische gewelven, of het modernisme   van de jaren ’60, meestal heeft elke gemeente wel een bepaald arsenaal, waaraan voor velen ook herinneringen kleven. Misschien is het logisch dat een deel van ons belastinggeld gaat naar het onderhoud van de vaak prachtige gebouwen.

Van de andere kant denk ik dat het wel eens responsabiliserend en louterend zou kunnen werken als de Kerk terug moeite moest doen om kerkgangers aan te trekken.  Of als mensen zouden kunnen kiezen of ze al dan niet een deel van hun belastinggeld aan de Kerk willen schenken.

Sowieso denk ik dat het onverantwoord is dat de kerkgebouwen onderbenut blijven op de manier zoals dat nu het geval is.

In onze gemeente, met 5 kerkdorpen en in totaal ongeveer 13000 inwoners, zit niet elke kerk elke dag, laat staan elke week overladen vol. 

Een eerste idee zou kunnen zijn dat één van de vijf kerken effectief nog voor erediensten wordt gebruikt.  De mensen die graag naar de mis willen en minder mobiel zijn, kunnen worden opgehaald.  Het zal alleszins goedkoper zijn dan de bijdragen die we moeten leveren aan alle vijf de kerkfabrieken.  Bovendien zit de kerk dan wel weer vol en is het hele gebeuren opnieuw wat gezelliger.  Wie weet krijgt de pastoor zelfs vernieuwde inspiratie, als hij weer voor een volle kerk mag preken.

De andere kerken kunnen dan voor andere projecten, of andere verenigingen worden aangewend.  Het liefst polyvalent.  Ik denk in eerste instantie aan zangkoren en muziekverenigingen, maar waarom zelfs geen binnensportclub?  Judo, volleybal, tafeltennis, badminton, dansverenigingen.  Het zou de sporthal wat ontlasten en een soepeler uurschema toelaten.  En op deze manier kan het kerkgebouw één van de opdrachten, ik denk zelfs de belangrijkste, van de Kerk overnemen: gemeenschap vormen, een sociaal web spinnen, samen beleven, elkaar leren kennen, samen lachen, elkaar troosten. 

kerk

Foto uit Knack Weekend van 20/01/2016 – El Kaos Temple in Llanera (Asturië)

Ik las eens in Knack Weekend het rubriekje “De Dikke van Rage: over mensen, fenomenen en objecten die het gaan maken”.

Wat me daar opnieuw opviel, was dat die nieuwe woorden etymologisch vaak niet kloppen (los van de vraag of bepaalde fenomenen echt wel een woord nodig hebben).

Neem nu het nieuwe woord “dronketariër”.  Uitgelegd als “een vegetariër die vlees eet als hij dronken is.  Volgens een recente studie zou 2 op de 5 vegetariërs zich in benevelde toestand laten verleiden tot pitta en co”  (“zouden”, “pita”, maar we doen niet moeilijk.)

Klopt toch niet.  Het achtervoegsel “tariër” slaat toch op niks?  Iemand die in dronken toestand dus wat doet? 

Ik heb het opgezocht.  Vegetariër is afgeleid van “vegetable” (Engels).  De “ta” hoort dus nog bij de “vege”, zoals ik al dacht en als je volgt wat ik bedoel.  Maar ik geef toe dat het woord “vegetariër” zich niet makkelijk laat lenen voor een neologisme dat “klinkt als”, maar met de alcohol én het vlees erin verwerkt. 

Heb er dus eens over nagedacht en een alternatief  bedacht.  Ik had echt heel weinig te doen op dat moment.

Een vleeseter is een carnivoor, zoals we allemaal weten.  Ik kan mij nu wel voorstellen dat een vegetariër in dronken toestand zegt: “waarnivoor”.  Voilà. 

dronketarier

Zie ook http://mutshaves.wordpress.com.

Zo, de laatste mutsen zijn de deur uit.  Tijd nu voor iets wilds, want de fazanten moeten gevuld, de hertengebraden gekorst.  Hopelijk heeft iemand ze al geschoten, want ik kan tenslotte niet alles zelf doen (haha).

