Wan Toe Frie

persoonlijke blog van Frieda Gijbels

Mijn vader leent even mijn blog om een schrijnend verhaal te vertellen.

Tijdens de oorlog, in 1944, werd Georges, een oom van hem en broer van zijn moeder, op 17-jarige leeftijd weggevoerd.  Het was een trauma dat diepe wonden heeft geslagen…

Zijn lichaam werd na vele jaren zogezegd gerepatrieerd, maar er waren vele onduidelijkheden en ongerijmdheden, waardoor de familie bleef twijfelen over het lot van hun zoon en broer.

Mijn vader vatte een lange speurtocht aan en geleidelijk vielen de puzzelstukken in elkaar.  De geschiedenis van Georges kreeg enkele onverwachte en bijzonder trieste wendingen.  Hij schreef het hele verhaal op:

Georges-Brochure Kroniek Oorlog_LR

Zelden sta ik stil bij het verleden.  Dat wordt me niet steeds in dank afgenomen.  Zo ben ik al vanalles vergeten, zogezegd.  Tja… zou kunnen. Leuke dingen, die ik niet zou mogen vergeten, naar het schijnt.  Het is vooral mijn man die zich daaraan stoort.   Ik kan zelf ook wel jaloers zijn op vriendinnen die hele verhalen opdissen uit onze middelbare schooltijd.  Soms doen ze een belletje rinkelen, die verhalen, maar vaak ook niet.  Niet omdat ze me niet interesseren, maar waarschijnlijk vooral omdat ik gefocust ben op het heden en op de toekomst.  Ik geloof wel dat het verleden je vormt, en dat je moet leren uit ervaringen – maar dan alleen om op een betere manier vooruit te gaan.  Voor een stuk lijkt me dat zelfs de essentie van het leven.  Zorgen dat je gereedschap vergaart om te bouwen aan een betere wereld voor degenen die na je komen.  En daarbij moet volgens mij iedereen zijn best doen, binnen de grenzen die door de gemeenschap zijn afgesproken, maar vooral met de kansen die ieder bij ons krijgt.

Tegenwoordig voel ik me sterk geroepen om actief mee te bouwen aan die toekomst.    Misschien is het overdreven, en stiekem hoop ik dat ook, maar toch kan ik het gevoel niet van me afschudden dat onze vrijheden soms aan een zijden draadje hangen, meer dan dat in mijn middelbare schooltijd het geval was.   Maar zelfs toen kon ik onmogelijk zwijgen in debatten en had ik de neiging om tegen schenen te schoppen als ik het gevoel had dat er onrechtvaardigheid in het spel was.

Ik heb dan ook grote bedenkingen bij de recente bedreigingen die de Beringenaar Koçak te beurt vallen.  Hoe is het nu mogelijk dat Turkse kranten  doelbewust tweedracht willen zaaien in een ander land, waar de inwoners zich enkel hebben te houden aan de Belgische wet?  Waarom blijken onze eigen gouwgenoten daar dan ook nog vatbaar voor te zijn?  Hoe kan het dat mensen die bij ons naar school gaan, aan het werk zijn, samenleven, zich problemen laten aanpraten door een megalomane president in een ver land? 

Nog niet zo lang geleden gebeurde hetzelfde met Zuhal Demir. 

Enkele dagen geleden postte ik toevallig een selfie van Zuhal en mezelf op facebook.  Veel “vind ik leuks”, maar ook een opmerking met de vraag “of het niet om problemen vragen” was om me achter onze staatssecretaris te scharen.  Want zij was van Koerdische afkomst, en dat kon wel eens verkeerd vallen bij sommige Turken bij ons.  We zouden gegarandeerd in de miserie geraken.

Ik denk dat de persoon die die opmerking maakte, dat oprecht en zonder kwade wil bedoelde, maar ik zag er eerlijk gezegd eventjes het begin van het einde in.  Net zoals Koçak beslist heeft om niét toe te geven, mogen wij met zijn allen niét toegeven.  Onder geen enkel beding.  We moeten blijven verdedigen dat een verschil in mening alleen maar een verschil in mening is.  Dat ieder mag kiezen voor welke politieke partij hij kiest en dat ook openlijk mag verdedigen.  Dat daar geen bedreigingen bij horen.   Daar wil ik voor op de barricaden gaan staan.

Alleen als iédereen zich onvoorwaardelijk schaart achter de wil om er samen iets van te maken, zal het lukken.  Verschillen mogen er natuurlijk zijn, die maken het juist leuk, maar die moeten ook door alle partijen aanvaard worden, binnen de grenzen die er in ónze samenleving zijn afgesproken.

Maar goed, ik begon met dat gebrek van mij.  Dat ik snel vergeet.  Het kan dus ook een voordeel zijn.  Het was maar doordat ik nog verschillende reacties kreeg van anderen na dat facebookbericht, ook privé berichten, dat ik eraan herinnerd werd dat er best wel wat onbeleefdheden, onjuistheden en zelfs een dreigement aan mijn adres waren geuit. 

Maar ik was dus eigenlijk al bij het volgende onderwerp. Al wil ik bij deze toch nog eens een vurig pleidooi houden voor een elementaire beleefdheid, met eerlijke en gefundeerde argumentatie, ook op sociale media.   Ik wil niemand overtuigen van mijn mening, maar wel iedereen van mijn oprechtheid.

Politiek en schimmige toestanden.  Het lijkt een eeuwenoud recept en het smaakt nog altijd even zuur.  Begrijpelijk dat mensen boos worden.  Hun verkozenen blijken te graaien, zo wordt gezegd.  Diezelfde verkozenen die enkele jaren geleden hadden beloofd dat ze het anders gingen aanpakken, dat zij degenen waren die hun stem verdienden.

Er wordt over niets anders meer gepraat.  Mensen zijn het beu. Willen niet met zich laten sollen. Er is geen ruimte meer voor nuance.  Alle politiekers lijken hetzelfde.  En als ze nú nog niet corrupt zijn, dan zullen ze het binnen de kortste tijd wel worden.

En ja, corruptie tiert nog welig.  Zowel in de dorpspolitiek als hogerop.

De zuilen zijn daar niet vreemd aan.  Ons kende ons.  Ons kent ons nog steeds, overigens. Er was allicht nog wel ergens iets te regelen: een functie bij het ziekenfonds, het ziekenhuis, de school, de gemeente, het bejaardentehuis.  Een project dat gegund werd aan mensen van de juiste “kleur”.  Hoe meer mensen in het krijt, hoe beter.
Deze gebruiken waren voor mij trouwens de hoofdreden om te kiezen voor een andere partij.  Eentje die staat voor nieuwe politiek, los van zuilen, maar vóór de gemeenschap.

