Wan Toe Frie

persoonlijke blog van Frieda Gijbels

Toen ik haar laatst zei dat ik naar huis ging, wisten we het allebei. Het zou de laatste keer zijn dat we elkaar spraken. Ze zei dat ze het fijn vond dat we waren langsgekomen. Haar haar was een beetje raar, de krul was eruit. Het was korter en leek witter dan anders. Haar stem wou niet meer mee. Dat vond ze ergerlijk, gebaarde ze. Ze had haar bril niet op. Haar heldere grijsblauwe ogen hoop ik nooit te vergeten. Zo kalm, zo gelukkig, zo wijs.

Ik kwam haar kamer binnen toen ze pas bediend was. Ik vroeg me even af welke geplogenheden dergelijke situatie vereist. Maar bomma brak meteen het ijs. “Nu ben ik gezalfd”, zei ze, en ze moest ermee lachen. Ik was meteen gerust. De humor was er nog. En zelfs het Heilig Oliesel kon daar niet tegenop.

Vanmorgen is ze rustig vertrokken. Ik weet niet precies waar ze nu is. Haar lichaam heeft ze achtergelaten.

Ik geloof niet in engelen en rijstebrij, maar ik geloof wel in de wetten van de fysica. Ik geloof in de wet van behoud van energie. Ik ben blij dat de energie van bomma nooit verloren zal gaan. Ik geloof ook dat je een voorbeeld moet proberen te zijn voor je nageslacht. Dat je de wereld een stukje mooier moet maken voor degenen die na je komen.

Ik ben dan ook dankbaar dat bomma een voorbeeld is geweest voor mij. Ze was altijd in staat om zelf een mening te vormen, ze liet zich nooit iets aanpraten. Ze was niet naïef. Ze was eigenwijs, maar ook voornaam. Ze was ook grappig en kon op een plagerige manier iemand op zijn plaats zetten. Ze was oprecht geïnteresseerd en wist waar je mee bezig was. Ze wist wat belangrijk was. Ze was sterk.

Wij, haar nageslacht, zijn allemaal een stukje bomma. Als we samen zijn, is bomma er ook.

Ik vraag me alleen af wie er nu tegenover ons aan tafel gaat zitten. Wie overjaarse wafels uit de kast gaat halen. Wie er haar boek aan de kant legt om te luisteren. Wie onze toetssteen zal zijn.

https://friedagijbels.com/2014/04/24/100-jaar-fijn-gezelschap/

Het zal waarschijnlijk niet erg slim zijn dat ik dit stuk ga schrijven, maar het moet nu maar gewoon even. Ik kon er gisteren en vandaag niet langs. Het Belangske liep ervan over. En het komt mij de oren uit. Het Limburggevoel. En dan Indra Dewitte die mij op Twitter aanspoorde om de Limburgtest te doen. Heb ik zogezegd 47% Limburggevoel. Whatever. En dan staat er ook nog “dat ik meer Limburgs ben ALS ik denk”! DAN ik denk, mensen, DAN ik denk. En inderdaad, dat is meer DAN ik dacht. Ik dacht namelijk dat ik géén Limburggevoel had.

Ik begrijp het gewoon niet. Oké, ik ben van Limburg. Oké, ik ben zelfs geboren en getogen Limburger. Ik woon nog steeds in Limburg. Ik woon opnieuw in de straat waar ik geboren ben. Maar dat is omwille van praktische overwegingen. En mijn god, heb ik mij de laatste tijd al beklaagd dat ik niet dichter bij Brussel woon. Zowat alle vergaderingen lijken in Brussel door te gaan. Die van de beroepsvereniging, die van de N-VA. Wat logisch is. En ik zou zomaar verhuizen, echt waar. Maar we wonen nu dicht bij mijn ouders, en dat is wel zo praktisch. Ze letten als eens op de kinderen, begrijpt u? Als ik in Brussel ben.

Maar het Limburggevoel, dat heb ik dus niet. Maar het Belangske staat er wel vol van. Uiteraard. Want het Limburggevoel, dat is gewoon uitgevonden door het Belangske. Om de Limburgers te doen denken dat het Belangske de enige krant is waar een Limburger zich in herkent. Om hen (ten onrechte) te doen denken dat ze misschien niet slimmer zijn dan de rest, maar dan zeker wel gezelliger en sympathieker.  Het Belangske teert op het Limburggevoel. Je kan er elke dag in lezen hoe het met je buren gaat. Het speelt in op je sentiment. Wie is er allemaal geboren? Wie zit er allemaal in de eerste klas? Wie is er allemaal getrouwd? Wereldnieuws is toch niks in vergelijking met het wedervaren van je medelimburgers.

Maar er is licht aan het einde van de tunnel. De jongere generatie heeft “het” minder. Omwille van de groeiende mobiliteit, wordt gezegd. De Limburger heeft de autosnelweg gevonden! De Limburger heeft het wereldwijde web ontdekt! De aarde blijkt geen platte schijf te zijn, waar je vanaf valt zodra je Lummen of Sint-Truiden bent gepasseerd!

Ik overdrijf natuurlijk. Ik ben gewoon blij dat het de goede kant uit gaat. Dat de jongere generatie verder kijkt dan haar neus lang is. Dat ze zien dat ze ook kunnen gedijen in andere provincies of andere landen. Grenzen vervagen, zelfs die van Limburg. En dat is goed. Hopelijk krijgt het Belangske dat snel in de gaten en speelt ze in op die nieuwe generatie, die echt wel een bredere kijk heeft op de wereld en wat meer inhoudelijke input verlangt van een krant. Een generatie die volgens mij niet meer zal aanvaarden dat ze tegen heug en meug wordt afgeschilderd als een karikatuur.

(Hoewel er soms nog werk aan de winkel is. Zo ben ik eens lichtjes uit mijn krammen geschoten toen mijn neefjes verder zouden gaan studeren, en toen bleek dat ze een studierichting zochten binnen Limburg. Daar kon ik niet bij. Ik kon, als ik wou, de eerste jaren in Diepenbeek gaan studeren, maar geen haar op mijn hoofd dat daaraan dacht. Dat zou een straf geweest zijn. Het tienwekensysteem hadden ze daar! Help! Als ik dus iets NIET meer wou, dan was het bij het handje gehouden te worden (wel ironisch, want toen koos ik voor de SCHOOL voor Tandheelkunde, Mondziekten en Kaakchirurgie. In Leuven. En een School, dat was het wel). Asjeblief, desnoods zou ik voor diergeneeskunde hebben gekozen, een richting die je echt niet bij de deur kon volgen.)

