Wan Toe Frie

persoonlijke blog van Frieda Gijbels

Veel van mijn patiënten zie ik om het half jaar of om het jaar, voor controle. De aanpak van parodontitis houdt immers in de meeste gevallen na een initiële behandeling ook een consequente, vaak jarenlange opvolging in. Veel mensen ken ik dus al lang, en onze gesprekken zijn gemoedelijk. Velen weten ook dat ik aan de federale verkiezingen heb deelgenomen, en ik moet zeggen dat de meeste reacties positief zijn. Vooral degenen die zeggen op mij gestemd te hebben, die vonden het leuk om mij in de lijst te zoeken en mijn bolletje te kleuren. Of dat nu waar is of niet, ik bedank hen, voor het geval dat ze werkelijk de moeite hebben genomen.
Gisteren zat er een patiënt in de behandelstoel die ik ook al jaren opvolg. “Ik heb je langs de straat zien staan”. Ik probeer werk en politiek uiteraard gescheiden te houden, dus ik start altijd met een stompzinnige reactie, à la “Ja amai, op den duur ben je jezelf wel beu gezien”. Soms geven mensen wel eens een hint, maar bij deze patiënt kon ik echt niet inschatten voor welke partij hij gestemd had. Hij was een Vlaming met allochtone roots. Zijn vader ken ik ook, hij spreekt geen Nederlands, een migrant van de eerste generatie, mijnwerker geweest. Zelf is hij hoogopgeleid en vrij beroeper. Na de controle ging hij tegenover mij aan het bureau zitten, zodat we nog even konden bespreken hoe we de verdere opvolging zouden plannen. Hij boog zich naar mij toe en zei met gedempte stem: “Zeg, mag ik nu eens iets vragen?” Ik verwachtte al half dat hij zou peilen naar de vorderingen van de regeringsvorming en dan moest ik antwoorden dat ik er evenveel van af wist als hij, wat ook de waarheid is. Maar hij vroeg: “Supporter jij nu voor de Rode Duivels of niet?”. Ik zeg: “Ja, natuurlijk!”. Hij: “Allez zeg, en hebben jullie ook de driekleur in huis?”. Ik: “Ja, die zat bij de Jupiler en ligt binnen handbereik in de mand waar ook onze fleecedekens in liggen”. Hij zei opgelucht: “Oef, want ik heb voor de N-VA gestemd en ik heb nu de driekleur uithangen, ik vond dat wel erg inconsequent van mezelf”.
Haha. Dit is niet de eerste keer dat ik dergelijke vraag krijg. Alsof mijn voorkeur voor de N-VA impliceert dat ik niet mag supporteren voor onze nationale ploeg. Nou, je moet mij horen als ik naar de wedstrijden kijk. Niet dat ik zo’n voetbalfan ben, geef mij maar volleybal, maar ik laat me dan toch meeslepen en ik sjot zelfs mee. Ik spring recht en ik zeg in welke richting ze moeten passen. Ik roep regelmatig: “lopen!” om aan te geven dat ze een tandje moeten bijsteken. En – om nog eens een cliché te gebruiken – ik weet echt wel wat buitenspel is. En ik kijk niet omwille van het uiterlijk van die jongens. Komaan zeg, sommigen zouden mijn zoon kunnen zijn. En bovendien zijn het ijdeltuiten met lelijke kapsels en te lange broeken. En men’s bags. Maar Dries Mertens is mijn torenhoge (bij wijze van spreken) favoriet. Omwille van zijn inzet. Die loopt tenminste.
Maar – en nu komen we tot de essentie – wat heeft een voetbalploeg nu te maken met communautaire problematiek? Ik vind onze nationale voetbalploeg prima en ik zou nog in staat zijn te gaan supporteren verkleed als vlag, maar dat neemt niet weg dat ik vind dat bijvoorbeeld de gezondheidszorg best zo snel mogelijk gesplitst wordt. Of dat de macht van de zuilen dringend moet worden ingeperkt.
Bij een voetbalwedstrijd is het duidelijk: iedereen heeft hetzelfde doel (ook gekend als “de goal”) en degenen met het meeste talent en de grootste inzet worden geselecteerd om te scoren. In het belang van de ploeg en het land.
Extrapoleren we dat naar onze politieke situatie, dan lijkt het doel in de verschillende regio’s nu niet bepaald hetzelfde. Het lijkt in het zuiden van ons land immers geen prioriteit om de overheid zo efficiënt mogelijk te laten draaien. Of om duurzame werkgelegenheid te creëren door ondernemers te ondersteunen. En als er middelen van het noorden naar het zuiden worden versluisd, dan is het ook niet duidelijk of deze middelen worden geïnvesteerd voor het algemeen belang.
Het is dan ook geen kwestie van een verschil in taal, maar van een verschil in mentaliteit. En dat zou in een voetbalploeg alleszins niet worden getolereerd.
Enfin, ik ga eens verder doen. Ik was hamburgers aan het maken voor straks, tijdens de wedstrijd. Met frietjes. Ik heb straks namelijk 4 hevige supporters op bezoek. De jongste is 4 jaar, de oudste 10. We gaan ons schminken en onze zwart-geel-rode tenuetjes aandoen.
Omdat het nationale voetbalteam een voorbeeld zou moeten zijn voor Di Rupo en co. Inzet, efficiëntie, soms moeilijke beslissingen, maar vooral teamspirit en het algemeen belang.