Ik wil dan ook graag nuanceren.

Je voelt mij al aankomen.  Want die politici, die kunnen zich er goed uitlullen.  Maar toch. 

We mogen dit momentum niet laten passeren, maar het aangrijpen om ervoor te zorgen dat de dingen duidelijk worden. Al té lang bestaat er een cultuur van structuren en constructies, die zichzelf stuk voor stuk onmisbaar wanen, maar dat niet noodzakelijk zijn.

Ons geld is te zuur verdiend om het te verspillen.  Overbodige structuren moeten verdwijnen en onze vertegenwoordigers moeten hun job doen.  Zo simpel is dat.

Maar laten we opletten met alle politici uit te maken voor rotte vis. Er is een “race to the bottom” ingezet, waarbij men zijn vertegenwoordigers niets meer lijkt te gunnen.  Elk mandaat is verdacht en te duur, elk postje is eigenbelang, op elke vergadering wordt poen geschept en champagne gedronken.  En in het parlement vallen ze alleen maar in slaap.

Al ben ik zelf geen verkozen politicus, al heb ik geen mandaat, ondertussen ken ik wel veel politici.  En geloof het of niet – de meesten zijn politicus geworden uit overtuiging.  Omdat ze de boel willen veranderen.  Ik ben er rotsvast van overtuigd dat er heel veel oprechte mensen in mijn partij zitten.  Dat merk ik wekelijks op het partijbestuur.  We zijn er werkelijk van overtuigd dat onze partij het recept heeft om verandering te brengen.  We willen ervoor gaan.  Er wordt heftig gediscussieerd.  Over principes.  Over waarden.  Maar ook over strategieën.  Hoe je structuren van bínnenuit moet veranderen, bijvoorbeeld. Helaas lukt niet alles.  En dat ligt meestal niet aan de mensen van onze partij.  Het is dan ook straf om te zien hoe onze partij nu in het oog van de storm staat, terwijl de grote problemen, de diepgewortelde misbruiken, ja de graaicultuur, vooral elders te vinden is.

Ook in ons eigen lokale bestuur zie ik oprecht engagement.  Mensen die elke week opnieuw uren van hun vrije tijd investeren om te gaan voor datgene waar ze in geloven.  Ze zijn het gezicht van onze partij in de gemeente en worden hierop aangesproken.  Ze zijn niet bang om kleur te bekennen.  Ze laten zich niet bedreigen.  Ze lezen de kranten en ergeren zich misschien, maar gaan dan aan de slag.  Verzamelen argumenten, doen opzoekingswerk.  Zoeken naar alternatieven.  Doen voorstellen om de wereld beter te maken, te beginnen in hun eigen dorp.  Zonder personeel, op eigen kracht.  Sommigen krijgen daarvoor een bescheiden zitpenning, de meesten echter niet.  Maar daar doe je het ook niet voor. Je doet het voor de lange termijn.  Om iets in beweging te zetten.

Laat dat dan ook mijn boodschap zijn.  Geef het niet op.  Blijf geloven in de kracht van de democratie. Laat het niet bij die ergernis.  Durf zelf op de voorgrond te treden.  Zet zaken in beweging.  Steek de handen uit de mouwen.  Wees jíj dan degene die het anders gaat aanpakken.  Ga voor verandering.

De vleugelslag van een vlinder kan een tornado veroorzaken.

De eerste schepen van onze gemeente pakte net voor het weekend op Facebook uit met “goed nieuws”.  Hij had de afgelopen jaren prachtig werk geleverd en zou de gemeentefinanciën met een gerust hart kunnen overhandigen aan zijn opvolger. Want dat had hij in de krant gelezen.  In Het Laatste Nieuws, nota bene.  En  nomen est omen, want wat bleek: de belastingdruk in onze gemeente was de op 6 na laagste van heel Vlaanderen. Dat hij daar nu pas achter kwam!  De burgemeester volgde prompt.  Ook hij postte fier op Facebook hoe goed de Meeuwen-Gruitrodenaar het toch wel getroffen had.  De tabel die hij bij de post voegde, zou de criticasters wel over de streep halen.

Het gekke is dat we in onze gemeente helemaal niet zo weinig belastingen betalen. De aanslagvoet van de aanvullende persoonsbelasting is hoger dan het Vlaams gemiddelde.  We betalen sinds limburg.net bovendien meer voor onze afvalfactuur. Die tabel deed dus vermoeden dat er op een vreemdsoortige manier conclusies waren getrokken.

Het bewuste krantenartikel bleek niet langer online te staan.  De link leek wel door Het Laatste Nieuws verwijderd?  Om te weten op welke cijfers dit artikel gebaseerd was, werden de originele cijfers opgevraagd.

Al gauw kwam de aap uit de mouw. Want wat had de journalist in kwestie gedaan?  Hij had alle belastinginkomsten per gemeente (behalve de bedrijfsbelasting) gedeeld door het aantal inwoners.   Makkelijk zat.  Het vervelende is echter dat je uit die totale som hoegenaamd niet kunt concluderen hoeveel gemeentebelastingen een gemiddeld huisgezin moet betalen.  

Er zitten namelijk een aantal denkfouten in die redenering.  Men gaat ervan uit dat het altijd beter is voor de inwoners als een gemeente minder belastingen binnenkrijgt.  

Dat zou dus willen zeggen dat men beter zou stoppen met facturen te innen, want die zorgen alleen maar voor een slechtere rangschikking in een soortgelijk artikel. 

Men zou de mensen moeten ontmoedigen om te gaan werken.  Want hoe meer werklozen, hoe minder inkomsten van de aanvullende personenbelasting, dus hoe lager de belastingdruk volgens de krant en hoe beter de score van het bestuur.

En omdat ook onder andere de belasting op tweede verblijven werd meegeteld in de berekening, waren de kustgemeenten niet goed bezig.  Die bengelden helemaal achteraan in de rangschikking, want de zogenaamde belastingdruk was torenhoog!  Terwijl de inwoners van die kustgemeenten natuurlijk helemaal geen belasting op een tweede verblijf verschuldigd zijn in hun eigen gemeente.

Enfin, niet verwonderlijk dat het artikel van het internet werd gehaald.  Want de conclusies en de “rangschikking” slaan nergens op.  Vreemd dat de burgemeester en zijn eerste schepen niet even hebben gekeken hoe de cijfers in elkaar zaten en hoe wij daar in die top 10 zijn geraakt.