En dan maar klagen dat we niet ontsloten zijn. We ZIJN inderdaad niet ontsloten! Maar misschien lijkt het soms ook wel alsof we daar geen behoefte aan hebben? Alsof we het binnen onze provincie zo gezellig hebben dat we genoeg hebben aan elkaar. Het klikt toch met niemand zoals met de Limburgers. Wie wil er nu naar Brussel? Wat is er nu in Antwerpen te beleven? Terwijl er zoveel mogelijkheden zijn voor onze provincie. Welke provincie is het er het best gepositioneerd voor export naar zowel Nederland, Duitsland als Frankrijk? Limburg toch wel? Maar dan moeten we volgens mij toch af van de mentaliteit die ons wordt opgedrongen. We moeten eens normaal gaan doen. Laten zien waar de opportuniteiten liggen en onszelf in de markt zetten. Niet omwille van onze warmte en gezelligheid, maar omwille van onze andere troeven. Kennis en kunde. Onze geografische ligging. Zorgen dat we ons gedragen als degelijke businesspartners. De talenten zijn er. Nu nog de mentaliteit.

Daarom deze warme oproep aan het Belangske: doe er iets aan. Stop met het cultiveren van dat Limburggevoel voor eigen profijt. Ons wentelen in het Limburggevoel helpt ons geen stap vooruit. Onze toekomst verdient beter (en ons heden trouwens ook). En wellicht biedt het u als krant ook uit commercieel oogpunt een beter toekomstperspectief.

En mijn man vindt dat ook, roept hij net (ik stuurde hem juist de kladversie door). En die zit dus werkelijk overal in de wereld (momenteel zit hij aan de andere kant van de living, maar dat is eerder uitzonderlijk). Vandaar die nood aan babysit.

Tot slot: misschien voelt u zich geaffronteerd, omdat u het Belangske leest. Maar het gaat niet over u. Het gaat over die krant. Want u verdient meer en beter. En als u het er niet mee eens bent, dan ligt het waarschijnlijk aan mij. En dan verwijs ik weer naar de eerste zin van deze blog…

“Het Belang van Limburg” pakte afgelopen vrijdag breed uit met artikels over de instroom van buitenlandse tandartsen in Limburg. Een voorpagina, en pagina’s 2 en 3 werden eraan gewijd. Maar het fenomeen beperkt zich uiteraard niet tot Limburg. Vooral in de grotere steden als Antwerpen en Brussel is het een opvallende evolutie. Er zijn hierbij enkele bedenkingen, die ik u niet wil onthouden…

Buitenlandse tandartsen vullen lege vacatures – enkele bedenkingen…
De laatste tijd zijn er steeds meer signalen van collegae die het fundamenteel oneerlijk vinden dat een stijgend aantal tandartsen vanuit het buitenland onze rangen vervoegen. Vaak gaat het om collegae die eigen kinderen, of kinderen van kennissen zien stranden op de toelatingsproef voor artsen en tandartsen, waardoor de kans om arts of tandarts te worden verkeken lijkt. Tegelijkertijd zien ze dat buitenlandse tandartsen zonder al te veel problemen toelating krijgen om hier aan de slag te gaan.
Een Europees diploma wordt immers automatisch gelijkgeschakeld met een diploma dat in ons land werd behaald, volgens de regels van de Europese Unie. Tandartsen met een niet-Europees diploma dienen wel examens af te leggen (Vlaanderen) of voor een commissie te verschijnen (Wallonië), waarna er in de meeste gevallen wordt geoordeeld dat enkele bijkomende studiejaren noodzakelijk zijn.
Het grootste probleem blijken bijgevolg de Europese gediplomeerden. In bepaalde gevallen laat de kwaliteit van een buitenlandse opleiding te wensen over. Bovendien is er vaak een taalprobleem, dat in vele gevallen pas tot uiting komt bij de test om tandartsen de toelating te geven om radiografieën te nemen in ons land. Vaak blijkt pas bij dat examen dat er onvoldoende kennis is van het Nederlands om de test te kunnen afleggen. Wanneer tandartsen deze test afleggen, werd hun diploma al gelijkgeschakeld, en werd er al een RIZIV-nummer uitgereikt. Deze tandartsen werken dus al in ons land, maar mogen enkel niet zelfstandig radiografieën nemen.
Wat wil deze gebrekkige taalkennis dan zeggen naar de omgang met patiënten toe? Een tandarts is méér dan een practicus. Een tandarts is een medicus, die moet kunnen inschatten wat de vraag is van de patiënt, wat zijn medische achtergrond is, welke klachten hij heeft, zodat er een correct behandelplan kan worden opgesteld. Bovendien moet een tandarts zijn patiënt kunnen informeren en motiveren en moet hij kunnen communiceren met de (huis)arts, met collega-tandartsen, en met de overheidsdiensten.
Het mag niet de bedoeling zijn dat een instroom aan buitenlandse tandartsen het niveau van onze mondzorg naar beneden haalt. Het lijkt dan ook logisch dat ze onderworpen worden aan strenge kwaliteitsnormen, waarbij een niet te verwaarlozen voorwaarde moet zijn dat ze vlot kunnen communiceren in de taal van de regio waarin ze actief zullen zijn. Op deze manier worden meteen ook die tandartsen uitgefilterd die zich effectief willen inspannen om zich langdurig te binden aan ons land, zodat de continuïteit van hun zorg naar hun patiënten toe wordt gewaarborgd.