Als een zesjarige je ’s morgens in de auto vraagt of je nog “flyers moet bussen”, dan besef je opeens dat zo’n verkiezingscampagne wel neveneffecten heeft, bijvoorbeeld op de woordenschat van je kroost.

En op het gezinsleven, ’s morgens aan tafel.  De kinderen zien een mama met meer wallen en minder spieren.  Die voor ze uit bed stapt haar e-mails heeft gecheckt.  Die boterhammen smeert met een telefoon tussen oor en schouder.  Die de stapel kranten probeert te bedwingen door ze van achter naar voren te lezen – eerst de opiniestukken.  Die de boterhammen vervolgens al eens in de verkeerde brooddoos durft te steken. Die de auto heeft omgevormd tot campagnemobiel, met stickers vanbuiten en volgestouwd met gele sjaals en jasjes, dozen met flyers en enveloppen. Die onderweg in de auto foute antwoorden geeft op juiste vragen. Of afwezig “hmmm” mompelt.

Maar het is aftellen, kindjes.  En erg traumatiserend zal het niet zijn.  Anders zouden er niet zoveel politieke dynastieën zijn.

In het begin vonden ze het nog leuk, als ze mijn beeltenis in een voortuin of in een veld zagen staan, op weg van huis naar school. Maar ze zien mij niet meer staan.

En het ergste is dat ik begin af te vallen.  En niet op een flatterende manier.  In zijn geheel of in een hoekje.  Ik zit overal vol rimpels en plooien.  Er is al duchtig geretoucheerd, maar met dat rotweer van de voorbije tijd is er geen volhouden aan.  Een mens heeft wel wat anders doen dan een afvallend vrouwspersoon terug vast te pappen.

En dan rij je door het mooiste landschap van de mooiste provincie, en dan word je aangestaard door het hele gamma aan lokale politici.  Het is lelijk, en het lijkt me ook een beetje passé.  Als we nu eens met z’n allen tegelijk zouden zeggen dat we dat niet meer gaan doen?  Kan je mensen niet beter bereiken met een informatieve folder, een leuk filmpje, sociale media, een blog (godbetert)?

Alleszins, binnenkort mag ik terug op de aanhangwagen.  De rust kan dan weerkeren (wie mij kent, zal daar eens goed mee lachen).

Alhoewel. Die zesjarige van ons, die heeft beslist dat ze exact op 25 mei haar eerste communie gaat doen.  Haar zoete wraak.  Ik moet me dus verontschuldigen bij alle potentiële N-VA stemmers uit onze gemeente: ik zal er helaas niet zijn om u aan het stemlokaal te verwelkomen.  Mijn dochter heeft er anders over beslist.

isavoeten

Mijn papa is bestuurslid van Natuurpunt.  En dat zullen we geweten hebben.  Laten we zeggen dat hij hier af en toe serieus over kan “doorbomen”.  Hij vindt het ergerlijk dat we niet regelmatig door de tuin flaneren om te luisteren naar de natuur en dat we te weinig tijd nemen om plantjes, bloempjes, groentjes te observeren.  Als het weer zover is, lopen we eens rap door zijn tuin en zoeken we koortsachtig naar wat er toch maar veranderd kan zijn tegen de laatste keer.  Het laatste dat we willen, is versleten worden voor “natuurbarbaren”.  Mijn man is er eens in geslaagd “kervel” te zeggen tegen een duidelijk geval van selder.  Dat voorval wordt door mijn vader regelmatig aangehaald om een bepaalde ambiance te creëren als we samen aan tafel zitten.

Als de vallei van de A-beek ter sprake komt,wordt hij zowaar lyrisch.  De plek waar hij in zijn jeugd heeft leren zwemmen, en waar de kikkers het moesten ontgelden (ik ga hier dus niet vertellen wat er precies werd gedaan met die kikkers, alleszins staat het ver van praktijken die men met natuurvrienden associeert).  Tegenwoordig helpt hij de afstammelingen van die kikkers (neven en nichten wellicht, kinderen lijkt me onwaarschijnlijk) trouwens om veilig de overkant te bereiken als het kikkerseizoen is aangebroken.

Ik vind het overigens zelf indrukwekkend hoe de vrijwilligers van Natuurpunt deze vallei terug in ere hebben gesteld. Ik vind het eveneens fascinerend hoe deze vereniging de kinderen van de basisscholen betrekt in dit hele natuurgebeuren.  En inderdaad, ik moet toegeven dat de meeste politieke partijen in die mate aandacht hebben voor het sociaal-economische gebeuren dat natuur en ecologie een beetje ondergesneeuwd geraken.

Maar – hoewel ik minder tijd in de tuin en de natuur doorbreng dan mijn vader zou willen – ben ik toch wel een beetje een “groene meid”.  En in één adem door, vind ik dat natuur en economie complementair moeten zijn. Ze moeten ten dienste staan van elkaar.  Noch de natuur, noch  de economie zijn absoluut. Zolang er geen voldoende alternatieven zijn moeten we helaas nog een tijdje leven met kernenergie, zonder daarbij verdere ontwikkelingen op gebied van “groene” energie uit het oog te verliezen.  Wanneer een bedrijf een grote extra werkgelegenheid kan scheppen door uit te breiden, en daardoor  een stuk bos moet opgeofferd worden, dan is dat spijtig, maar dan moet dat maar. Maar evenzeer  moeten vervallen fabrieksterreinen  kunnen omgevormd worden naar natuurgebied.  En voor overbodige landbouwgebieden mag voor mij hetzelfde gelden.  Wat  mis ik dikwijls het “gezond verstand”  in politieke discussies (en in niet geringe mate bij Groen).