De enige manier om de belastingdruk van verschillende gemeenten met elkaar te vergelijken, is kijken naar de opcentiemen op de onroerende voorheffing, en naar de aanslagvoet die toegepast wordt op de aanvullende personenbelasting.  En wellicht ook naar de belasting op huisvuil.  Een betere vergelijking lijkt ons het kaartje dat door De Tijd werd gepubliceerd.  Een gemiddeld gezin in Meeuwen-Gruitrode blijkt dan 2200 euro per jaar aan gemeentebelastingen te betalen.  Dertien gemeenten zijn warempel goedkoper – en dat enkel in Limburg, om over de rest van Vlaanderen nog te zwijgen.  En dan zie je dat een gemiddeld gezin in Knokke-Heist slechts 713 euro betaalt, terwijl de zogezegde “belastingdruk” volgens Het Laatste Nieuws daar torenhoog zou zijn.

Tja. Appelen met appelen vergelijken.  En peren met peren… En de inwoners niets wijsmaken.  Dat ook.

Vanmorgen, rond een uur of zes, sprong mijn dochter van negen op bed.  Of ik al wist wie president geworden was.  Zelf had ik tussen twee en vijf geen oog dicht gedaan.  Ik was wel op een normaal uur gaan slapen – want hey, ik ging echt niet wachten tot ze Florida binnen had – maar werd wakker toen mijn man om 2 uur naar boven kwam.  Nipt, zei hij, maar ze zou het wel halen. 

Lag het aan de cola die ik nog gedronken had voor ik slapenging?  Ik kreeg alleszins hartkloppingen en kon de slaap niet meer vatten.  Ik kon het niet laten om mijn twitter feed om de tien minuten te checken.  Ik zag de grafieken met de prognoselijnen van Clinton en Trump zienderogen veranderen, tot het moment dat de kans dat Trump president werd groter werd dan die van Clinton.  Against all odds.  Dat was even wennen. 

De twittergemeenschap had het niet meer.  Er waren er nog die hoop koesterden, maar het was duidelijk dat die grafieken echt niet meer de andere kant uit zouden gaan.  Prompt begon men te beseffen dat mensen niet altijd zeggen wat ze denken.  Die Britten hadden ons bij de Brexit ook al bij de neus gehad.  Peilingen bleken opeens waardeloze rommel.  Tijdverlies.  Manipulatie. Wishful thinking.  Wat mensen in het diepst van hun ziel dachten, dat gingen ze echt niet aan de grote klok hangen.  Want dan zette je vriendschappen op het spel, familiebanden, werkrelaties.  Dat had je met de Brexit, en ook nu weer hoorde je daar mensen over getuigen. 

De “Amerikakenners” moesten eraan geloven.  Want zo gaat dat op twitter.  Een olifantenvel is geen overbodige luxe.  Men gooit meningen te grabbel.  Hoe grover hoe beter en geen gelegenheid wordt onbenut gelaten om zich te verkneukelen in het ongelijk van een ander.

De Amerikanen werden vervolgens weggezet als onvoorstelbaar dom, kortzichtig, racistisch.

Om 5 uur probeerde ik de slaap weer te vatten, met het idee dat het Trump zou worden.  En ook dat was niet makkelijk, maar de spanning was er wel af.  Net voor ik in slaap viel, dacht ik nog: tja.  Liever niet, natuurlijk, want wat had hij er allemaal uitgekraamd tijdens zijn campagne.  En wat was dat met dat haar!  Wat verborg hij onder die dubbelgevouwen froefroe?  Was dat gewoon voorhoofdskaalheid of was het meer?  Maar, en zo snel gaat dat dan: tja.  Want wat doe je eraan?


Mijn dochter was zwaar teleurgesteld.  Misschien zelfs een beetje bang.  Want ze was ervan overtuigd geraakt dat die Trump een akelige man was.  Hij heette dan wel Donald, zoals Donald Duck, maar erg sympathiek vond ze hem niet (Donald Duck overigens ook niet).  Waarschijnlijk ook omdat ze de gesprekken thuis had gevolgd en weinig goeds had opgevangen over de man.

Na een dag bezinken – waarin ik de media eerlijkheidshalve maar heel zijdelings heb gevolgd – is het gewoon de volgende werkelijkheid. Het is wat het Amerikaanse volk wou.  En dat lijkt eng.  Van de andere kant is het ook moeilijk in te schatten wat de werkelijkheid is en op welke manier hij in beeld werd gebracht.  Zowel in de Verenigde Staten als bij ons.

En het is waar, Hillary is nu niet de meest tot de verbeelding sprekende persoonlijkheid.  Ze was achteraf beschouwd weinig begeesterend tijdens haar campagne.  Was ze wel overtuigd van haar zaak?  Was ze te veel beroepspolitica en te weinig idealist?

En is Amerika echt op zoek naar een racistische president of heeft het gewoon dringend behoefte aan beleid?  Beleid waar de sympathieke en charmante Obama nooit aan toe gekomen is doordat hij continu werd gedwarsboomd door het Congres. Zijn ze het gewoon beu en geloven ze de traditionele politiek niet meer? Willen ze nu eindelijk boter bij de vis?  Geen halfslachtigheid, maar daadkracht?

Ik hoop alleszins dat het dat is.  Ik hoop niet dat de gemiddelde Amerikaan vrouwen minacht, buitenlanders verafschuwt, moslimfundamentalisme veralgemeent tot de hele islam.  Ik hoop dat Trump ook snel gaat nuanceren en rationeler wordt.  Ik denk het wel.  Want, er is een sprankeltje hoop: pragmatisme is eigen aan de zakenman.  Hij zal iedereen mee moeten krijgen, om “America strong again” te maken, om de “States” “United” te houden. Maar er zullen inderdaad handen uit de mouwen moeten worden gestoken.  En misschien is een zakenman – met weinig of geen politieke ervaring – op dit moment niet eens de slechtste keuze.  Ik hoop wel dat hij goede adviseurs heeft, en dat hij naar hen luistert.  Want er staan veel belangrijke knoppen binnen zijn handbereik.  En anders hoop ik dat die komende vier jaar snel voorbij zullen zijn, zonder al te veel calamiteiten.

En verder hoop ik dat Europa zichzelf in sneltempo gaat herbekijken.  Dat er snel echte interne samenwerking komt en dat er krachtdadige beslissingen worden genomen.  Duidelijk, strak beleid, zonder al te veel compromissen.  Want we mogen niet te afhankelijk worden van verkiezingen aan de andere kant van de oceaan.  We moeten zelf onze eigen sterkte gaan uitvinden en cultiveren.