buitenlta1

buitenlta2

Het is een afschuwelijk verhaal, waar mijn 100-jarige bomma het nog steeds bijzonder moeilijk mee heeft. Nonkel Georges, de jongste broer van bomma, werd op 20 juli 1944 opgepakt in Ellikom en door de Duitsers weggevoerd, nauwelijks 17 jaar oud en onder het oog van zijn ouders, broer en zus. Niemand heeft hem daarna nog teruggezien. Op een gegeven moment werd hij dood verklaard, later werd hij gerepatrieerd en begraven in Ellikom. Althans, zo werd beweerd. Er waren regelmatig twijfels, speculaties, fantasieën…
De waarheid werd pas nu achterhaald en neergepend door mijn vader. Het heeft hem ongetwijfeld slapeloze nachten bezorgd. Binnenkort gaan enkele familieleden nonkel Georges bezoeken op zijn werkelijke laatste rustplaats. Een intriest weerzien na 70 jaar onzekerheid…

Dit is wat Dhr. Guido Hendrickx, voorzitter van de “Stichting Meensel-Kiezegem ’44” over zijn werk schreef:

Hallo Rik,

Ik mocht uw “mierenwerk-kopy” in de beste orde ontvangen. Want mierenwerk dàt is het geworden.
Blij en tevens verrast omwille van uw “Punklichheit” waarmee u de zaak met uitzonderlijk geduld hebt uitgeklaard. U mag hierover 7 X 7 keer met alle fierheid gefeliciteerd worden. Dat doen we met deze.
Trouwens dit is een unicum, nooit bestaand en zonder voorgaande.
Alleen al de gedachte die op de voorzijde aangereikt wordt, maakt duidelijk het onweerlegbaar gevoel:
” 70 jaar uit het oog, NOOIT UIT HET HART”.Het zegt meer dan duizend woorden.
7 april 2015 wordt een belangrijke dag. Een mijlpaal als ‘ t ware in de familiale geschiedenis.
Ik wens voor uzelf en de ganse groep medereizigers voor dat ultieme moment alle moed en sterkte toe.
En kan met alle zekerheid veronderstellen dat deze levensmomenten een gelouterde en hechtere familieband
zullen betekenen. Momenten die rust zullen brengen voor de verdere verwerking en loyaliteit.
Rik, nogmaals onze felicitaties, een goede reis en behouden thuiskomst.
Maak voorafgaand zo mogelijk fijne afspraken met belanghebbende personen die jullie zullen begeleiden.
Vergeet niet: wegens beperkte activiteiten in het niet-toeristische seizoen… gaan niet alle deuren open zonder voorafgaande afspraken.
Rik mijn gedachten zullen bij jullie zijn. Zeker, als we weten dat 30 dagen nà 7 april 45 de bevrijding en het oorlogseinde een feit was…met omstandigheden die het licht niet mochten zien. Vandaag schijnwerpers
op onmenselijke gruwelfeiten.
Guido Hendrickx

IMG_1366[1]IMG_1367[2]

Wie het hele verhaal wil lezen, stuurt best een e-mail naar gijbelsrik@gmail.com, en kan dan een exemplaar van het werk bestellen.

Net wanneer je dacht dat je iedereen zijn mening over het onderwerp wel had gehoord…

Over die vrouwenquota dus. Of nee, wat zeg ik,  “genderquota” , want “vrouwenquota”, dat is dan weer stigmatiserend, alsof het uitsluitend over een tekort aan vrouwen zou gaan, daar in die raden van bestuur en op het politieke schouwtoneel…

Nu, om een lang verhaal kort te maken, ik vind dat het stilaan welletjes is geweest met die vrouwenquota. We zijn “er” misschien nog niet.   Alhoewel, waar moeten we precies geraken?  Tot er een derde vrouwen aanwezig is of hoe zat dat weer?  Want dat zou eerlijker zijn?  Dat zou politiek correcter zijn?  Of dat zou misschien efficiënter zijn?

Nu, dat laatste durf ik nog wel te geloven.  Als er meer vrouwen aan de touwtjes mogen trekken, dat zou inderdaad wel wat schelen, efficiëntiegewijs.  Men zegt dan wel dat multitasken niet bestaat, maar vrouwen komen volgens mij alleszins dichter in de buurt dan mannen.  En ik denk ook dat ze makkelijker eigenbelang aan de kant kunnen zetten wanneer het over het algemeen belang dient te gaan (al zal dat niet voor iedereen gelden). En ook een voordeel is dat ze niet per se het laatste woord moeten hebben.  En dat de vergaderingen dus sneller afgerond zijn.  En dan komen we terug bij die efficiëntie waar ik het over had.

Maar wat dan toch wel vreemd te noemen is, is het feit dat men helemaal niet verontwaardigd is over een ongelijkheid in gendervertegenwoordiging in andere beroepen. Ik denk maar aan onthaalouders, leerkrachten uit het kleuter- en lager onderwijs, aan verpleegkundigen…  Want zo lang daar een overwicht is aan vrouwen, zal de perceptie blijven bestaan dat vrouwen meer geschikt zijn voor de zorg voor kleine kinderen, voor de zorg in het algemeen.

Of – misschien is dat wel zo… Misschien is het helemaal niet alleen een kwestie van perceptie en zijn veel vrouwen beter in zorg dan veel mannen dat zijn.  Er zal wel een verklaring voor zijn.  Een evolutionaire, ik zeg maar wat. Wat niet wil zeggen dat er geen geschikte mannen te vinden zijn voor deze jobs.  Integendeel, een jonge gast die aan een opleiding kleuterleider begint, die zal dat wellicht uit oprechte motivatie doen.  Want het ligt toch minder voor de hand, waardoor het vaak een bewustere keuze zal zijn.  Alleen voelen minder mannen er zich toe geroepen.  En moet je dat dan veranderen?

Misschien is het voor vrouwen in raden van bestuur en voor vrouwen in de politiek net zo.  Het ligt net dat tikje minder voor de hand.  Of misschien – mijn favoriete verklaring – is het nog eenvoudiger en zien ze de bui al van ver hangen.  Misschien hebben ze geen behoefte aan het spreekwoordelijke gefoefel en gekonkelfoes.  Of wie weet is het de ultieme vorm van multitasken, de sterke vrouw achter de sterke man.  Het zou niet de eerste keer zijn dat je leest dat de beste ideeën thuis werden ingefluisterd, tussen de soep en de patatten.  Wellicht hebben veel vrouwen niet zozeer de behoefte om zelf op die bühne te staan.  En, cliché, wellicht voelen meer vrouwen dan mannen de moeilijkheden om één en ander te combineren met hun gezinsleven scherper aan.  En voelen mannen die moeilijkheden dus wat minder.