Mijn papa is ook als vrijwilliger actief als “bosconsulent”.  Dat is  een  gesubsidieerde provinciale dienst die privé boseigenaars begeleidt in het beheer en onderhoud van privé bossen. Misschien is er wel iets voor te zeggen om deze subsidies eens te herbekijken.  Weinig boseigenaars zijn immers onbemiddeld. De vraag is dan ook of het bos dankzij deze subsidies effectief beter beheerd wordt.  Maar ik veronderstel dat de hele subsidieproblematiek verder kritisch onder de loep zal worden genomen door welke nieuwe beleidsploeg dan ook.

Maar goed, ik kan jullie garanderen dat natuur en ecologie door de N-VA zal aangekaart worden bij de volgende regeringsvorming, als jullie ons daarvoor de nodige munitie aanreiken.

Vorige week heb ik de wens van mijn neefje gevolgd en ben ik naar een cultureel gebeuren geweest in Opitter.  Muzikale kundigheid met een flinke snuif humor.  Ik heb ervan genoten.

Toevallig kwam ik aan tafel te zitten tegenover een bekende – een patiënt van mij.  In gewichtig CD&V gezelschap.  Toffe man, maar over zijn CD&V sympathieën hadden we het in de beslotenheid van mijn tandartskabinet nooit gehad. “Ja, Frieda, wat denk je.  Jij, van de N-VA, met al die scherpe instrumentjes en ik, CD&V’er, in die stoel. Dat is niet het moment om het over politiek te hebben.”  De toon was gezet, het werd een leuke avond, met politieke tegenstanders naast en tegenover mij.

Want waar ik niet bij kan is dat politici van verschillende overtuiging elkaar het licht in de ogen niet gunnen en met stoten onder de gordel uithalen. Waarschijnlijk ben ik naïef en moet ik de politieke gemeenheid nog leren ervaren.  Ik snap dat mensen een andere overtuiging kunnen hebben.  Misschien zijn er socialisten die dat zijn uit louter ideologische overtuiging (maar mijn analyse leidt tot andere conclusies).  Ik begrijp ook dat iemand Groen kan zijn, maar een partij opgebouwd rond ecologie vind ik te beperkt.  Ecologie is een belangrijk item, maar slechts een stukje van de totale werkelijkheid.  Ook alle begrip voor CD&V’ers, al snap ik niet waarom die “C” gehandhaafd blijft.

Ik ben N-VA’er, en dat is niet toevallig.  Mijn keuze heeft zeker niet in de eerste plaats te maken met communautaire gevoeligheden.  Ik ben op de eerste plaats N-VA lid geworden omdat deze partij op volkomen onbevangen en ongebonden wijze, en dus ook efficiënt, de problemen wil en kan aanpakken.  De N-VA heeft immers geen banden met vakbonden, ziekenfondsen, werkgeversorganisaties, banken of spaarkassen.

Hoe kan je immers als politieke partij de rol en invloed van ziekenfondsen reduceren als je vanuit dat orgaan politieke carrière hebt gemaakt?  Hoe kan je bankiers ter verantwoording roepen als je verstrengeld bent in hun structuren? Hoe kan je beslissen dat vakbonden niet langer werkloosheidsvergoedingen uitbetalen als je een sterke band hebt met die vakbond?  Zowel CD&V, SPA als VLD zitten met die zuilen in hun achtertuin. Dan mag je mij proberen te overtuigen dat deze partijen onbevangen het “algemeen belang” willen laten primeren… de werkelijkheid is dat ze dat simpelweg NIET kunnen.

En dat is dus de voornaamste reden waarom ik mij goed voel bij de N-VA en me voor deze partij wil inzetten.  Want het is de enige partij, die naam waardig, die niet geschraagd wordt door die mastodonten van zuilen.

Vanuit mijn beroep heb ik dan ervaren dat het niet onlogisch zou zijn als het noorden en het zuiden van het land gewoonweg hun eigen boontjes zouden doppen.  Dat de cultuur en de levenshouding ten zuiden van de taalgrens anders zijn, is een feit.  En ik vind het best wel gezellig, die zuiderse nonchalance, en die mengeling van Frans en Nederlands tijdens onze vergaderingen in Brussel.  Maar het probleem is dat er in het zuiden anders geredeneerd wordt en anders omgegaan wordt met de beschikbare middelen.  Preventie is geen prioriteit, er is geen selectie of beperking van het aantal studenten tandheelkunde (en geneeskunde).  En aangezien de middelen die voor gezondheidszorg worden gereserveerd voornamelijk federaal zijn, worden de besparingen die aan Vlaamse zijde wél worden gerealiseerd, voor een deel teniet gedaan.  De noden zijn anders, de economische realiteit is anders, de prioriteiten zijn anders, de politieke keuzes zijn anders.  Als onze zuiderburen liever een andere invulling geven aan gezondheidszorg, dan is dat prima, maar dan liever met hun eigen middelen…  Het wordt allemaal zoveel meer efficiënt als de twee landsdelen hun samenleving kunnen organiseren op de manier die hen het meest gelukkig maakt.

Wat ik dus wou zeggen is dat hopelijk nu iedereen begrijpt waarom ik lid ben van de N-VA en waarom ik denk vanuit die partij het algemeen belang het meest te kunnen dienen.