Wat mijn dochter betreft: die gelooft nog steeds dat een vrouw president van Amerika kan worden.  Of van België, wat dat betreft ;-).  Daar zal Trump niets aan veranderen.  Wat hij ook over vrouwen moge beweren. 

We hadden al gelogeerd in Legoland, Kopenhagen, Kalmar en Stockholm en onze kennis van de Scandinavische geschiedenis was ondertussen al flink bijgespijkerd (niet moeilijk als je van quasi nul begint). Uppsala was onze volgende bestemming. Wat een gemak dat onze kinderen tegenwoordig oprecht geïnteresseerd waren in de universiteitsbibliotheek, de kerk met oude liturgische gewaden, het kasteel (en Pokemon was overal). Ze keken wel nogal veel op hun smartphone, maar soit. Tot bleek dat er rond het sportcomplex, naast onze kampeerplaats, óók veel Pokemons waren. Dus ook interessant. Dat en het mindere weer deden ons besluiten om maar even een duik te gaan nemen in het plaatselijke overdekte zwembad dat in dat sportcomplex was ondergebracht.
Mijn dochter en ik werden naar naar de vrouwenkleedkamer gestuurd, de zonen en mijn man naar de mannenkleedkamer. Eerst vond ik het raar, die scheiding van geslachten, maar al gauw kwam de aap uit de mouw (bij wijze van spreken). Achter het icoontje “vrouwen” liep iedereen spiernaakt door elkaar. Samen douchen, aankleden, uitkleden, allemaal geen probleem voor die Zweden. Ik kon er wel inkomen. Het kwam door die saunacultuur, natuurlijk. Zweden houden echt niet hun zwembroek aan tijdens een saunasessie. Ook niet als ze daar met heel de aangetrouwde familie zitten. Of met hun collega’s. Denk ik. Zweden kleden zich dus gewoon uit temidden van hun seksegenoten. Niemand die daar raar over doet.
Ik wilde geen spelbreker zijn door toestanden met handdoektenten in elkaar te steken en ik zag er de praktische kant wel van in. Geen gedoe met deurtjes die niet goed sloten, geen jongeren die over de muur kwamen loeren. Er viel niks te loeren, alles was te zien. Er was ook ruimte! Geen sprake van de gebruikelijke lichte vorm van claustrofobie als ik naast mezelf ook nog mijn dochter moest omkleden in een te klein kot waar alle droge spullen steevast naast het bankje op de vieze grond vielen. Of voeten die niet droog in de sokken geraakten omdat je niet fatsoenlijk kon zitten op dat zitje waar je tas al op stond. Plus, je hoefde niet in badpak onder de warme douche. Want dat is toch werkelijk een walgelijk gevoel, zeker als je met shampoo en zeep begint. Je geraakt ook niet tot de essentie, als je snapt wat ik bedoel.
Enfin, de verbazing was groot toen bleek dat verschillende dames voor de gelegenheid hun boerkini hadden aangetrokken. Terwijl de heren die bij de dames hoorden konden opscheppen met hun blote bast en de springplank van 10 meter uitkozen om hun kunstjes en zichzelf te demonstreren.
Ik moest daar toch even over nadenken, toen ik het zo in levende lijve zag. Natuurlijk had ik er geen ongemak van, als een andere vrouw een boerkini aanhad. Het was wel enorm lelijk, maar goed, smaken en kleuren… En bloot was ook niet altijd alles. Hier en daar had ik ook al bedenkingen gehoord over de hygiëne van die gewaden, maar goed, ik veronderstel dat daar ook wel een wasprogramma voor bestaat.  Gelukkig was het strijkvrij, dat badpakkenstof.  Maar hoe was het mogelijk dat die mannen ongegeneerd konden rondlopen in een zwembroek en dat hun vrouwen zich van top tot teen bedekten?
Ik heb het dan maar even opgezocht. De specifieke kleding zou twee redenen hebben, met name dat men elkaar als moslima herkent én dat de vrouwen niet zouden worden lastiggevallen.
Ik vind het toch een beetje vreemd en alleszins niet van deze tijd. Want waarom moet het op het eerste gezicht al duidelijk zijn welke godsdienst je belijdt? In een hedendaagse maatschappij is een godsdienst toch van secundair belang? En die moslim-heren, hoe herkennen zij elkaar dan? Aan de hipsterbaard? Bovendien wordt op die manier het “wij-zij” gevoel enorm versterkt. Onze samenleving heeft duidelijk gekozen voor een scheiding tussen kerk en staat, en daar moeten we trots op zijn.
En waarom zouden vrouwen worden lastiggevallen als ze hun lichaam niet volledig verbergen? Zou dat dan aan die moslimmannen liggen? Vertrouwden ze zichzelf en elkaar niet? Was het daarom dat die vrouwen zich zogezegd uit vrije wil in die ondingen hesen? Mochten die mannen dan eigenlijk wel met ons zwemmen, aanstootgevende vrouwen met blote buiken, blote benen, armen … zichtbare kapsels begot? Moesten wij ons ook bedekken als we geen gevaar wilden lopen?
Het gaat hier niet over een discussie over keuzevrijheid. Uiteraard vind ik dat de vrijheid moet bestaan om te kiezen wat je aandoet. In dit geval is er echter een duidelijk verschil in advies over de manier waarop vrouwen en mannen zich horen te gedragen. Opgelegd door religieuze geschriften van honderden jaren oud en niet geherinterpreteerd naar de huidige normen en waarden. Hoe meer textiel, hoe groter het geloof, zo lijkt het wel. En dat er andere regels moeten gelden voor vrouwen dan voor mannen, daar zijn we nu toch al even over uit. Wat geldt voor de ene groep, zou ook voor de andere moeten gelden. Dus ofwel man én vrouw in boerkini, ofwel geen van de twee. Uiteraard gaat hierbij de voorkeur uit naar de laatste optie.
En waar is de zin om geen “spelbreker” te zijn in onze cultuur van gelijkwaardigheid, net zoals mijn gezin dat niet wilde zijn in de Zweedse cultuur?  Van een verwant brein kreeg ik te horen dat hij toch ook niet met een frigobox vol Stella (of Cristal) op een strand in een moslimland zou gaan zitten. Tsja, de vergelijking gaat misschien niet helemaal op, maar toch… Wellicht zijn we in het verleden veel te nonchalant geweest met onze kostbare en moeizaam opgebouwde normen en waarden. Tijd om op onze welverdiende strepen te staan.