Als ik uit het dagelijkse leven mag spreken, dan kan ik zeggen dat het niet altijd gemakkelijk is, avondlijke vergaderingen combineren met een man, een huis, een kat, een konijn en drie kinderen.  Mijn eigen zaak en medewerkers, de beroepsvereniging, de volleybal, in lokale, arrondissementele en nationale politieke besturen. En de kinderen protesteren wel eens.  En mijn man ook, want die heeft ook zijn eigen business, met nog een heleboel groeipotentieel, die hij “heus niet van plan is aan de kant te schuiven” voor mijn enthousiasme.  En hij is fractieleider in de gemeenteraad, heeft zijn tennis, en zijn vrienden.  Oh ja, ik heb ook nog vrienden, al moet ik daar dringend eens wat meer tijd aan besteden, anders zal dat niet lang meer duren.  En dat sporten, dat krijg ik er precies ook steeds minder goed tussengewrongen.

Maar daar kiezen we dus zelf voor.  Daar gaan we niet over zagen, dat proberen we te regelen door af en toe onze agenda’s eens naast elkaar te leggen en elkaar een mail te sturen.  Hopen dat de grootouders af en toe inspringen. En af en toe eens flink ruzie te maken omdat er even moet worden kortgesloten waar de prioriteiten ook al weer lagen.

Vroeger was het natuurlijk anders.  Toen ik klein was, werkte mijn moeder fulltime, en had ze een verantwoordelijke functie in een groot bedrijf.  In die tijd, een generatie geleden, was dat allesbehalve evident. Mijn zus en ik waren praktisch de enigen van ons kleine lagere schooltje die naar een onthaalgezin gingen.  Men had af en toe oprecht medelijden met ons.  (Ten overvloede en omwille van mijn moeder zet ik er toch maar even bij dat we hier echt geen trauma aan hebben overgehouden, integendeel, de tijd bij “moeke” en “papa René”  was fantastisch.  Een warm gezin, waar ik heb leren haken, breien, cake bakken en konijnen villen).

Amper een generatie geleden was het niet evident dat een moeder uit ging werken.  Op korte tijd is er enorm veel veranderd.  In mijn studietijd was het heel normaal dat jongens en meisjes gingen studeren, in de tijd van mijn ouders nog niet.  Nu het vrouwelijk potentieel er is, vind ik het zo uit de tijd om nu nog te gaan ijveren voor genderquota.  Akkoord, de raden van bestuur zijn vaak niet transparant samengesteld, en dat men daar hier en daar eens flink in heeft moeten rammelen door het invoeren van genderquota, des te beter.  Maar of dat vers bloed er nu gekomen is door nieuwe mannen of nieuwe vrouwen te introduceren, dat is wat mij betreft bijzaak.

Het is volgens mij tegenwoordig toch vooral een persoonlijke keuze.  Wil je als vrouw naar de top? Dan kan dat.  Zorg ervoor dat je de beste kandidaat bent voor de job.  Zorg ervoor dat je het gecombineerd krijgt, maak afspraken met je eventuele partner.  Als je dat niet wil, is dat natuurlijk ook prima.  En hetzelfde geldt voor mannen.  Ook zij moeten zorgen dat het te combineren valt.  Het is tegenwoordig zo dat je als ambitieuze en capabele vrouw een voordeel hebt ten opzichte van je mannelijke evenknie.  Als je voor een bepaalde functie, of een plaats op een kieslijst een man en een vrouw hebt met dezelfde capaciteiten, dan maak je als vrouw meer kans.  Is dat dan gelijkwaardigheid?

Laatst was ik nog op een politieke bijeenkomst, en als ik dan eens goed om mij heen keek, zag ik eigenlijk vooral mannen.  Misschien is het wel zo dat politiek vooral mannen interesseert?  En dat veel vrouwen daar te verstandig voor zijn?

Maar nu is het lange verhaal dus nog niet kort geworden.  Wat ik wil zeggen:  ik hoop dat de verstandige vrouwen binnenkort eens opstaan en die quota afschaffen.  We zijn straf genoeg om onze eigen boontjes te doppen.

Zoals dat wel vaker gebeurt in de aanloop naar een veertigste verjaardag, begint een mens al eens terug te blikken.

Sinds kort mag ik zeggen dat ik me min of meer volwassen voel. Daar heb ik inderdaad de tijd voor genomen. Het zal te maken hebben met een voortdurende twijfel, waaraan ik mezelf nogal eens schuldig pleeg te maken. Twijfelen doe ik nog steeds, maar laten we zeggen dat ik het nu een plaats heb gegeven. En al zeg ik het zelf, volgens mij is twijfel ook niet per se een slechte eigenschap. Zelfkritiek, daar ben ik kampioen in. Vroeger was dat nogal extreem, vooral mijn fysieke tekortkomingen vond ik toen redelijk dramatisch. Gelukkig komt met de jaren ook het relativeringsvermogen. Die minpunten zijn er uiteraard nog, maar ze kunnen mij de boom in.

Ik denk dat ik een complex kind was. Mijn moeder zei altijd dat ik meer moest lachen. Terwijl ik zelf altijd wel de humor van dingen heb ingezien, maar ik lachte daar dan niet per se uitwendig om. En trouwens, in mijn puberjaren vond ik dat er niet heel erg veel om te lachen was. Ik trok me de hele wereld nogal aan, en ik kon me ontzettend ongerust maken over dingen die gebeurden, of die zouden gebeuren. Of ik dacht dat dingen die gebeurden met mij te maken hadden. Met dingen die ik had gedaan. Gelukkig is daar een eind aan gekomen. Ik weet nog precies wanneer. Toen we het in de les Nederlands over magisch-realisme hadden. Toen begreep ik plots dat het erg egocentrisch en megalomaan was om te durven denken dat ik ook maar enige invloed kon hebben op de dingen die er in de wereld misgingen. Ik ben Hubert Lampo en Gabriel Garcia-Marquez dan ook eeuwig dankbaar hiervoor.