Ik begrijp dat er mensen geneigd zijn aan te leunen bij een traditionele partij, precies omwille van die zuilen, en daar heb ik alle respect voor. Als die mensen dan ook kunnen begrijpen dat ik denk het algemeen belang beter te kunnen dienen op een andere manier, dan kunnen we probleemloos samen door eenzelfde deur.  Er kan alleen maar een betere wereld ontstaan als we elkaars standpunten met elkaar laten botsen, maar laten we asjeblief niet gemeen worden.

En,  tussen haakjes,  ik heb geen CD&V-patiënten, enkel patiënten, die elk mijn volle aandacht verdienen en krijgen.

Er moet me nog eens iets van het hart.  Ik was me onlangs dus aan het voorbereiden voor mijn eerste debat.  Het zou gaan over de toekomst van de tandheelkunde.  Daar zijn allerlei interessante aspecten aan.  Wat doe je met het budget dat voorzien is voor tandheelkunde, met andere woorden: waar geef je prioriteit aan?  Hoe motiveer je mensen om in te zetten op preventieve tandzorg? Want de meeste (dure) tandheelkundige behandelingen zijn te voorkomen, mits een grondig en regelmatig mondonderzoek en de juiste instructies. Dat zou goedkoper uitkomen, voor de patiënt en de maatschappij.  Maar ook: hoe zit het met de praktijkorganisatie?  Zijn er te weinig tandartsen?  Is er nood aan hulpkrachten?

Het duurde dan ook niet lang, of daar had je het: de “vervrouwelijking” van ons beroep. Er is blijkbaar te weinig rekening gehouden met de “vervrouwelijking”.  Want door de “vervrouwelijking” worden er minder uren in het tandartsenkabinet gepresteerd dan verwacht.  Waardoor er nu een tekort aan tandartsen is (of dreigt – wie zal het zeggen – er bestaat immers geen kadaster dat een overzicht geeft van het aantal actieve tandartsen).

Maar het is toch een verschrikkelijk woord, “vervrouwelijking”.  Want waarover gaat het eigenlijk?

We vinden het maar logisch dat vrouwen een vak leren.  Uiteraard zelfs.  Het zou jammer zijn als de helft van de bevolking haar capaciteiten zou onderbenutten.  En we vinden het logisch dat de dames daarna ook hun – vaak gesubsidieerde – opleiding doen renderen voor de maatschappij.  Omdat vrouwen dat kunnen, omdat ze dat willen en omdat ze een meerwaarde betekenen voor een maatschappij die historisch door mannen werd gedomineerd.

Maar dat maakt dus dat de pantoffeltjes ’s avonds niet klaarstaan, dat het eten bij thuiskomst niet dampend op tafel staat, dat de krant nog uit de brievenbus gehaald moet worden, dat het aperitief nog in de koelkast staat.  De huishoudelijke taken moeten “na de uren” worden gedaan of er wordt hulppersoneel ingeschakeld.

En als er dan kinderen komen, dan wordt de organisatie er niet gemakkelijker op.  Plots zijn er te weinig uren in een dag en moet er gepuzzeld en geschipperd worden tussen onthaalmoeder, crèche, school en thuis.   Waardoor veel ouders beslissen om hun werkdagen anders in te richten.  Ze houden een namiddag vrij voor de kinderen en het huishouden, of ze stoppen (even) om een uur of vier, zodat ze de kinderen aan school kunnen ophalen.

Uiteraard zou het helpen als de kinderopvang verder zou worden geoptimaliseerd, zodat voltijds werk mogelijk is en gestimuleerd wordt voor ieder die dat wil.  Ook als beide ouders dat willen.  Want meer werken betekent meer sociale bijdragen en dus een grotere voorraad voor de gemeenschap.  Waardoor we degenen die hulp nodig hebben ook echte hulp kunnen bieden, mét lange termijn visie – maar ik begin af te dwalen…

Ik vind de term “vervrouwelijking” op zijn minst verwarrend.  Wellicht wordt er “gewoon” mee bedoeld dat meer vrouwen ervoor kiezen om uit te gaan werken.  Maar vaak wordt het begrepen als kortere werkdagen, of minder werkdagen, die dan vooral een keuze zijn van de vrouwelijke tandarts.  Misschien is het onterecht, maar toch heb ik het gevoel dat dit voor gevolg heeft dat het uitzonderlijk is om als vrouw/moeder voltijds te werken. En dat zou erg spijtig zijn.  In het algemeen groeien vrouwen moeilijker door naar topfuncties, onder meer omdat ze verondersteld worden tegelijk ook voor hun gezin te zorgen.  Wie weet hebben vrouwen ook een aangeboren aanleg om te “zorgen”.  Maar het is niet alleen het klassieke “zorgen” dat tijd vraagt na de uren.  Er moet ook gepoetst en gewassen, gestreken en gekookt worden.  Er moeten boomhutten gebouwd worden en katapulten gemaakt.  De tuin moet worden onderhouden, er moet worden gezaaid en geoogst.  Er moet geknutseld worden en de huisdieren moeten worden verzorgd.

Het moet niet op een goudschaaltje worden afgewogen, maar een acceptabele verdeling van de huishoudelijke taken lijkt me niet meer dan logisch.  Of je nu kiest voor een voltijdse of een deeltijdse uurrooster, of je nu vrouw bent of man.  Zodat er uiteindelijk geen quota meer nodig zijn in raden van bestuur en in politieke lijsten.  Want hoe belachelijk is dat?