Graag verwijs ik nog naar een artikel, geschreven door een collega-tandarts van Iraanse oorsprong: http://www.demorgen.be/opinie/wie-opkomt-voor-vrouwenrechten-verdedigt-de-boerkini-niet-bcd33240/

Onderweg naar huis hoorden we van een ongeval op de Autoroute Blanche.  In de andere rijrichting was er een bus over de vangrails gekanteld.  Een bus vol kinderen.  Ik had net het stuur overgenomen en kreeg koude rillingen nog voor we de plek passeerden, werd misselijk van het idee hoe zo’n ongeval eruit zou zien.  Aan de kinderen hadden we nog niets verteld, zij zaten achter ons rustig naar een film te kijken, koptelefoon op, ze waren van plan de hele Harry Potter serie achter elkaar uit te kijken.  Op het moment dat wij de plaats van het ongeval kruisten, waren er nog geen hulpdiensten aanwezig.  Ze waren wel onderweg, hoorden we op 107.7 FM.  Stoppen konden we niet, het was aan de andere kant van de autostrade gebeurd.  We zagen dat er wel andere auto’s gestopt waren. Er stond een groepje jongeren in de berm.  Dicht tegen elkaar aan.  Ze leken rustig, ik schatte ze een jaar of 14, de leeftijd van onze oudste zoon. De chauffeur zou geklemd zitten.  Er waren helikopters onderweg.  Later hoorden we dat er drie zwaargewonden waren.

Enkele dagen tevoren was er de aanslag in Nice.  De avond zelf had ik daar niets meer van vernomen, het was een bewogen dag geweest, met de begrafenis van een oom, mijn peter.  Vrijdagochtend werd ik wakker met het bericht van de aanslag, in het nieuwsoverzicht op mijn telefoon.  Een neef van mij was de avond van de aanslag naar Nice gevlogen.  Gelukkig was er met hem en zijn familie niets aan de hand, maar hij was wel in shock.

Zaterdagmorgen werd ik wakker met het bericht van de staatsgreep in Turkije.  Vrienden zouden die avond naar de kust van Turkije vertrekken.  De onrust beperkte zich wellicht tot de grote steden, maar ik deed toch even een berichtje om te checken of ze zouden vertrekken of niet.  Want hoe zat het nu met Syrië, met Rusland, de Koerden…  Zelfs in België – in Limburg – raakten de Turkse gemoederen oververhit.  Ze zouden de afvalligen van Erdogan wel eens een lesje leren.  Hier in België.  In Limburg.  Belgen.  Limburgers, wereldburgers.

Dan de schietpartij in München.  Net nu mijn dochtertje ervan overtuigd was dat de meeste aanslagen in Frankrijk gebeurden.  De aanslag in Parijs had immers veel indruk gemaakt.  Een week tevoren waren we nog daar geweest, met de hele familie.  Mijn dochter was verkocht aan de lichtstad en ook de zonen vonden het er geweldig.  Mijn man is voor zijn job minstens een keer per maand in Parijs.  Parijs was dus geen vreemde stad, was eigenlijk vlak bij de deur.

De aanslag in Brussel vond mijn dochter ook wel eng, maar we hadden haar verzekerd dat zoiets wel heel uitzonderlijk was, en daar had ze zich mee verzoend.  Wij woonden in een veilig land.

Maar in Duitsland gebeurden nu ook akelige dingen.  En vanmorgen kreeg ik de vraag: “Mama, waar ligt Beieren?”.  Ik vreesde er al voor, zag haar aandachtig naar het nieuws luisteren toen ze hoorde dat er opnieuw een aanslag was gepleegd.

Ik vraag me af of we dit ooit normaal gaan vinden.  Moeten we hiermee leren leven? Ergens zou je willen dat zo’n busongeval zo ongeveer het ergste is wat je kan overkomen.  De chauffeur in slaap gevallen, onoplettend geweest, met dramatische gevolgen en niet te minimaliseren.

Maar hoe leg je uit dat dergelijke aanslagen gepleegd worden door jonge mensen, vaak niet zo heel veel ouder dan haar broers?  Dat deze jonge mensen zo veel mogelijk slachtoffers proberen te maken. Omdat ze waanbeelden hebben.  Omdat ze zich niet goed in hun vel voelen.  Omdat ze nooit goede voorbeelden hebben gehad.  Omdat ze boos zijn.  Boos op mensen die anders denken dan zij.  Omdat ze zich minderwaardig voelen.  Omdat ze zien dat er in andere delen van de wereld op een andere manier geleefd wordt.  En omdat zij dat ook wel zouden willen.  Of net niet.  Omdat ze vinden dat dat niet mag. Dat we het eigenlijk ook niet weten en dat het niet uit te leggen valt.

Als ik mijn kinderen dan bezig zie op het internet, dan slaat de schrik mij soms om het hart.  Ik vraag me soms af of we geen monster gecreëerd hebben.  We hebben onze wereld zodanig klein gemaakt dat een vliegticket goedkoper is geworden dan een autoreis.  Dat garnalen die in de Noordzee worden gevangen naar Marokko worden getransporteerd en daar worden gepeld alvorens ze in onze supermarkten worden verkocht. Omdat dat goedkoper is. Dat je real-time kan communiceren met om het even wie over de hele wereld.  Dat mensen met misdadige en onbegrijpelijke ideologieën elkaar vinden en inspireren.  Door het feit dat er internetcommunities bestaan waarin een bepaald gedachtegoed wordt gecultiveerd, worden gevaarlijke ideeën wellicht sneller als vrij rationeel beschouwd en kunnen bepaalde extreme filosofieën normaal gaan lijken.  Jongeren, die nog volop zoekend zijn en weinig kritisch, komen zonder problemen in contact met dergelijke communities, en zien wellicht al snel een manier om een bepaalde status te verwerven.  Een status die misschien niet aanvaard wordt door hun omgeving, maar die wel wordt gepredikt door hun idolen en die de weg, de waarheid en het leven belooft.  Dat ouders daar niets van snappen, lijkt niets nieuws.  Ze snappen toch ook niets van de muziek waar pubers naar luisteren?  Daar komt nog eens bij dat de sociale controle veel kleiner is geworden in een grootstedelijke context, waar we op een anonieme manier naast elkaar leven.  Maar ook gezinnen, families vallen uit elkaar, sportclub en jeugdvereniging lijken niet voor iedereen weggelegd. We weten niet meer waar onze buren mee bezig zijn.