Maar even serieus: dank aan iedereen die een muts of een hoofdband heeft gekocht, of die tijdens onze marktbezoeken een gulle gift deed voor een warme chocomelk of een glühwein.  Het heeft ons meer dan 1000 euro opgebracht – die recht naar Bednet gaan. 

Dank ook aan de leden van het bestuur van N-VA Meeuwen-Gruitrode om mee te willen gaan in mijn zotte plannen.  U moet zich voorstellen dat ik daar op de bestuursvergadering afkwam met een paar prototypes van mutsen en dat ik hen moest overtuigen dat we daarmee geld zouden kunnen inzamelen.  Maar iedereen was verbazend snel enthousiast, en men heeft zich dan ook volop op de marketing en verkoop gestort. 

Het was me het maandje wel.  Persoonlijk heb ik een muts of vijftig gebreid en gehaakt.  Dat wil dus zeggen minstens één per dag.  Er kwam heel wat creativiteit aan te pas.  Overal sleurde ik mijn breigerief mee.  Tijdens de middagpauze in de praktijk werd het naar boven gehaald, als ik een kwartiertje eerder klaar was of iemand kwam net te laat, dan was het zover – en ik besefte goed dat ik daarmee het cliché van de doorsnee zaakvoerder danig ontkrachtte.  Ik moest soms breinaalden en wol langs patiënten door in de wachtzaal smokkelen en tegelijk mijn professionaliteit bewaren.  Ik at en breide simultaan.  Het gênantste was misschien wel de controle voor het partijbestuur.  Dat vindt in de gebouwen van het Vlaams Parlement plaats.  En voor je binnen mag, moet je door een metaaldetector.  Waarop ik dus mijn tas ondersteboven moest keren.  Dat moet ik overigens elke keer, maar meestal is het hoogstens een wirwar van laders, zakdoeken, laptop, telefoons en deo.  Nu moest ik ook een paar breinaalden laten zien, een maasnaald en een schaar.  Leg dan maar eens uit dat je geen snode plannen hebt…

Maar het was leuk, het was eigenlijk gewoon een goed excuus om eens ongegeneerd te doen wat ik graag doe.  Creatief zijn, authentieke producten maken, slogans verzinnen.  Terwijl de (af)was even mocht blijven staan, want ik was bezig voor het goede doel.

En dat goede doel vond ik goed gekozen, dus ik breide met plezier nog net die paar naalden.  Ik maakte toch nog snel die pompon, ik naaide de naden nog rap even dicht voor het slapengaan.

De producten werden via een geïmproviseerde webshop aan de man gebracht, maar we zijn ook live gaan verkopen.  Ik heb één markt mee kunnen doen.  De markt in Gruitrode, waar er een groenten- en fruitkraam staat, en een kippenboer.  That’s it.  Ook wel weer een aparte ervaring.  Je kraam installeren, je producten uitstallen.  Naar de collega’s van groenten en fruit gaan voor een tros bananen en een kilo mandarijnen.  Naar de kippenman gaan voor een gebraden kip.  De groentenboer die dan een hoofdband komt kopen, de kippenman die een muts komt halen.  Je even een marktkramer wanen.  En dan de marktbezoekers.  Die nooit mutsen dragen, die toch even komen piepen, die twee mutsen ineens kopen, die wel willen doneren voor een choco of een warme wijn, of zomaar, voor niks.  Die doen alsof je er niet staat, die sympathie hebben voor je actie, die enthousiast zijn.

Stiekem ben ik al aan het dagdromen over de actie van volgend jaar.  Een breibattle tegen die van Femma?  Of tegen Groen, die van de geitenwollen sokken?  Of gaan we ook de mensen die niet kunnen breien aan het werk zetten?  Nestkastjes maken? Voederplankjes voor vogels, mezenbollen… Mijn fantasie kent geen grenzen, zoals u ziet.

Maar goed, ik ga eens kijken waarmee ik die fazanten kan opvullen, of wat ik bij dat hertengebraad kan serveren.  En ik hoop van u hetzelfde.