Met dat lachen heb ik nog regelmatig problemen. Ik ben in feite één vat vol humor, maar niemand die dat weet. Thuis schept dat misverstanden. Ik maak vaak grapjes, maar die worden niet altijd als dusdanig herkend. En als ik een tekst schrijf, of zomaar een e-mail, dan moet ik die van mijn man doorspekken met smileys, omdat hij denkt dat andere mensen ook niet zullen snappen dat het om te lachen is. Terwijl ik altijd had begrepen dat het redelijk stom is om te lachen met je eigen grappen. Gelukkig begrijpen mijn kinderen mij wel meestal. (Dus misschien ligt het ook wel gewoon aan mijn man…)

Enfin, ik lees hier net in de Knack Weekend dat de GLOWs in opmars zijn. En dat is fantastisch nieuws. Ik heb altijd al eerbied gehad voor grijze haren, maar de GLamorous Older Women zijn nu helemaal hot in modeland. Perfectie is niet belangrijk, attitude is dat des te meer. Dat wisten we natuurlijk al langer, maar het is wel fijn om die dames op leeftijd te zien schitteren. In de praktijk zie ik ook vaak oudere dames, vaak met een uitgesproken stijl en mening, die respect afdwingen en de draak steken met jeugdige schoonheid, die dan toch maar erg oppervlakkig blijkt. En dan trek ik me mijn eigen eerste rimpels ook maar niet aan. Al is het soms toch schrikken, voorjaarslicht op een bleke huid en dan een spiegel in de buurt.

We zullen ook niet anders kunnen dan respect hebben voor heren en dames op leeftijd, want binnenkort zullen zij het straatbeeld domineren. Er komt een generatie aan van actieve ouderen, met een eigen stijl en mening, die op een gegeven moment toch een bepaalde zorg zullen nodig hebben. Want hoe extravagant of knap ook, op een gegeven moment zullen er fysieke of mentale problemen opduiken, die oplossingen vragen. En deze dames en heren zullen niet met zijn allen over dezelfde kam willen worden geschoren als het gaat om huisvesting en begeleiding.

Er zullen oplossingen op maat worden gevraagd. En uit respect voor hun kennis en kunnen, hun ervaring en wijsheid, zullen deze oplossingen optimaal moeten worden afgestemd op hetgeen ze zelf nog kunnen, op elk moment van hun leven. Oplossingen die uitgaan van hun zelfredzaamheid en die ruimte laten voor trots, individualiteit en eigenwaarde. En volgens mij moet in dat aspect – zelfredzaamheid – ook de betaalbaarheid van die systemen gevonden worden.

Hopelijk kunnen we met zijn allen creatieve oplossingen bedenken, het zal tenslotte ook in ons eigen voordeel zijn.

Aan de midlife crisis, daar doe ik niet aan mee. Met een beetje geluk liggen er nog mooie jaren voor mij. Ik ben tenslotte nog maar net volwassen.

friedaklein

weekendknack

Soms twijfel ik tussen een meewarige glimlach en ernstige verontwaardiging bij het lezen van bepaalde pers. Neem nu het stuk van Walter Pauli, vandaag in Knack (“Rond de islam wordt een nieuwe politieke breuklijn zichtbaar” http://www.knack.be/nieuws/belgie/rond-de-islam-wordt-een-nieuwe-politieke-breuklijn-zichtbaar/article-opinion-530347.html?utm_source=Newsletter-04/02/2015&utm_medium=Email&utm_campaign=Newsletter-RNBDAGKN&M_BT=8129997877839).
Hij begint met losjes allusie te maken naar de verbanden tussen de Vlaamse Beweging en de collaboratie tijdens W.O. II. Hij noemt deze verbanden wel discutabel, maar hop, het staat er toch maar weer. Trouwens, terzijde: de Vlaamse Beweging werd in den beginne vooral gedragen door schrijvers en dichters, door de “cultuurscene” van die tijd, waardoor de genoemde auteur nu in het Vlaams zijn frustratie kwijt kan. Waardoor hij voor een Vlaams tijdschrift kan werken en niet voor een franstalig. (Waardoor de concurrentie om iets te publiceren alvast met de helft vermindert, nu ik erover nadenk.) Dankbaarheid voor hetgeen die Vlaamse Beweging voor ons betekend heeft, zou wel eens op zijn plaats zijn. En inderdaad, tijdens de wereldoorlogen is er sprake geweest van collaboratie binnen de Vlaamse Beweging, maar er zijn ook steeds andere stromingen geweest. En laten we wel wezen: collaboratie was absoluut af te keuren, maar hoe lang liggen die oorlogen nu al achter ons? Zelfs mijn ouders zijn na de tweede wereldoorlog geboren. En ik durf te wedden dat er binnen de N-VA afstammelingen van collaborateurs zijn, maar net zo goed familie van slachtoffers van het naziregime. Het wordt tijd dat de “linkerzijde” en bij uitbreiding de pers eens uit een ander vaatje gaan tappen.
Naadloos gaat Pauli van de collaboratie over naar recente uitspraken van Bart De Wever en Joachim Pohlmann. Alleen vergeet hij wel duidelijk te stellen dat De Wever en Pohlmann tégen het naziregime van leer trekken. Dat ze duidelijk maken dat we dergelijke gruwel nooit meer opnieuw mogen toelaten. Dat is toch precies het omgekeerde? Bart De Wever noemde de misdaden die nu door IS worden begaan de ergste sinds die van de tweede wereldoorlog. Of dat nu zo is, of niet. Of er tussendoor elders nog ergere gruwelijkheden hebben plaatsgevonden, zoals Pauli in zijn stuk ostentatief tentoon spreidt, of niet. Dat doet uiteraard ter zake, maar dat is het punt niet. Het is wel zo dat de misdaden door IS een enorme impact hebben op onze eigenste samenleving. En uiteraard zijn we ook verontwaardigd over misdaden begaan op andere plaatsen in de wereld, maar déze misdaden vinden onder onze ogen plaats en bedreigen op een acute manier onze welvaartsstaat en zelfs onze vrijheid. Sommigen van onze eigen burgers kiezen ervoor om naar het buitenland te trekken om er te gaan vechten tegen onze normen en waarden. Normen en waarden die onlosmakelijk verbonden zijn met een samenleving die gebouwd is op gelijkwaardigheid, vrijheid en verdraagzaamheid.
Op geen enkel moment trekt de N-VA ten strijde tegen de islam, of suggereert ze het zelfs maar. Daarom was ik ook zo blij dat Jambon op een sublieme wijze Dewinter te kijk heeft gezet in de Kamer. Om klaar en duidelijk te zeggen dat de scheiding niet ligt tussen “wij” en de “islam”, maar tussen onze vrijheid en de bedreiging hiervan door terroristen.
Dat we ferm moeten optreden tegen terroristen, dat behoeft toch helemaal geen betoog? Ik vind het dan ook hoogst onverantwoordelijk dat er pogingen gedaan worden om het huidige veiligheidsbeleid in twijfel te trekken. Of te suggereren dat het veel efficiënter zou zijn om in te zetten op integratie (van de derde generatie ondertussen!).
Natuurlijk is integratie iets wat moet worden nagestreefd. En inderdaad, daar had men al vele jaren geleden veel sterker op moeten inzetten. Uiteraard kan discriminatie niet. Dat is iets waar we met zijn allen blijvend aan moeten werken. En ik erger me blauw aan uitlatingen via sociale media waar moslims en terroristen over dezelfde kam worden geschoren. Dat kan niet. Ik vind het dan ook geruststellend dat er steeds meer moslims opstaan die duidelijk maken dat de islam niet in strijd hoeft te zijn met onze samenleving. Dat de normen en waarden van onze samenleving kunnen passen binnen het islamitische geloof.
Onze strijd is er één van verdraagzaamheid tegen onverdraagzaamheid. En daar past enkel kordaat ingrijpen. Er is gewoon geen alternatief.