Maar stel nu: je bent een man en je ziet het wel zitten om één of meerdere keren per week meer tijd te voorzien voor je gezin.  En dan krijg je in de smiezen dat je bijdraagt aan de vervrouwelijking van je beroep?  Dat wil een echte vent toch niet?

Schaf die term gewoon af, en noem het anders.  Daling van het aantal voltijdse equivalenten of zoiets.  Dan kan je dat nog uitleggen aan de slechte verstaander.  Dat het de schuld is van de dolle mina’s, voor mijn part.

bommaenfrieda

“100 jaar fijn gezelschap” – dat is natuurlijk een allusie naar “100 jaar eenzaamheid”, van de fantastische auteur Gabriel Garcia Marquez, die onlangs het tijdelijke voor het eeuwige heeft verwisseld.  Hoewel “eeuwig” in deze context ook raar klinkt, want dit verhaal gaat over bomma.  Zij wordt zondag ook “eeuwig”, maar is tegelijk nog springlevend.   Ik weet niet of je het een prestatie mag noemen, want veel valt er natuurlijk niet in de pap te brokken, als het op leeftijd aankomt.  Maar de manier waarop ze 100 wordt, vind ik op zijn minst bewonderenswaardig.

Je moet weten dat bomma de moeder is van mijn papa.  Ze is geboren en getogen in Ellikom, net als ik.  Mijn ouders en ik zijn niet verder geraakt dan het geboortedorp van mijn grootmoeder.  Dat klinkt raar in deze wereld die steeds kleiner wordt, maar ik vind het ook mooi.  Ik heb heel wat van de wereld gezien, ben naar alle windrichtingen gevlogen in de tijd van mijn doctoraatswerk, om lezingen te geven in heel Europa, en ook in Japan en Brazilië, maar toch voel ik me goed bij ons in de straat.  In de straat waar mijn ouders wonen, twee nonkels en tantes, mijn bomma en twee neven.  Voor alle duidelijkheid: ik heb er geen probleem mee om mijn straat te verlaten, hè.  Ik rij ’s avonds nog naar zee en terug als het moet, ik heb vaak avondvergaderingen in Brussel.  Maar bij ons in de straat is het goed.  En daar zal ook wel een deel van het geheim in schuilen, waarom dat het zo goed gaat, met bomma.  Want ze woont nog alleen, moet je weten, maar ze woont tussen familie.  Ze leest hele stapels boeken – wel in grootletters, want “het wordt er niet beter op met ouder worden” zegt ze dan. Ik veronderstel dat de bieb speciaal voor haar regelmatig een nieuwe lading boeken moet laten aanrukken.  Ze leest ook de krant – met een vergrootglas.  Ze kijkt naar het nieuws en de Zevende Dag.  Ze heeft over alles een eigen mening, en die mening wordt gerespecteerd, door kinderen en kleinkinderen.  Om 11u is het soeptijd.  Na de lunch doet ze een stevige dut.   Er springt dagelijks iemand van haar kinderen binnen voor een babbel, er komt een hulp voor de poets, en om haar haar in de juiste krul te draaien. Iedereen is trots op bomma.  Omdat ze zo’n fiere madam is, zo eigenzinning en vrij.

Bomma woont dus nog alleen.  Haar man (bompa) is al meer dan 40 jaar overleden.   Ze heeft heel wat meegemaakt.  Ze is geboren bij het begin van de eerste wereldoorlog.  Als kleuter stond ze bij de bevrijding op de praalwagen, verkleed  als koningin Astrid. Ze had 8 zussen en 6 broers. Ze heeft als kind veel plezier gehad met haar broers en zussen.  Ze speelden dikwijls voetbal op “het heike”, en zij was dan de keeper.  Tijdens de tweede wereldoorlog werd haar jongste broer weggevoerd.  Hij was toen 17 jaar.  Ze hebben nooit meer iets van hem vernomen (tot mijn vader onlangs ontdekt heeft wanneer en waar hij gestorven is).  Dat heeft haar zwaar aangegrepen.  Een andere broer werd doodgeschoten.  Zijn vrouw was zwanger van hun tweede kindje.  Wij kunnen ons dergelijke levensloop gewoonweg niet meer voorstellen.  Bomma weet hoe zwaar het leven kan zijn, en tegelijk is ze altijd een hele fiere vrouw geweest – ook bekommerd om materiële dingen: haar kinderen kregen kleren die bij de kleermaker werden gemaakt.  Bomma was graag verpleegster geworden.  Ze heeft een tijd in Luik in het ziekenhuis gewerkt.  Ze mocht daar helpen op de kinderafdeling.  In die tijd was het heel moeilijk om te gaan studeren.  Het is er dus nooit van gekomen.  Ik ben er zeker van dat ze er de capaciteiten en kwaliteiten voor had.