Ik wens u graag een warme en gezellige eindejaarsperiode, en af en toe buikpijn van het lachen.

Ik weet dat ik het er al eens eerder over heb gehad, maar nu was het weer volop van dattum in de media.  Professor Glorieux stelde dat de gelijkheid tussen mannen en vrouwen dringend bevorderd moest worden.  Omdat er iets aan schortte.
Het loopt, volgens hem, helemaal fout wanneer vrouwen moeder worden.  Want dan nemen ze moederschapsrust.  Vanaf dan verwacht de maatschappij – zo zegt de professor – dat de vrouw zich tot in lengte van dagen toelegt op haar kroost.  Of ze dat nu wil of niet, want de sociale druk is zo groot, dat het nauwelijks anders kan.  Met alle onfortuinlijke gevolgen voor haar carrière vandien, dat spreekt.  En het fameuze glazen plafond.  Bovendien moeten vaders zich dringend wat meer betrokken gaan voelen bij de opvoeding en de huiselijke taken.  Want met die moederschapsrust is de zaak beklonken, zit het spel op de wagen en groeit de huiselijke taakverdeling dus hopeloos scheef.
  

En professor Glorieux kwam meteen ook met een oplossing op de proppen.  Laat mannen ook vaderschapsverlof nemen.  Verplicht.  Want vaderschapsverlof mag dan wel al bestaan, het is not done.   Mannen durven dat niet te nemen.  Het is een instante domper op hun credibiliteit.  Want – weer – die sociale druk.  Mannen zijn macho’s en bedrijven vormen een machowereld.  Je wordt met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid uitgelachen als je het in je hoofd zou halen om thuis te blijven als je partner bevallen is.

Aiai. Dacht ik toen.  En ik heb voor ons middelste kind maar 4 weken moederschapsrust genomen.     Nauwelijks meer dan dat vaderschapsverlof.  Zou “men” mij als een manwijf zien, sindsdien?  Ik ga ter mijner verdediging dus wel enkele verzachtende omstandigheden inroepen.  Want helemaal gerust ben ik er toch niet op.  Ik was net afgestudeerd. Mijn doctoraat had ik verdedigd met een luidruchtige peuter in het publiek en een baby in de buik.  Toen ik een paar maanden aan het werk was in mijn nieuwe praktijk, moest ik bevallen.  Ik heb dan gemikt op 11/11, want dat was een feestdag, dus geen probleem voor de praktijk.  Mijn agenda nam ik mee naar het bevallingskwartier, zodat ik mijn patiënten kon inlichten en hun afspraken kon verplaatsen.  Dat mijn man meer dan een paar dagen verlof zou nemen, daar rekende ik in de verste verte niet op.  Ik denk wel dat hij de eerste tijd zijn buitenlandse reizen heeft verminderd.  Dat was zwaar, ja.  En ik zal nooit beweren dat dit de gouden standaard moet zijn.  Maar het lukte, het was bovendien een vrije keuze.  En – hout vasthouden – alles gaat goed met ons middelste kind. 

Als je als kersverse moeder kiest voor een aantal maanden moederschapsrust, en daarna borstvoedingsverlof en ouderschapsverlof, dan is dat je goed recht. Als je als vader kiest voor vaderschapsverlof, dan is dat prima.  Maar zoiets verplichten vind ik toch een brug te ver.  Misschien zijn er gewoon veel moeders die hun carrière met plezier op de achtergrond plaatsen om meer tijd te steken in hun gezin en huishouden.  En doen vaders dat net iets minder.  Wat is het probleem?  Als vrouw kan je ook net zo goed wél kiezen voor een carrière.  En dan geef je de kinderopvang, de zorg, de was en de plas inderdaad deels uit handen. 

En misschien moet je als vrouw net iets meer tegen vooroordelen opboksen als je niet gebruik maakt van al die verlofregelingen die er bestaan. Zelf heb ik dat echter nooit zo ervaren.