En toch ga ik er iets over op papier zetten. Ondanks het feit dat ik zelf geen allochtone achtergrond heb. Want ik was eventjes geblokkeerd geraakt door de gedachte dat dat een noodzakelijke voorwaarde was. Maar daar ben ik overheen. Want het zit mij hoog. Het idee dat “deze rechtse regering” de oorzaak zou zijn van een toenemende polarisatie van onze maatschappij, waarbij termen als “racisme” niet geschuwd worden. Vanmorgen hoorde ik op Radio1 nog een interview met een dame met allochtone wortels. Of ze niet verbaasd was dat “deze rechtse regering”, meer nog, een N-VA minister, een inspanning ging doen om meer mensen met een allochtone achtergrond bij de overheid aan het werk te krijgen. En ja, ze was verbaasd. Ik snap de vraag niet echt. Ik snap het antwoord nog minder. Waarom zou het één een contradictie zijn van het ander? Waarom zou een regering die eerder gelooft in de eigen krachten en talenten, “meer nog, een N-VA minister”, geen voorstander zijn van een veelkleurige overheid? Dat ligt in feite toch in de lijn van de ideologie? Het lijkt er ook steeds meer op dat de “linkse” partijen zich de allochtone bevolking toeëigenen. Hoe kort door de bocht kan je zijn? Bestaan er dan geen mensen van allochtone origine die eerder rechts georiënteerd zijn? Die geloven in hun eigen kennen en kunnen en mee willen bouwen aan een sociale samenleving? En wat is dat trouwens toch, die tegenstelling tussen links en rechts die men steeds scherper probeert te stellen? Ik heb heus niet voor de N-VA gekozen omdat deze rechts zou zijn. Ik heb voor de N-VA gekozen omdat deze partij volgens mij de meeste garantie geeft op een evenwichtige en sociale maatschappij. Omdat deze partij zegt waar het op staat: het wordt dringend tijd dat ieder die dat kan de hand aan de ploeg slaat en zijn steentje bijdraagt. Hoog tijd dat er een klimaat wordt geschapen waar de ondernemer zich welkom voelt en durft te investeren in een eigen project en durft te investeren in mensen. Waarin duidelijk gesteld wordt dat de overheid en overheidsbedrijven efficiënter aan de slag moeten, aangezien ons gemeenschapsgeld met zorg moet worden uitgegeven en geïnvesteerd, en dat in het belang van ons allen. Waarin de macht en de relevantie van de zuilen in vraag wordt gesteld. Want alleen door een efficiënt, zuinig en tegelijk stimulerend beleid, kunnen we een samenleving in stand houden die de zorg voor elkaar kan dragen.
Ik moet toegeven dat ik soms achterover val van reacties van mensen met N-VA sympathieën. Ik kan niet ontkennen dat sommige mensen de klaarheid van de N-VA misbruiken om er hun eigen racistische gedachtengoed in te laten gedijen. En laat mij duidelijk zijn: voor mijn part mag hier streng tegen worden opgetreden. Racisme kàn gewoon niet. Het is ook iets onbegrijpelijks. Waarom zou je iemand anders behandelen omwille van een andere achtergrond of huidskleur? Uiteraard zijn er culturele verschillen, maar dat zou onze samenleving net moeten verrijken. Soms krijg ik het verwijt dat ik “zo verdraagzaam” ben omdat ik ben opgegroeid in een landelijke omgeving en waarschijnlijk nooit in aanraking kom met mensen van allochtone origine. Ik heb er nog geen statistiek op losgelaten, maar ik schat dat toch zo’n 20% van mijn patiëntenbestand een exotische familienaam heeft. En ik heb nog nooit een probleem gehad met iemand omwille van zijn achtergrond. Waarom zou ik in ’s hemelsnaam? Natuurlijk zijn er wel problemen buiten de beslotenheid van mijn praktijk. Het is niet leuk om ’s avonds naar het treinstation in Genk te gaan, omdat er daar inderdaad jongeren rondhangen, veelal van allochtone origine, die vervelend doen. En dat vind ik niet normaal, maar ik vind het vooral jammer. Blijkbaar beseffen ze niet dat ze hun kostbare jeugdjaren op deze manier weggooien. Ze zouden op dat moment achter hun boeken moeten zitten, of een vak moeten leren, of bij de sportclub moeten zijn. Ze zouden duidelijker gewezen moeten worden op de kansen die elke Vlaming, van welke origine dan ook, bij ons heeft. Maar die kansen moeten wel gegrepen worden. Er zijn daar volgens mij dan ook nog een hele hoop opportuniteiten: ouders betrekken en enthousiasmeren, rolmodellen aanreiken. Jongeren zin geven om mee te doen aan onze samenleving, om hun talenten te ontdekken en ontwikkelen. De ouders van die allochtone jongeren die studeren of ondernemen, zijn vaak zo trots dat ik het al snel hoor als ze bij mij in de behandelstoel zitten. En ik denk dat er weinigen zijn die het uitmaakt of ze naar advocaat Özturk gaan of hun auto laten herstellen bij garage El Masbouk, of les krijgen van meester Yassine. Als de kennis er maar is, als de service er is, als we elkaar eerst en vooral maar begrijpen.
Want daar gaat het nog veel te vaak mis. Niet zelden krijg ik jonge patiënten over de vloer die al enkele jaren gemigreerd zijn, vaak door een huwelijk, en nog steeds een tolk bij hebben. Zulke mensen trekken zich terug in hun eigen gemeenschap, zoeken te weinig contacten met de autochtone bevolking, en missen de kansen die er zijn om zich actief te integreren.
Wat ook niet kan, is de migratiestroom laten gedijen, want dat is gewoonweg niet houdbaar voor ons sociale weefsel. Ik vind het dan ook een prima idee om duidelijke regels op te stellen, waardoor het op voorhand duidelijk is wie in aanmerking komt voor het Belgische staatsburgerschap en wie niet. Uiteraard moeten we vluchtelingen die in eigen land in gevaar zijn onderdak bieden. Zeker zo belangrijk is dat de internationale gemeenschap inspanningen doet om de situaties in de landen van herkomst veiliger te maken.
Alleen die kwestie van de hoofddoeken, daar ben ik niet over uit. Op zich stoort het mij allerminst. Dames met een hoofddoek nemen hun hoofddoek in mijn praktijk vaak spontaan af voor een behandeling. Als het niet stoort voor de behandeling, mogen ze hem van mij ook ophouden. Van de andere kant begrijp ik in zekere zin ook wel de argumenten van de tegenstanders, omdat het de vrouw in een ondergeschikte positie zou plaatsen. Ik denk dat het prioritair is dat iedereen de kans krijgt een bepaalde job uit te oefenen, en dat er vooral gekeken wordt naar capaciteiten, niet naar een eventuele hoofddoek (voor zover deze compatibel is met de specifieke job). Het is belangrijk dat dames van allochtone origine opgenomen worden in de beroepsbevolking en op deze manier een plaats kunnen verwerven in onze maatschappij en kunnen emanciperen. Pas bij volledige integratie en emancipatie lijkt me de beslissing om al dan niet een hoofddoek te dragen een strikt persoonlijke beslissing te zijn. Het minst wenselijke scenario bij een hoofddoekverbod lijkt me immers dat sommige vrouwen hierdoor, als tegenreactie, niet mogen gaan werken van hun echtgenoot, of zelf radicaliseren, waardoor de cirkel hoe langer hoe vicieuzer en rigoureuzer wordt.
Dat een multiculturele samenleving uitdagend is, dat mag duidelijk zijn. Dat iedereen water bij de wijn moet doen en elkaar de hand moet reiken, is ook evident. Dat het bijzonder kortzichtig is om de N-VA af te schilderen als een racistische partij, hoop ik dat ook duidelijk is. Uiteraard besef ik goed dat deze reactie van mij voor een stuk beoogd werd door bepaalde partijen en groeperingen en niet in het minst door de media. Men probeert de N-VA in de verdediging te drukken, hetgeen volgens mij volkomen overbodig is. Maar het probleem is dat velen, ook in mijn eigen dichte omgeving, zich laten meeslepen door de polarisering die door “de linkerzijde” op het getouw wordt gezet. Ik hoop dat we er met zijn allen uit geraken. Een beetje gezond verstand kan geen kwaad…