En dan lees ik in de krant dat veel mantelzorgers (één op drie) de zorg voor hun ouders beschouwen als een zware last.  Ik begrijp dat.  Het is niet evident om zorg te dragen voor iemand met een wankele gezondheid, misschien met beginnende of gevorderde Alzheimer.  Bovendien blijken sommige ouderen erg veeleisend te zijn, ondankbaar, kwaad…  Mantelzorgers zitten ook vaak nog met zorgen voor eigen kinderen of kleinkinderen, ze behoren tot de “sandwichgeneratie”, gekneld tussen zorg voor oud en jong.   Hopelijk ontmoedigt het niemand om het te proberen, die mantelzorg.  In de mate dat het mogelijk is, natuurlijk.  Als ik mij voorstel dat ik later oud word, dan zou ik ook liefst oud worden in een omgeving waar ik me goed voel.  In mijn eigen huis, wie weet verdelen we dan ons huis wel met een aantal vrienden.  Wie nog kan, helpt mee met de was en de plas.  Voor wie dat niet meer kan, moeten er hulpkrachten ingeschakeld worden.  Of familie.    Wie weet is dat wel het verhaal voor velen van ons in de toekomst.  Wie weet blijft zo de zorg voor ouderen ook beter betaalbaar. Maar als het niet kan, dan kan het niet. Het is wel een groot voordeel voor ons dat bomma zo’n sterke vrouw is.  Ze zegt haar gedacht op een manier dat je er niet omheen kan, op een manier die respect afdwingt.  Ze wil niet afhankelijk zijn, maar tegelijk aanvaardt ze hulp en is ze niet bang iemand voor haar in te schakelen.  Ik denk dat het vooral een kwestie is van een goede communicatie en wederzijds begrip.  Als het kan, natuurlijk.

En zondag is het feest!  We vieren dan 100 jaar fijn gezelschap van bomma.

 

bommafoto

Het zou een rustdag worden.  Hoewel, rustdag… eigenlijk een dag om op het gemak de berg was te doen die onvermijdelijk bij een weekje skiën met het hele gezin hoort.  Want ondertussen wist ik wel van wanten (en van skibroeken, skijassen, skifleecen, skisokken, de hele skireutemeteut).  Genoeg om te weten dat de berg was vaak niet moet onderdoen voor een zwarte piste.  Vandaar het dagje extra verlof, een primeur.  Maar wat ik nog niet wist toen we de skivakantie boekten, was dat ik op dit moment de spits van de kiescampagne zou afbijten… Gisteren hadden al een paar wasmachines gedraaid, vanmorgen leek de berg was al een beetje te slinken – ondertussen werd de stapel strijk steeds groter.  Maar er was ook die markt in Peer, waar ik met medekandidaten had afgesproken om onze flyers aan de man te brengen.  Om 10 uur op het appel (no pun intended – Peer – appel…) en “flyeren” maar!  Hier en daar hoorde je wel eens iemand mompelen: “alleen maar om de eigen zakken te vullen” of “het zijn allemaal dezelfde vuillappen”, maar over het algemeen was de sfeer goed, de bevolking vriendelijk, en de flyers verdwenen in zakken en trolleys.  Ik zag ze al voor mij, ’s avonds in hun zetel, op het gemak de flyer uitvouwend en gladstrijkend, waarna de namen van de kandidaten werden gememoriseerd.  Sommigen zouden er een spelletje van maken.  De namen afdekken en dan voor het eerst de juiste naam zeggen bij elke foto. Of de foto’s en de namen uitknippen, en dan zoeken wie bij welke naam paste.  Of – voor gevorderden – de juiste plaats bij de juiste lijst bij de juiste naam bij het juiste gezicht plaatsen.  Achach – hoop doet leven…

Maar dat was niet het enige dat vandaag zou moeten gebeuren.  Het oudste kind had tennistraining, en ook nog eens twee tenniswedstrijden.  De echtgenoot stond te zwaaien met een businessplan dat vandaag aan de één of andere instantie moest worden voorgesteld.  De grootouders dienden bijgevolg te worden ingeschakeld.  Verzachtende omstandigheid was wel dat het jongste en het middelste kind konden worden uitbesteed aan een verwant gezin dat voor een weekje aan zee verbleef. Maar die twee kinderen moesten wel nog naar zee worden gebracht.  Grootouders bezet, man druk bezig, dus die heen-en-weer naar zee moest ik er nog tussen zien te pitsen.  Geen probleem, het was toch een rustdag.

Tot ik te horen kreeg dat mijn affiches en ander campagnemateriaal moesten worden afgehaald – in Lommel of all places…   Met een beetje goede wil ligt Lommel op het traject van thuis naar de zee, dus dat moest lukken.  Eerst nog even lunch verzinnen – de eieren doorstonden de versheidsproef (als ze niet komen bovendrijven in water, zijn ze nog oké) en de kerstomaatjes leken onze week afwezigheid ook te hebben overleefd.  Omelet met kerstomaatjes dus, daar kon niemand over klagen.

Het jongste en middelste kind moesten de auto in.  De koffers werden snelsnel gepakt.  Van het verwante gezin had ik een lijstje gekregen met dingen die per se meegenomen moesten worden.  Zwembandjes (voor hun kind), zwembroeken, een vlieger, een fiets.  Zwembandjes, zwembroeken, vlieger, fiets.  Zwb, zwb, vl, f…  Hup – kinders de auto in, goed nadenken of ik alles bij had, dikke jas, dunne jas, want je wist maar nooit met die zee van ons.  Nog eens het adres opzoeken daar in Lommel, GPS programmeren, en go.  Ik moest wel een beetje op tijd terug zijn, want morgen zou het een gewone werkdag worden, en in de vroege avond moest ik naar Brussel sporen om op een overheidsdienst iets te bespreken (in verband met onze beroepsorganisatie).  Dat laatste vroeg wel wat voorbereidingswerk, dus ik wou op tijd achter mijn computer zitten.