Maar mannen dan dwingen om 10 dagen (of de professor had liever nog langer gewild) verlof te nemen zodat ze beter zouden integreren in hun gezin, lijkt me contraproductief en bovendien betuttelend.  Het ZIJN nu eenmaal de vrouwen die zwanger worden en bevallen, en de mannen niet.  Maar al de rest is delegeerbaar en bovendien bespreekbaar binnen het gezin, mag ik hopen. Ik vind het ook vervelend als ons huis overhoop  ligt als er onverwacht bezoek aan de deur staat.   En soms heb ik inderdaad de indruk dat ik moet strijden voor een eerlijke taakverdeling.  Maar nooit heeft mijn man beweerd dat deze of gene taak meer iets voor vrouwen is.  Daarvoor ben ik zelf wellicht ook te handig met hamer en boormachine.  En als dat onverwachte bezoek zijn bedenkingen heeft bij de rommel in huis:  so be it.  Ik zou zeggen, dames: graag een welgemeende foert.  Zo lang wij ons schuldig voelen over onnozeliteiten zoals rommel, houden wij zelf onze eigen sociale druk in stand. 

En stel je nu voor dat elke vader verplicht 10 dagen verlof moet nemen als zijn partner bevallen is van hun kind. Dan wordt het voor een werkgever toch  aantrekkelijker om iemand aan te werven die geen kinderen wil?  Dus weer ongelijkheid op de werkvloer.  Dus de kinderloze mannen dan ook maar een paar weken verplicht “vaderschapsverlof” opleggen? 

En nog een laatste ding: dat Scandinavische model, dat klinkt wel gezellig, maar dan moeten we hun belastingstelsel er ook bij nemen,  en de hoge levensduurte, ons bovendien een andere mentaliteit aanmeten, want veel staat of valt in de Scandinavische landen met samenhorigheid en oprechte nationale trots.  Ik weet niet of het model dan nog zo aantrekkelijk is voor iedereen.

De asielcrisis raakt mij.  Hoe kan het ook anders.  We worden de laatste weken overladen met beelden en woorden over een vluchtelingencrisis die in de laatste 70 jaar haar gelijke niet kent.  Het is een aanslag op mijn gemoed.  Tegelijk weet ik dat het zaak is realistisch te zijn en de situatie in een groter geheel te plaatsen, het proberen te bekijken in het perspectief van een duurzame toekomst.  Ik zit met zo’n wirwar aan gedachten, dat het misschien therapeutisch werkt om mijn gevoelens eens op een rij te zetten.

Ik voel oprechte blijdschap en ontroering bij de spontane prachtreacties van een groot aantal mensen die hun solidariteit op zo veel manieren hebben doen blijken. Massa’s kleren, voeding, hulp, empathie voor de medemens. Het is hartverwarmend te mogen vaststellen hoe mensen belangeloos inspanningen doen voor elkaar en om elkaar geven in extreme situaties.

Maar ik voel ook een enorme afschuw voor bepaalde reacties in de sociale media die wijzen op pure onverdraagzaamheid. In het beste geval zijn dit uitingen van angst voor het onbekende, maar helaas speelt hier dikwijls ook puur racisme, dat me schrik aanjaagt.   

Ik heb onbegrip voor het grote onvermogen van de Europese leiders om op een kordate manier in te grijpen in de vluchtelingenstroom. Ik snap niet waarom er maanden moet overlegd worden vooraleer besloten wordt om aan de Europese buitengrenzen  alle vluchtelingen te registreren, te selecteren en te verdelen over de landen van de EU.

Ik ben ontgoocheld in een groot aantal Belgische politici die surfen op de emoties van de bevolking uit electorale overwegingen. Politici moeten verondersteld worden situaties genuanceerd te beoordelen. De bevolking mag gerust haar (humaan) buikgevoel doen spreken, maar bij politici moet de ratio primeren. Het is nogal wiedes dat er bij de vluchtelingen een aantal gelukszoekers zijn die enkel uit opportunisme het beste sociale zekerheidssysteem gaan opzoeken.  Waarschijnlijk zitten in de vluchtelingenstroom ook IS-aanhangers met kwade bedoelingen. Deze potentiële gevaren voor onze welvaartsstaat en onze veiligheid moeten gewoonweg aangekaart worden door politici en ik vind het erg kwalijk dat men hen dan verdacht probeert te maken door te alluderen op racistische motieven.