Ik lees hier net dat Jan Jambon – of nee, de N-VA, zo blijkt nu ik het nog eens bekijk – zich van de SP.A (maar niet van Freya VDB) moet verontschuldigen voor een uitspraak van de zoon van Jambon. Die zoon vindt namelijk dat het geen kwaad kan het inschrijvingsgeld voor hogere opleidingen te verhogen, want dat deze opleidingen daardoor “voor meer kwaliteit en een zekere elitevorming” zouden zorgen. Ik veronderstel dat die zoon volwassen is, want hij blijkt praeses te zijn van het KVHV. En het KVHV zou een kweekschool zijn voor N-VA’ers. Naar Het Schijnt. Maar alles bij elkaar weet ik dus niet goed wat zoon Jambon precies te maken heeft met de visie van de N-VA. Dat is ongeveer net als toen de N-VA expliciet moest verklaren niet racistisch te zijn, omdat er bepaalde mensen racistisch zijn. Niet dat er aanwijzingen waren dat er racisten waren tussen de N-VA’ers. Misschien wel, maar van de andere kant, in andere partijen misschien ook. (By the way – ik heb uit goed bron vernomen dat de N-VA niet racistisch is – en nu gaan we niet opnieuw beginnen over dat uit de context gerukte en verkeerd geciteerde “relatieve racisme”).
Maar wat ik mij dus afvroeg: zou dat verontschuldigen ook gelden voor uitspraken van niet-volwassen kinderen? Anders moet ik morgen toch eens werk maken voor een rollenspel met mijn kroost, zodat er tijdig kan worden ingegrepen en antwoorden op mogelijke vragen in de richting van de wenselijkheid kunnen worden gemasseerd. Eigenlijk dom van mijzelf dat ik daar nog niet eerder mee begonnen ben. Hersenen zijn op jonge leeftijd immers een spons, dus morgen de koe bij de horens en de kinderen diets maken wat ze van de dingen moeten vinden. Ik kan mij immers al enkele rampscenario’s voor de geest halen. Bijvoorbeeld, vraagje aan de dochter: “Wat vind jij van onze koninklijke familie?”. Als ze dan zegt: “Ja, geweldig, ik ga later ook prinses worden en met een prins trouwen en verre reizen maken en in een mega paleis wonen. En dan gaan we in de vakantie met zijn allen naar onze grote boot in Zuid-Frankrijk!”. Dan moet ik haar toch zien duidelijk te maken dat er ook andere antwoorden mogelijk zijn, zoals: “Pfoe, dat is toch niet meer van deze tijd. Laat die mensen toch gerust. Laat ze maar gewoon een job doen waar ze goed in zijn en laat ze hun eigen vrienden en kennissen kiezen en in hun vrije tijd doen waar ze zin in hebben. Als de gemeenschap moet zorgen voor het koninklijk patrimonium zal het al genoeg zijn.” Of als ik aan één van mijn zonen vraag: “Wat vind je van België?”, dan zal hij dus moeten leren zwijgen over die Belgische vlaggen die van onder het stof werden gehaald tijdens het afgelopen WK, en al zeker over de Belgische sjaal en de mutsen (jaja, meervoud, eentje met horens en een soort flexibele goochelaarshoed) die in de loop der jaren in onze lade met vreemde voorwerpen gesukkeld zijn.
Elitair, dat woord kennen ze misschien wel, maar dat gebruiken ze tot dusver niet. Alhoewel: elitespelers – volgens mij is dat woord toch al eens gevallen. Oei, en eliterenners, dat ook. Moet ik dus ook dringend ontraden. Hoewel, misschien kan het wel in een sportieve context, maar niet in een intellectuele of socio-economische?  Mmm… daar moet ik nog eens over nadenken. Maar (even voor de goede orde) wat ik ze wel al regelmatig heb duidelijk proberen te maken, is dat hetgeen je meekrijgt geen verdienste is, in tegenstelling tot de inspanning die je doet om iets te bereiken. Hopelijk onthouden ze het, ook als ze praeses zijn van het KVHV, wat dus in onze situatie de eerstvolgende logische stap blijkt te zijn in hun ontwikkeling naar waarlijke vlaams-nationalisten.