Toen we bijna in Lommel waren, dacht ik plots dat het middelste kind wel erg lang op zijn ipad had zitten turen.  Ik begon al wallen en rode ogen te ontwaren in mijn achteruitkijkspiegel.  Ik draai me dus om om te zeggen dat hij eens iets anders moest doen, toen ik zijn voeten in de gaten kreeg… Hoe haalde hij het in zijn hoofd!  Hij had zijn zomerschoenen van vorig jaar aan!  Hoe was het toch mogelijk, die waren op zijn minst twee maten te klein, daar kon hij toch geen hele week op rondlopen?  “Maar mama, ik vond mijn andere schoenen niet!”.  “Vraag mij dan waar ze liggen!” “Maar dan word jij kwaad, mama!”.  Ja, die zat… Een paar keer diep ademhalen… Ik had ondertussen vanuit mijn andere ooghoek een schoenenwinkel ontwaard aan de andere kant van de weg, dat moest dan maar, want terugrijden naar huis was helemaal geen optie.  Opeens kreeg ik een raar voorgevoel en ik vroeg aan het jongste kind: “wat heb jij aan je voeten?”  Het andere kind piepte voorzichtig: “Mijn crocs, mama!”.  Ik had het even niet meer.  “Proberen te relativeren”, spoorde ik mijzelf aan – dat zijn materiële zaken, daar zijn oplossingen voor… Prioriteit was nu even om mijn campagnemateriaal op te halen en dan koers te zetten richting kust.

Het campagnemateriaal werd in mijn auto geladen, ik dacht nog even: als ik nu iets aan de hand krijg, gaan ze mij wel gemakkelijk kunnen identificeren.  Posters van Frieda all over the place.

Image

En dan richting de schoenenwinkel die daarnet als bij wonder in mijn gezichtsveld was opgedoken.  Er werden straffe afspraken gemaakt: “mama kiest, geen protest”.  En op 10 minuten was het gefikst. “Elk nadeel heb z’n voordeel”.

 ImageImage

En dan verder naar de kust.  De rit verliep vlot, het weer werd steeds mooier.  Aan zee bleek het prachtig weer te zijn.  Winderig en fris, maar zonnig, zoals het hoort.  Potverdorie – die fiets vergeten in te laden!!!  De zwembroeken, zwembandjes had ik wel – aiai en die windvlieger die lag ook nog thuis!

Image

Eenmaal aangekomen met kinderen, de noodzakelijke bagage en de helft van het gevraagde lijstje, stond er een kop verse soep voor mij klaar (waarvoor dank).  Na 15 minuten was ik gerecupereerd en kon ik terug – richting huis, man en oudste zoon.  De file had ik ingecalculeerd – daar zou ik me niet door uit het lood laten slaan.  Een kleine drie uur later kwam ik thuis en stonden de worstenbroodjes in de oven (wat wil je, een koelkast hoort leeg te zijn na een weekje in de bergen), en OF ze smaakten!

En nu zit ik dus achter mijn computer, klaar voor de voorbereiding voor morgen – het is iets in verband met implantaten, ik zal u er niet mee vervelen…

De was, die is er eerlijk gezegd nog een beetje, maar voorlopig probeer ik hem even te negeren.  Kwestie van prioriteiten.  Trouwens: wat was was voor was was was?

Tot gauw!

Morgen mijn eerste marktbezoek. Enfin, toch mijn eerste marktbezoek waar flyers aan te pas komen. In Peer, waar een stuk van mijn familiegeschiedenis is ontstaan. Het is immers de geboorteplaats van mijn opa zaliger (Lewie van de Sòkkerberg), die ik nooit heb gekend. Ik ben benieuwd.

Want het is wel een vreemde gewaarwording, een politiek engagement. Het brengt je in een directe confrontatie met je medemens. Hoe onbestaand mijn input in het politieke landschap momenteel ook is, toch voel ik me opeens voor een stuk publiek bezit. Wat natuurlijk ook logisch is, want uiteindelijk solliciteer ik naar een functie als volksvertegenwoordiger. En dat wens ik ook echt letterlijk te nemen. Het gaat me niet om een persoonlijke profileringsdrang, wel om een streven naar een betere samenleving, waar ik een actieve rol in wil spelen, waar ik die mensen wil vertegenwoordigen die vertrouwen in mij hebben. (En ik hoop ook echt dat de beslagen politicus die deze blog zou lezen, nu niet in zijn vuistje zit te lachen, in de wetenschap dat de grote politieke beslissingen door de band uit gekonkelfoes en ellebogenwerk ontstaan.)

Is dat raar? Blijkbaar voor sommige mensen wel. Sommigen willen zelfs niet geloven in de oprechtheid van mijn engagement. Voor de één ben ik niet gefrustreerd genoeg, de ander denkt dat er een financiële reden moet zijn. Ik moet hen teleurstellen. Het gaat mij persoonlijk inderdaad goed (even afkloppen). Maar dat wil niet zeggen dat ik de misstanden in de maatschappij niet zie. Dat ik niet zie dat er problemen zijn met belangrijke groepen mensen. En ik zie véél mensen in mijn praktijk. Ik praat elke dag met mensen van allerlei pluimage. Ik mag zeggen dat ik graag met mensen te doen heb. Ik heb vertrouwen in de mensheid, maar soms minder in de overheid. Eerlijkheid en transparantie moeten voor mij altijd centraal staan. En dat is zeker niet altijd het geval.