Ik ben boos om het gebrek aan solidariteit binnen de moslimwereld, waar een aantal landen, die niet moeten kijken op een oliedollar, gewoon aan de zijkant blijven staan. Ook boosheid op de Verenigde Staten die het vertikken in te grijpen bij conflicten, wanneer het gaat om landen waar geen oliebelangen spelen.   En woede om de houding van Rusland, die een bedenkelijke rol heeft in de oorzaak en instandhouding van de conflicten.  

Maar mijn respect  voor Angela Merkel groeit. De zwakheid van de Europese leiders staat in fel contrast met haar daadkracht, en ik ben om één of andere reden toch wel blij dat deze sterke figuur een vrouw is. Duitsland vangt een groot aantal vluchtelingen op, maar ik denk niet dat Duitsland naïef is.  Ik denk dat Angela een van de weinigen in Europa is die beseft dat een plotse aangroei van 100.000 zielen geen blok aan het been hoeft te zijn. Het gaat om een aanzienlijk aantal goed opgeleide werknemers in de bloei van hun leven die een economische boost kunnen geven en die met zijn allen dagelijks veel producten en diensten zullen aankopen. Angela steelt de harten van velen om haar onbaatzuchtigheid, maar ze beseft al te goed dat het ook puur zakelijk zal lonen; dat is dus tweemaal scoren.

En dan ben ik ook ongerust om de toekomst van landen zoals Syrië, Irak, Afghanistan, landen waaruit vele vluchtelingen komen. De asielzoekers die we in de media zien en horen lijken goed opgevoed en geschoold te zijn. Waarschijnlijk zijn het de meest mobielen, de meest intelligenten en meest bekwamen die deze landen verlaten. Maar hoe gaan deze landen ooit recupereren na deze enorme braindrain? “Misschien” zullen sommigen ooit vrijwillig terugkeren, maar ik vraag me af of nu niet moet worden vastgelegd dat ze “moeten” terugkeren zodra de situatie in hun land verbeterd is. Zij zullen binnen enkele jaren de know-how hebben om hun land terug op te bouwen. Het zal niet makkelijk zijn eens ze geïntegreerd zijn.  Maar ze moeten volgens mij hierin wel worden aangemoedigd.

Maar ik heb ook hoop op een goede afloop, omdat ik bijna overtuigd ben dat de goedheid het uiteindelijk altijd zal halen op de slechtheid in dit mensdom.    

Later toegevoegd: Ondertussen ben ik, zoals u zal begrijpen, niet meer overtuigd van de realiteits- en verantwoordelijkheidszin van Angela Merkel…

Dat het vroeger simpeler was. Dat denk ik. Toen was er tenminste Mgr. Joseff, “Kanunnik en Pastoor-deken van St. Marten te Luik”, die alle do’s en don’ts bij verlovingen en huwelijken uit de doeken deed. Met zijn naslagwerk “Raadgevingen voor het huwelijk” wist je wat je te wachten stond. Ik heb de “38ste uitgaaf” in handen, het oorspronkelijke boekje werd in 1890 opgesteld. Klein genoeg om in een handtas te passen. En dus klein genoeg om geen excuus te hebben.

IMG_2037[1]

En vol praktische tips. Want huishoudelijke miserie is iets van alle tijden, zo blijkt, en de monseigneur wist waarom: “Opdat het Sacrament des huwelijks de geslotene verbintenis der echtgenooten waarlijk heilig make, moeten dezen zich bereiden, om het met goede gesteltenissen te ontvangen. Dikwerf ontbreken deze goede gesteltenissen, en daarom juist zijn er zooveel ongelukkige huwelijken.”