Nu, het onderwerp van de toespraak, het duurder maken van de hogere opleidingen, dat vind ik wel interessant. Ik had het er dit weekend nog over met een collega. Het spreekt voor zich dat een opleiding aan een hogeschool of universiteit geld kost. En niet alleen het inschrijvingsgeld en het cursusmateriaal, ook de huisvesting (en de sociale activiteiten) vragen grote inspanningen van de ouders, maar, niet te vergeten, ook van de gemeenschap. En laat daar nu net het schoentje knellen. Uiteraard moet ieder die daar aanleg voor heeft de kans krijgen om te studeren. Onze kennis is onze grondstof, wordt er gezegd, waarmee we ons kunnen profileren. Maar kennis is meer dan hogere studies. Niet iedereen hoeft per se ingenieur, jurist of arts te worden. Waarom zou iemand die erg geïnteresseerd is in mechaniek geen goede automonteur kunnen of mogen worden? Waarom wordt er vaak pas voor een technische opleiding gekozen als het ASO geen succes blijkt te zijn? En dat hoeft niet te maken te hebben met een gebrek aan intelligentie. Stel dat je kind zowel commerciële capaciteiten heeft als handig is en geïnteresseerd in meubelbewerking. Dan ligt de weg toch open voor een eigen bloeiend bedrijf? Ondernemerschap staat of valt niet met een hogere opleiding. En net die kleine en middelgrote ondernemers hebben we nodig. Bovendien dreigt de kennis van “een vak” teloor te gaan door het groeiende aantal boekenwurmen. Wie gaat er binnenkort onze waterleidingen aanleggen en herstellen? Wie kan nog een degelijk en duurzaam meubel maken, dat in staat is generaties te overleven? Wie weet nog welke gewassen het weligst tieren op onze akkers?
In de generatie van mijn ouders was het nog anders. Mijn vader moest voetballer worden, want studeren was voor nietsnutten. Uiteindelijk is hij toch naar Leuven getrokken – één en al schuldgevoel. Mijn moeder was de eerste (uit een gezin van 13 kinderen) die in Genk mocht verder studeren. De oudere zussen werden verondersteld huisvrouw te worden, de broers moesten een vak leren. De wereld op zijn kop, anderhalve generatie geleden.
Maar laten we niet vergeten dat studeren in ons land minder kost dan in vele andere landen. In mijn specialisatie-opleiding werd ik betaald, terwijl in pakweg Nederland dezelfde studie veel geld kostte. En zoals eerder gezegd, uiteraard moet iedereen die dat echt wil, de kans krijgen om verder te studeren. Maar het mag geen logisch vervolg zijn van het secundair onderwijs. Het moet een bewuste keuze zijn, met respect voor de maatschappij die die studie voor een groot stuk bekostigt.
En wie weet draagt een hoger inschrijvingsgeld wel bij tot een drempel die het “een keer proberen” ontmoedigt en alternatieven die nauwer bij de eigen capaciteiten en interesses aansluiten aantrekkelijker maakt. Een geldig alternatief is wat mij betreft een toelatingsproef, die gerust bindend mag zijn, voor zoverre ze werkelijk rekening houdt met inzicht en capaciteiten en niet louter met opgedane boekenkennis. Voor mij heeft dat alles niks te maken met het creëren van een elite, wel met een selectie (of is dat ook een vies woord?) studenten die er echt voor wil gaan. De verantwoording die ze aan hun ouders moeten afleggen wordt immers groter. En de studiebeurs wordt een stuk kostbaarder goed.
Enfin, dat is wat ik ervan vind. Sla mijn vader er niet mee om de oren, hij heeft er niks mee te maken…

Rang en stand,
kleur en smaak,
oud en jong…
Onze vlag dekt een bonte lading.
Maar in elk van ons
schuilt die leeuw
met klauwen en tanden,
wilde manen
en een zachte vacht.
Om te vechten voor
wat we waard zijn
en te zorgen voor wie
zelf niet vechten kan.
Om naar de sterren te reiken
en de ander te koesteren
in onze gemeenschappelijke droom.
Ik ben fier Vlaming te zijn
en blij met jullie allen
te werken aan een mooie toekomst…
Een fijne 11 juli voor alle Vlamingen!