Maar de N-VA blijkt een partij te zijn die verdedigd moet worden. Wat ik dus niet logisch vind. Om één of andere reden lijkt een deel van de goegemeente bijvoorbeeld te denken dat de N-VA een racistische partij is. Racistisch? Ik kan niet uitdrukkelijk genoeg zeggen dat dat NIET zo is. Anders zou ik mezelf nooit op een N-VA lijst willen zien. Ik vind huidskleur en afkomst echt totaal irrelevant en zelfs geen discussie waardig. Het is wel zo dat de N-VA een duidelijke visie heeft op inburgering. Maar die visie deel ik ook. Ik vind dat het erg belangrijk is – de allereerste stap – dat elke nieuwe Vlaming zich in het Nederlands kan uitdrukken. Dat is toch de enige manier om dezelfde kansen te krijgen, om je weg te vinden in de samenleving? Ik kan me dan ook niet voorstellen dat ik zelf naar een anderstalig land zou verhuizen zonder op taalcursus te gaan. En ik denk dat het vooral de fout is van het verleden dat er bij de migratiegolf van 50 jaar geleden niet meer is aangedrongen op taalkennis en inburgering. De mijncités zijn mooi om te zien, gezellig en zuiders, charmant en apart, maar hebben ook altijd een drempel gevormd naar de oorspronkelijke bewoners. Sommigen zijn over die drempel geraakt, en die mensen zullen ook niet nalaten mij – tussen de behandelingen in mijn praktijk door – trots te vertellen over hun kinderen die leraar geworden zijn, die een eigen zaak hebben, die hogere studies hebben gedaan. En die mensen moeten tot inspiratie dienen, zij tonen immers dat het kan, dat je door een “moeilijke” familienaam heen kan kijken, door een getinte huid.

Ik vind het ook opvallend dat er binnen de artistieke gemeenschap veel mensen zijn die neerbuigend doen over de N-VA. Uiteraard kan dat, natuurlijk heeft ieder zijn eigen visie op de maatschappij, maar ik vind het erg frappant dat de culturele wereld als met één stem vooral tegen de N-VA is, zonder uitdrukkelijk voor een andere partij te zijn. Alles, behalve de N-VA, lijkt het wel (en het VB wellicht, maar ook daar wil ik me HEEL uitdrukkelijk van distantiëren). En ik kan niet nalaten te denken dat de pers hier veel in de pap te brokken heeft. Er worden soms hele oorlogsverledens aangesleept om aan te tonen dat de N-VA niet te vertrouwen kan zijn. Terwijl ik betwijfel of er binnen de N-VA nog mensen actief zijn met (een of ander) oorlogsverleden. Ik daag de culturele gemeenschap uit mij eens duidelijk uit te leggen waarom de N-VA voor haar geen kansen krijgt. “Asociaal” en “racistisch” kunnen wat mij betreft al geschrapt worden, want dat zal ik weten te weerleggen. “Niet duidelijk” en “manipulatief” ook niet, dat moeten we eerder zoeken bij de traditionele partijen. Dus ik vraag me af waarom de artiest van vandaag geen vertrouwen heeft in zijn eigen afkomst, zijn eigen verleden, zijn eigen wortels. Het is toch uit je eigen grond – je “roots” – dat je inspiratie begint, je kijk op de wereld, je interpretatie ervan? En het is toch ook niet zo dat de N-VA geen andere kunstvormen of culturen accepteert? De acceptatie van een andere cultuur eindigt wat mij betreft wel waar respect en/of gelijkheid tussen mensen in het gedrang komt, maar daar zou de cultuurwereld toch ook moeten achter staan? En de N-VA pleit toch voor ondernemerschap, iets waar de kunstenaar zich vandaag toch ook in zou moeten herkennen?

Maar wat ik dus wou zeggen is dat ik morgen met een hoop flyers in Peer op de markt sta. Ik zie je daar. Kunnen we nog wat verder filosoferen.

Een enkeling zal zich misschien afvragen of die arme Jochen Schuermans zomaar opzij werd gezet om plaats te maken voor zijn vrouw… Ten eerste: niet erg, dat is hij al gewoon.  Ten tweede: nee, want hij had het zelf voorgesteld.

Jochen weet heel goed dat ik erg gemotiveerd ben om iets van mijn kandidatuur te maken. Hij zou dat zelf uiteraard ook zijn, maar momenteel wordt een groot stuk van zijn vrije tijd al opgeslorpt door werk voor de gemeenteraad.  Hij heeft bovendien volop plannen voor de uitbouw van zijn eigen zaak, terwijl mijn praktijk op poten staat en ik makkelijker tijd vrij kan maken voor een campagne en een eventueel toekomstig mandaat.

We kunnen onze engagementen dus beter verdelen op deze manier, en we houden elkaar ondertussen op de hoogte van de ontwikkelingen op beide domeinen.

Hij hoefde het overigens maar één keer voor te stellen, waarna ik riep: “gezegd is gezegd!” en toen kon hij dus niet meer op zijn stappen terugkeren.  Ik heb prompt mijn kandidatuur opgesteld, en aan de voorzitter en het bestuur van N-VA Meeuwen-Gruitrode gevraagd of ze mij een kans wilden geven.  Tot mijn grote plezier hebben ze mijn kandidatuur voorgedragen en verdedigd.

Ik had tijdens de campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen volop meegewerkt, maar achter de schermen.  Ik geraakte mettertijd meer enthousiast en gefascineerd door het hele gebeuren en onze afdeling moet dat waarschijnlijk geapprecieerd hebben.

Daarnaast hadden we allebei het gevoel dat er binnen de N-VA nog nood was aan personen die zich vooral willen inzetten voor de “softere” thema’s, zoals het sociale, gezondheid, welzijn.

Trouwens, bij Maggie De Block is dat ook zo gegaan.  Ik bedoel maar…