Maar dat viel dus te voorkomen, door enkele simpele trucs. En hij was niet te beroerd om deze wereldkundig te maken. Bidden en biechten, dat sprak voor zich. Maar hij werd ook concreter, bijvoorbeeld bij de zoektocht naar een huwelijkskandidaat: “Vraagt raad. Maar gij moet raad vragen, alvorens gij uw hart geschonken hebt. Zoodra uw hart verpand is, vraagt gij geen raad meer, als men u raad geeft, gij luistert niet; en als uwe ouders uwen zin tegenwerken, gebruikt gij list en bedrog, om hen te misleiden”. De monseigneur leek bijna uit ervaring te spreken. Ook het vrijgezellenfeest was hem niet vreemd, en wellicht terecht waarschuwde hij voor wat daar al eens kon gebeuren: “Het gebeurt somtijds, dat men, onder voorwendsel van een aanstaand huwelijk, zich al te vrije manieren en zondige gemeenzaamheden veroorlooft,… De jonge lieden … moeten elkander nooit alleen, en nooit buiten wete hunner ouders spreken, om zich alzoo te wapenen tegen de neigingen van hun hart”.

En hij durfde zelfs bepaalde garanties te geven. Mits de kandidaat voldeed aan enkele specifieke karaktertrekken, lag een gelukkig huwelijk binnen handbereik. Voor de jongens: “Jongeling, als gij uit vertrouwbare bron weet, dat het meisje, waarop uw oog gevallen is, zachtaardig, nederig, zedig en eerbiedig is jegens hare ouders, dat zij gaarne werkt, gaarne bidt en gaarne tot de H. Sacramenten nadert: trouw dan met het meisje zonder vrees. Het is bijna zeker, dat zij uw geluk zal wezen”. De meisjes joeg hij al wat meer schrik aan: “En gij, jonge dochter, weet gij dat de jongeling, die op u zijn oog heeft laten vallen, verkwistend is, losbandig, lui, verslaafd aan den drank, onbeleefd jegens zijne ouders, uitgelaten in zijne woorden of manieren, trouw niet met hem; gij zoudt uw ongeluk inloopen”. Had de monseigneur iemand specifiek op het oog met deze karakterschets? “Integendeel, is hij ordelijk, matig, werkzaam, eerlijk, en trouw in het vervullen van zijne plichten jegens God en zijne ouders, heb betrouwen.”

Ik bedoel, dit is tenminste klare taal. En je kan er wat mee. In welke wollige maatschappij zijn wij toch beland? Niemand durft tegenwoordig nog een standpunt in te nemen en het beestje bij de naam te noemen. Wij zitten enquêtes in te vullen in de Flair om te kijken of we naar type A, B of C op zoek moeten gaan. Wij geven bommen geld uit aan andullatiematrassen en energetiserend water. Zat je er vroeger door, dan ging je bidden. Viel je echtgenoot tegen? Dan had je het boekje van de monseigneur maar beter moeten lezen. En dan ging je bidden. Dacht je soms dat je beter getrouwd was met een B-type? Dan ging je biechten. Er was ook geen discussie over het aantal kinderen dat er zou komen. In het Q&A gedeelte van het boekje staat er immers, als antwoord op de vraag “V: Welke zonde moet men in het huwelijk met de grootste zorg vermijden?”: “A: Met de grootste zorg moet men vermijden al wat de bereiking van het voornaamste doel des huwelijks, of de geboorte van kinderen, kan beletten. Die zonde behoort tot de vier wraakroepende zonden, zoo genoemd, omdat zij wegens hare groote boosheid Gods rechtvaardige wraak ook in deze wereld vereischen”. En er kon geen sprake zijn van strategische hoofdpijn: “V. Is het toegelaten de huwelijksplicht te weigeren? A. Neen, tenzij om zeer ernstige redenen.” Duidelijk.

En dan kwam de vraag of er wel genoeg slaapkamers waren niet eens aan bod. Laat staan de vraag of ze zouden gaan voor het Winnie de Poeh thema of toch maar Nijntje.