Natuurlijk biedt de technologische vooruitgang ook voordelen die we niet meer willen missen.  En uiteraard willen we de klok niet zomaar terugdraaien.  Want was het vroeger zoveel beter?  Mijn grootmoeder had twee wereldoorlogen meegemaakt, er waren wonden geslagen die nooit zouden helen.  Wat we nu meemaken is ook een vorm van oorlogsvoering, maar dan een zonder officiële oorlogsverklaring.  We weten niet precies wie onze vijand is. Bovendien kan iedereen redelijk makkelijk aan een wapen geraken in onze vrije maatschappij, waar privacy hoog in het vaandel wordt gedragen.

Hoe langer hoe meer geraak ik ervan overtuigd dat een hecht sociaal weefsel noodzakelijk is om elkaar echt te kennen, maar ook om elkaar te beschermen.

Misschien was het nog niet zo’n slecht idee om – zoals onze grootouders – ’s avonds op de stoep te gaan zitten en te “ichteren”.  Zodat we weer mee zijn met het reilen en zeilen van de buurt en de laatste roddels.  Van de andere kant zie ik wel dat jongvolwassenen zelf ook op zoek zijn naar dat sociale weefsel en dat ze meer geloven in het verwerven van kennis en sociale contacten dan van materieel bezit.  Want dat is dan weer wel een troef van internet, dat er door de snelle en vlotte contacten met elkaar een deeleconomie kan ontstaan.  Het is niet meer nodig om zelf een auto te bezitten om een auto te kunnen gebruiken.  Er zijn buurtinitiatieven om te investeren in – pakweg – hernieuwbare energie.  Maar er zijn ook weer breicafés, naaicafés, repaircafés, hele hippe zelfs, als een soort tegenbeweging van de consumptiemaatschappij, een verlangen naar de essentie en “offline” gesprekken.

Ondertussen zijn de zonen Pokemons aan het jagen.  Het goede nieuws is dat ze hiervoor afspreken met de jongens van de buurt.  Kunnen ze ondertussen nog een beetje ichteren.

Het is zover, mijn peter is er niet meer…

Wel peter, nu kan ik eens rustig mijn gedacht zeggen zonder onderbroken te worden door je plagerige opmerkingen.

Het is lang  geleden, heel lang geleden dat ik met mijn eerste nieuwjaarsbriefje bij je op bezoek kwam.  Ik zag er een beetje tegenop, want ik wist dat er dan ook drie kussen volgden en de baard die je toen had, die prikte zo…

Wat me ook al heel vroeg opviel was die fenomenale lach van jou. Als je lachte, dan lachte je ganse lichaam, dan ging die lach gepaard met zo’n kirrend geluid en altijd moest je dan enkele traantjes wegvegen. Ooit dacht ik dat tranen het gevolg waren van wenen, maar jij hebt liters tranen geláchen. Later leerde ik dat de hoeveelheid traantjes evenredig was met de schuinheid van de moppen, die ik destijds uiteraard nog niet snapte.   

In je jonge leven heb je hard gewerkt, altijd maar werken. Blijkbaar zijn alle kinderen die tijdens de oorlog geboren werden later erg hard gaan werken, om de meegemaakte ellende en armoe te compenseren wellicht. Nonke Jan is “voor” de oorlog geboren en mijn papa erna…, maar dit tussen haakjes. Maar het was wel je rotsvaste overtuiging dat hard werken gevolgd moest worden door intense ontspanning.  Je kon intens werken, maar ook navenant plezier maken. Ik hoorde ooit van bomma en je broers hoe je in je jeugd de bloemetjes kon buiten zetten. Daar stond blijkbaar weinig maat op en je hebt bomma regelmatig  de daver op het lijf bezorgd, maar je eeuwige charme maakte dat je toch altijd bomma hare chouchou bent gebleven.

Op zeker ogenblik vond je toch nog de tijd om aan politiek te doen en het zal ook wel door die charme zijn dat je in onze gemeente schepen werd. Je partijkeuze wil ik je graag vergeven, maar ik vraag me toch af of je me ergens geïnspireerd  hebt wat betreft politiek engagement.

Toen ik hoorde dat je op zeker ogenblik in je vrije tijd jager werd moest ik even lachen. Met je kleine hartje vermoed ik dat je nooit het lef hebt gehad een ree of een everzwijn te schieten. Als je een ree in je vizier kreeg en in de oogjes keek weet ik zeker dat je een schot in de lucht hebt afgevuurd om  het dier de kans te geven snel weg te lopen.  Ik heb je trouwens nooit horen opscheppen over je jachttrofeeën.

In je leven waren er ook moeilijke momenten die zeker krassen in je ziel moeten hebben gekerfd. Maar je had blijkbaar een Ctrl+Alt+Del functie om die dingen te wissen of af te schermen. Dat vond ik dan wel jammer, want die functie lost niet veel op.

Peter Lex, je was een hard werkende onvoorwaardelijke optimist en positivist en een eminente levensgenieter. Zeuren deed je nooit. Tijdens de periode van slabakkende gezondheid was het zinloos om te vragen hoe je het maakte. Steeds  was het antwoord “heel goed, alles is perfect”.  Die mooie eigenschappen  en die ondeugend blinkende oogjes en fenomenale lach zullen altijd in mijn geheugen blijven. 

We zien je misschien niet meer, maar je blijft bestaan, in onze herinneringen, in je kinderen en kleinkinderen.  Je levensverhaal loopt niet ten einde, de dikke buikjes van Yannicke en Truike verraden dat er binnenkort weer nieuw leven in ons midden zal zijn, leven dat ons aan jou zal doen denken.

Nonke Lex, ik denk dat je in de hemel bent aangeland, misschien met een kleine voorwaardelijke straf, maar ze hebben je binnen gelaten, zeker weten. In mijn fantasie zie ik je daarboven aan een kaarttafeltje zitten, naast bomma en tegenover bompa en Ivan.  Tranen  van plezier rollen over de tafel. Rond je hoofd hangt wat mist, maar het kan ook rook zijn. Voor je staat een mooi glas cola, maar het kan ook wijn zijn.

Daarna zet je een plaatje op en je danst de boogie met bomma, die daarboven weer goed te been is. 

Tot later, ik ga ook alvast leren wiezen.   

“Ligt het nu aan mij?”, vraag ik mij dan af als ik mijn weekendportie kranten en tijdschriften heb verwerkt of als ik weer eens een reeks duidingsprogramma’s op radio en TV heb gehoord en gezien. Ligt het aan mij, ben ik een onverbeterlijke optimist?  En zien de media het zelf niet en worden ze het niet beu?  Hebben ze nooit eens zin om beide kanten van de medaille te bekijken, objectief te zijn, alle partijen te horen, uit te vlooien hoe het werkelijk zit? 

Het negativisme en pessimisme dat ons door de media de strot en de oren wordt ingeduwd is toch van een ongehoord en ongezien niveau. En het uitgestreken gezicht en de sérieux die erbij worden tentoongespreid doen vermoeden dat ze het ook echt menen.  Niets, maar dan ook niets blijkt volgens hen te functioneren. België is een “failed state”, justitie is een ramp, financiën een chaos, onderwijs een splijtzwam, het energiebeleid een catastrofe, geen cultureel beleid, defensie nul de botten, milieu en klimaat hopeloos, werk en economie veel te slap, de politici een stelletje amateurs… En zo voort. Dat is de boodschap die we van de media dag in dag uit moeten absorberen.  Alsof de maatschappij en de democratie aan het wankelen zijn en er in de nabije toekomst een burgeroorlog zal uitbreken.

Het gekke is dat ik in een volledig andere wereld blijk te leven, of is er iets mis met mijn observatievermogen ?

In mijn leefwereld zie ik toch talloze erg positieve dingen. In mijn omgeving zie ik mensen die gewoon tevreden zijn, die naarstig werken, ik zie jongeren die erg gemotiveerd studeren en zich amuseren, ik zie onze gepensioneerden – met een weliswaar karig pensioentje – toch tevreden zijn en passioneel bezig zijn met hun hobby’s, ik zie onze erg goede gezondheidszorg nog beter en rechtvaardiger worden,  ik zie de werkloosheid gestaag dalen, onze levensstandaard is dik in orde want in de weekends is het moeilijk een tafeltje te veroveren in een restaurant, we zijn sterk in sporten, we brengen culturele monumenten voort, het is nooit eerder gebeurd dat politici het huidige niveau van ethische waarden hanteerden, ik zie een samenleving die wel geschokt is door recente ongelukkige gebeurtenissen, maar die zich telkens enorm herpakt. En leg me nu dan eens uit waarom de media het vertikken deze  boodschap uit te dragen.

Ja, er zijn “groepjes” egoïsten die uit eigenbelang een maximaal aantal mensen gijzelen, zoals de luchtverkeersleiders, de treinbestuurders, de cipiers. Een zéér klein aantal mensen dat zich voor de kar van een bepaalde politieke oppositie laat spannen. En telkens besteden de media weken aandacht aan zulke randfenomenen. Waarom worden de initiatiefnemers van  zulke acties nooit gefileerd door de media? Waarom steeds opnieuw die negatieve communicatie? Als in de V.S. een journalist met wat ironie, of alleszins zonder de werkelijke toestand te kennen, schrijft dat België een “failed state” is, dan blijven onze journalisten dat doodernstig gedurende maanden herhalen in onze media, maar dan zonder de ironie te snappen of zonder de buitenlandse berichtgeving te weerleggen of te kaderen. Wat is er gaande met onze media? Behoren ze dan “allen” tot het zogenaamde linkse kamp? Is het een vorm van frustratie omdat het medialandschap grondig aan het veranderen is omwille van de digitalisering? Is het probleem de geleidelijke ontzuiling die vreet aan zo veel heilige huisjes?  Als je je dagelijkse portie journalistiek aanhoort, neem maar Terzake en De Afspraak,  dan voel je  steeds weer die negatieve tendentieuze vraagstelling.  Je zou er depressief van worden als er dat positivisme niet was dat vanuit de maatschappij toch steeds weer naar boven komt.

Ja, er zijn problemen met Justitie, maar misschien ook wel omdat de sector het altijd vertikt heeft zich aan te passen aan de digitale evolutie. Hetzelfde geldt voor de Waalse cipiers die weigeren efficiëntere werkmethodes te hanteren. En precies zulke groepen schreeuwen moord en brand. Fellere politieke daadkracht wordt bemoeilijkt en zelfs verketterd door de media maar is het enige dat het tij zal kunnen doen keren. Moed en doorzetting en duidelijke communicatie zijn nodig om verdere besparingen te realiseren. Uit de onderwijssector hoor je signalen die wijzen op veel besparingsmogelijkheden die daar nog mogelijk zijn, hetzelfde in de gezondheidssector. Op gemeentelijk en provinciaal vlak liggen nog mogelijkheden. Je hoort van alle kanten van burgers suggesties voor verdere gemeentelijke fusies, maar de vrijwilligheid  is duidelijk de grote hinderpaal, want de schrik voor persoonlijk verlies blijkt behoorlijk groot te zijn.

Er zijn redenen zat om positivisme te propageren. Waar is de Journalist die de persoonlijkheid heeft om zijn nek uit te steken en uit de toon te vallen?

Het was toch echt een Boeve(n)streek van katholieke-koepel-Lieven, dat vonden de bisschoppen ook.  Lieven vond dat de katholieke scholen best wat ruimdenkender konden zijn door islamlessen aan te bieden aan de vele moslimkinderen die zijn katholieke net bezochten. Om handen te reiken en banden te smeden, zo zei hij.

Daar moest ik even over nadenken.  Misschien was het wel zo, en was er dan meer controle over het islamonderwijs,  zodat het aangepast was aan onze maatschappij.  Van de andere kant, die moslimouders van moslimkinderen hadden wellicht een reden om hun kinderen naar dat katholieke net te sturen.  Omdat de school een goede reputatie had, omdat ze hun kinderen de beste kansen wilden geven, of omdat godsdienst voor hen gewoon niet op de eerste plaats kwam…

In mijn overpeinzingen dacht ik aan de twee jongens die ik goed ken en die naar een jezuïetenschool gaan.  Ze zitten daar op internaat.  Dat is niet zielig.  Ze kozen daar zelf voor, en de grote sportvelden, een “Harry Potter” sfeer en hechte kameraadschap zaten mee in het pakket.  Ze vinden het ook niet onaangenaam dat hun ouders een paar dagen uit het zicht zijn en dat ze hun weg naar de volwassenheid, naar het “humanior” zelf kunnen zoeken en vorm geven.  Hun ipads en laptops gaan een week aan de kant, en dat vinden die ouders dan weer prima.

De school stelt bepaalde standaarden en daagt de betere student uit.  Er wordt enthousiast deelgenomen aan olympiades allerhande en men is er oprecht trots op goede studenten.  Klassieke talen tieren er nog welig.  Men gaat er prat op dat een hoog percentage van hun studenten slaagt voor de toelatingsproeven geneeskunde en tandheelkunde. 