Maar als ik dan lees “De man is het hoofd der vrouw, evenals Christus het Hoofd is Zijner Kerk; daarom moeten de vrouwen hunnen mannen beminnen met eene teedere en eerbiedige liefde; dewijl hij hun bewaarder en verdediger is. Gelijk de Kerk onderdanig is aan Jezus-Christus, zoo moeten ook de vrouwen onderdanig zijn aan haren man”, dan vraag ik mij af wat bomma (van wie het boekje overigens was) hiervan vond… Ik kan mij niet voorstellen dat zij dit zomaar goedkeurde.

Dus ik betwijfel eigenlijk of dit boekje wel vaak uit de kast is gekomen. Daarvoor ziet het er trouwens nog te ongeschonden uit.

Maar wat een geluk dat de tijden veranderd zijn, dat de mensen mondiger zijn en beter ingelicht. De macht van de katholieke kerk was enorm en hield de mensen dom, iets wat tegenwoordig, amper enkele decennia later, ver van ons bed lijkt. Maar tegelijk zie ik rondom mij dat er volop wordt gezocht naar houvast, naar richtlijnen. Naar goeroes die vertellen welk pad je moet bewandelen. Naar extreme sporten die je je limieten doen opzoeken. Naar gekke alternatieven, maar eigenlijk vooral naar verdieping. Ik zie dat er wantrouwen groeit ten opzichte van de rede. Dat men geloof zoekt in complottheorieën en pseudowetenschap.

Ik denk dat de tijd meer dan rijp is voor de verschillende religies om dit “gat in de markt” te zien en erin te springen. Om in te spelen op de behoefte en de zoektocht van de mens naar meerwaarde, samenhorigheid, reflectie, bezinning, loslaten. Maar, beste religieuze hoofden, pas dan uw programma’s aan. Breng verhalen die er toe doen. Zet zelf de eerste stap en volhard niet in uw vastgeroeste stramien. Er is een publiek. Draag er zorg voor.

IMG_2051[1] IMG_2052[1] IMG_2053[1] IMG_2054[1]

Je kan er tegenwoordig niet meer langs. Leg je oor maar eens te luisteren bij je kinderen, wanneer ze in de zetel hangen met hun i pad. Het Engels dringt onze huiskamers binnen. Is het gemakzucht dat ons de Engelse termen doet koesteren, in plaats van Vlaamse alternatieven te bedenken? Of klinkt het gewoon “cooler” (I know)? Chatten, deleten, back-uppen. We draaien er onze hand niet voor om. Maar het gaat verder dan de computerwereld. Blijkbaar hebben we het Engels toch echt in onze harten gesloten. Het is ook niet helemaal nieuw, als je bedenkt hoe we onze “kids” de laatste jaren hebben genoemd. Rond 1990 beleefden we de hoogdagen van de Engelse voornamen. We kennen allemaal wel een Kevin, Johnny, Jimmy, Shirley. Maar het nieuwste van het nieuwste, “hotter” dan “hot”, blijkt nu het verengelsen van familienamen te zijn.
En wie wil hierin het voortouw nemen, wie is hier de “trendsetter”? Jawel, onze burgemeester in hoogsteigen persoon. We wisten het ook niet, maar Ceyssens is “Licious” in het Engels. Kijk maar eens langs de straten in Meeuwen-Gruitrode. Grote affiches met daarop de aankondiging: “Lode Licious”. Want het is natuurlijk de bedoeling dat iedere Meeuwen-Gruitrodenaar er geleidelijk aan kan wennen. Net op tijd voor het Dorpsfeest, zodat we met zijn allen konden oefenen wanneer we de burgemeester tegenkwamen. We hebben het al op veel gekke manieren horen stamelen, maar voor wie twijfelt, een telefoontje naar de secretaresse van burgemeester Licious volstaat om het op de juiste manier te horen uitspreken.
Jan Peumans zal ook mogen oefenen als hij in het parlement aandacht gaat vragen voor een interpellatie van de heer Licious.
Ik zal mijn man al voorbereiden op zijn nieuwe leven als Jochen Polishman…

IMG_1943[1]