Ik vind het niet per se onrechtvaardig dat deze school niet elk kind ligt.  Want er zijn ook andere scholen, die meer focussen op kinderen wiens interesse minder ligt bij dat theoretische.  Die een ander evenwicht zoeken.  Ik vind overigens dat te weinig kinderen gesteund worden in hun zin om  technisch onderwijs te volgen.  Kinderen die handig zijn, die ruimtelijk inzicht hebben kunnen toch fantastische kennis en vaardigheden opdoen in een goede technische opleiding?  En wie heeft er overigens ooit beweerd dat theoretisch intellect superieur is aan handigheid en technisch inzicht?  Het gaat erom iemands talent te ontdekken, zodat men later optimaal en met zin kan meewerken aan een sterke en gevarieerde samenleving.

Maar er is meer – de school heeft een heel specifiek opvoedingsproject.  Andere scholen zouden hun confessionele oorsprong vandaag misschien zoveel mogelijk wegmoffelen in een poging om hip en modern te zijn, deze school is er trots op.  Al waren er geen paters meer rond, het “Ignatiaans opvoedingsproject” is er nog springlevend.

A propos: ook al ben ik geen kerkganger, voor de Jezuïeten heb ik altijd een boontje gehad.  Ze hebben iets non-conformistisch.  Ze springen een beetje uit de band.  En – maar ik dwaal weer af – dat ik niet naar de kerk ga, dat heeft voor mijn part niets met Jezus te maken, maar wel met de oubollige manier waarop één en ander in de markt wordt gezet.  Of niet wordt gezet.  Het gebrek aan realiteitszin, het gebrek aan transparantie, bepaalde tradities die niet meer te rijmen zijn met de uitdagingen van vandaag.  De koppigheid, de weigering om bepaalde gebruiken te herzien, ook al zijn die gebruiken geworteld in een historisch streven naar machtsbehoud.  Macht die vandaag zienderogen afbrokkelt en snel verleden tijd zal zijn als er niet snel wordt ingegrepen.  Maar als er een inspirerend iemand op het (s)preekgestoelte zou staan, iemand die dingen in vraag durft te stellen en met twee voeten in de realiteit staat, dan zouden de kerken terug vollopen, daar ben ik van overtuigd.  Mensen hebben behoefte aan zingeving, maar moeten het doen met de Flair en eventueel een mental coach.  Kijk bijvoorbeeld naar pastoor Rudi Mannaerts, uit het Antwerpse dacht ik, een flamboyant figuur, wiens kerk vol zit.  Enkele jaren geleden was er ook in Bree een jong en enthousiast iemand, die de kerk vol deed lopen. Helaas voelde hij zich beknot in het strenge kerkelijke keurslijf en heeft hij zijn parochie samen met zijn albe en stola vaarwel moeten zeggen.  Persoonlijk geloof ik overigens niet in een hiernamaals in plastische zin.  Ik ben er wel van overtuigd dat je verder leeft in de inzichten en werken die je achterlaat, de inspiratie en energie die je geeft, de wijsheid die je probeert op te doen om aan je kinderen mee te geven.  Ik denk overigens dat men dat al die tijd heeft bedoeld, in alle godsdiensten van de wereld.  Maar ondanks dat, ik zou naar de kerk gaan als er iets interessants werd verteld.  Al was het maar om mijn dorpsgenoten nog eens goeiendag te zeggen.

Maar goed, terug naar de school van die jongens die ik ken.  Het “Ignatiaans opvoedingsproject” vormt dus de leidraad die door de hele school en het internaat loopt.  Een project dat doordrongen is van principes, waarden en normen waar niemand iets kan tegen hebben, maar die wel degelijk geïnspireerd zijn op Ignatius van Loyola. Principes die bovendien niet vanzelfsprekend zijn, maar die uitdagen.  “Cura personalis”, of zorg voor de hele persoon, inclusief zin voor zelfkritiek.  “Magis”, of het zich meer dan gewoon willen inzetten.  “Non multa, sed multum”: beter degelijk werk dan vele halfslachtige werken.  “En todo amar y servir”: dienstbaarheid.  Ik vind dat mooi.  Het gaat naar de essentie.  En het is toepasbaar of alleszins na te streven in om het even welke omgeving, pluralistisch of niet.

Nu is het beste vriendje van één van die jongens moslim en ook hij gaat naar die jezuïetenschool. Zijn moslim-zijn is daar een pure bijkomstigheid, en zo hoort het ook.  Hij maakt er zelf geen punt van, zijn vrienden maken er ook geen punt van.  Het enige is: het vriendje eet geen varkensvlees.  Zoiets als een vegetariër dus, maar dan met meer opties.  Ik denk dat dat vooral de verdienste is van de ouders van die jongen.  Hem naar een internaat sturen dat doordrongen is van christelijke symbolen, vergt best wel vertrouwen en moed.  Maar zij zullen ook wel weten dat ze zich geen zorgen hoeven te maken over een eventuele hersenspoeling van hun zoon.  Dat is alleszins ook bij mij niet gelukt.  En ik ben naar een héél katholieke school geweest.  Dat hij doordrongen geraakt van de waarden en normen die op school worden onderwezen, dat is alleen maar te hopen.  Maar dat hoop ik ook voor die twee jongens die ik goed ken.  Het zijn namelijk essentiële bouwstenen voor een open, warme en constructieve samenleving.

Ik kan mij niet voorstellen dat deze ouders gaan eisen dat hun zoon islamles op school moet kunnen volgen.  Ik denk ook niet we moeten vrezen dat zulke ouders hun kind na de schooluren naar een onaangepast islamschooltje sturen.  Moslimkinderen die kiezen voor een katholieke school (en dat zijn er veel!) doen dat omdat hun ouders vertrouwen hebben in die school, omdat ze weten dat de opleiding goed is.  Omdat ze weten dat hun kind op die manier het best een plaats kan vinden in een maatschappij met een christelijke traditie.  Omdat het ook geen kwaad kan.  Omdat ze weten dat hun godsdienst niet zoveel verschilt van elke andere godsdienst, dat het uiteindelijk bedoeld is om mensen houvast te geven, op het rechte pad te houden en ordentelijk te laten samenleven.  Omdat ze een goede opleiding en een evenwichtige samenleving belangrijker vinden dan hun geloof.  Deze ouders zijn dus duidelijk al een paar stappen verder dan Lieven.  Waarom zou je dan verschillen benadrukken en kinderen afzonderen door ze aparte lessen te geven?  De keuze om niet-katholiek onderwijs te volgen bestaat toch al? 

Ik zou dus zeggen aan Lieven Boeve: geen paniek, katholieke godsdienstlessen richten geen permanente schade aan (uitzonderingen niet te na gesproken).